Home

Iedereen zweeg over ‘de vergeten ramp’ van Groningen, die na 75 jaar nog veel emoties oproept

Treinongeluk Een ongeluk met een trein eiste in 1950 het leven van zes Groningse kinderen. De gebeurtenis werd decennialang verzwegen en dinsdag voor het eerst herdacht: „De kop most d’r veur! Je moest verder!”

De Groningse burgemeester Roelien Kamminga legt samen met de kinderburgemeester bloemen bij het monument voor de kinderen die in 1950 omkwamen in de Oranjewijk. Foto Sake Elzinga

In de brandende zon staat Klaas van der Molen dinsdagmiddag voor honderden mensen in Groningen. Hij gaat vertellen over zijn broer, die 75 jaar geleden bij een ongeluk om het leven kwam. Maar al bij het uitspreken van zijn eigen voornamen ‘Klaas Willem’, raakt hij geëmotioneerd. Willem was de naam van zijn broer, die zeven jaar voordat Klaas werd geboren om het leven kwam. Zijn ouders vernoemden hem naar hun overleden zoon. „Ik heb het helemaal niet meegemaakt, maar toch ook weer wel”, zegt Van der Molen.

Op zaterdag 12 augustus 1950 kwamen in de Groningse Oranjewijk zes kinderen om het leven bij een ongeluk. Ze speelden bij de groenteveiling, toen een trein het hek van het gebouw raakte. Een pas gemetseld muurtje stortte in en viel op hen. Zes kinderen raakten zwaargewond, zes anderen overleefden het niet. Ze werden vier tot veertien jaar oud. Een week lang gingen alle gordijnen in de buurt dicht. Daarna werd er niet meer over gesproken.

Over deze ‘vergeten ramp’ kreeg Afsaneh Moghadam een jaar geleden een mail. Al 25 jaar is ze sociaal werker in Groningen, maar ze had nog nooit gehoord over wat er al die jaren geleden in de Oranjewijk was gebeurd.

Op 16 augustus 1950, vier dagen na het ongeluk, trekt een begrafenisstoet door de straten van de Oranjewijk voor de twee omgekomen broers Klaas (7) en Reini (5) Foto J.D. Noske/Anefo/Nationaal Archief

Oproep

Een bewoonster van de wijk vroeg Moghadam vorige zomer in de mail of ze aandacht wilde besteden aan het ongeluk. Moghadam besloot informatie te verzamelen en verspreidde een brief in de wijk. „Die bereikte niet alleen de buurt. Bewoners stuurden de brief door naar oud-bewoners die inmiddels op andere plekken wonen”, vertelt Moghadam.

Ze zocht mensen die het ongeluk meemaakten en broers en zussen verloren op en tekende hun verhaal op. „Het was alsof een vulkaan van emoties uitbarstte”, zegt Moghadam. „Veel pijn kwam naar boven, maar ook opluchting dat ze eindelijk hun verhaal konden vertellen. Veel mensen hebben er nooit over gepraat. Een ooggetuige heeft nu pas een brief aan zijn dochter geschreven over wat er gebeurd is.”

Samen met de wijkvereniging en de gemeente Groningen maakte Moghadam de brochure ‘een stilgevallen straat’ met daarin de verhalen van nabestaanden en overlevenden. Ze vertellen hoe de tijd na het ongeluk was en wat de impact op hun leven is geweest. Zo vertelt een vrouw die twee broers verloor dat haar familie bij de ramp „uitzonderlijk zwaar is getroffen. Mijn oudere broertje Klaas en mijn tweelingbroertje Reini kwamen om het leven en ik kwam zwaargewond in het ziekenhuis te liggen. De ramp zal zeker invloed hebben gehad op mijn ouders. Maar in die tijd werd hierover niet gepraat en zeker niet met je eigen, kleine kinderen. De kop most d’r veur! Je moest verder!”

Ook Jan, vriend en klasgenoot van Gjalt van der Meulen (83), kwam om het leven. „Zijn plaats bleef leeg in de klas en verder werd er niet over gesproken”, zegt Van der Meulen in de brochure. In die tijd werd er over pijn en verdriet niet gesproken, zegt Moghadam. Hulp was er ook niet. „Een sociaal werker bestond nog niet. Na het ongeluk gingen de gordijnen dicht. Uit saamhorigheid deden alle buren dat. Achter gesloten deuren werd er gerouwd. Niemand sprak er toen over, maar de impact was groot. Een broer van een van de omgekomen kinderen vertelde mij dat zijn vader elke dag naar de begraafplaats ging.”

Op de gedenksteen staat een tekst van de Groningse stadsdichter Esmé van den Boom. Bij de onthulling sprak nabestaande Klaas van der Molen, die zijn oudere broer Willem nooit gekend heeft. Foto Sake Elzinga

Bloemen

Veel huidige buurtbewoners wisten niet wat er in hun wijk was gebeurd, maar zijn nu betrokken bij de herdenking en de onthulling van het monument. „Nu weet ik waarom er op die plek soms bloemen liggen, zei een bewoner”, vertelt Moghadam.

75 jaar na de ramp is er nu een monument, met een gedicht van stadsdichter van Groningen Esmé van den Boom. Tijdens de herdenking spreken nabestaanden. Zo vertelt Klaas van der Molen wat de impact van het verlies van hun zoon Willem op zijn ouders was. „In 1957 kwam ik op de wereld. Ik was enig kind en kwam in een kooi terecht. Ik mocht niks. Ik had geen slechte ouders, helemaal niet. Maar ik heb mij niet kunnen ontplooien. Daardoor is deze dag wel een beetje emotioneel. Ik vind het heel mooi dat hier een monument is gekomen.”

Hilda Hoeksema (80) was vijf jaar oud tijdens het ongeluk en overleefde het, maar had botbreuken en een hersenschudding. Daarna, tijdens haar opname in een herstellingsoord, verdronk haar tweelingbroertje Appie. Op advies van de artsen vertelden haar ouders dat pas nadat ze thuiskwam uit het oord. Tijdens de herdenking spreekt ze over de gevolgen van het letsel op haar leven. „Het heeft ruim anderhalf jaar geduurd voordat mijn lichaam hersteld was. Mijn leervermogen was aangetast. Ik schaamde mij.”

Tijdens de herdenking is het voor het eerst in 75 jaar een minuut stil voor de omgekomen kinderen. Het doet de nabestaanden, ooggetuigen en overlevenden goed. „Deze herdenking biedt mij kracht en troost en ik hoop dat wie dit ook overkomen is, dit net zo mag beleven”, zegt Hoeksema. „Dit mag niet weer opnieuw vergeten worden.”

‘Mijn zus en ik zijn de dans ontsprongen’

Op de salontafel in haar woning heeft Ria Kloosterhuis (84) een stapel uitgeprinte krantenartikelen, mails en brieven klaar liggen. Daarin staat informatie over het ongeluk in de Oranjewijk, dat ze als kind meemaakte. Jarenlang sprak ze er niet over. Pas toen haar zus bijna twintig jaar geleden overleed, besloot ze meer te willen weten.

Als kind was Kloosterhuis altijd buiten aan het spelen. Ze woonde in de Oranjewijk met haar ouders en zeven broers en zussen in een klein huis. „We werden vaak naar buiten gestuurd om te spelen. Zo ging dat in die tijd.”

Zo ook op zaterdagmiddag 12 augustus 1950. Kloosterhuis was negen jaar en speelde met haar zusje van acht jaar in de wijk. „Wij telden altijd de wagons van de treinen die voorbij kwamen. De laatste wagon kwam net langs en ik zei tegen mijn zusje: ik heb het wel gezien. We draaiden ons om en het muurtje stortte in. Wij zijn de dans ontsprongen.”

Kloosterhuis zag dat een vrouw haar huis uit kwam en het muurtje waaronder de kinderen lagen omhoog probeerde te tillen. „Dat lukte natuurlijk niet. Die vrouw had rood haar. Dat ben ik nooit vergeten.” Ze ging met haar zusje naar huis en vertelde haar ouders wat er gebeurd was. Later die dag kwamen opa en oma langs. „Ze hadden op de radio over het ongeluk gehoord en zijn toen naar ons huis gegaan om te kijken of er bij de overleden kinderen een van ons bij was.”

Na het ongeluk werd er niet meer over gepraat. „Het was een gegeven. Er werd niets meegedaan. Het was net na de oorlog. Er was geen werk, alles werd nog opgebouwd. Het was een andere tijd.”

Pas na het overlijden van haar zus, met wie ze tijdens het ongeluk speelde, bijna twintig jaar geleden, wilde Kloosterhuis meer weten. „Tijdens de begrafenis van mijn zus kwam het boven. We hadden alle twee al veel eerder dood kunnen zijn.”

Ze plaatste in 2007 een advertentie in het Dagblad van het Noorden, waarin ze contact zocht met ooggetuigen van het ongeluk of nabestaanden. „Ik wist zelfs niet hoe oud ik was toen het gebeurde. Dat wilde ik weten. Ik kreeg veel telefoontjes, het bleef een week lang doorgaan. Dat verbaasde mij. Zo ben ik meer te weten gekomen over het ongeluk. Daarna was het voor mij klaar.”

Door de herdenking is Kloosterhuis wel weer met het ongeluk bezig. „Gisteren belde ik met mijn zusje. Die wist ook weer van alles te vertellen. Toen werd er niet over gepraat, maar je kunt niet alles wegstoppen. Het was beter geweest als mensen wat opener waren. Als het nu was gebeurd, dan was het heel anders gegaan.”

Source: NRC

Previous

Next