Amerikaanse inflatie Amerikaanse consumenten betalen tot nu toe maar mondjesmaat de prijs voor het handelsbeleid van president Trump. Economen verwachten dat de rekening de komende maanden alsnog zal komen.
Winkelen in New York. De gevolgen van Trumps importheffingen lijken voor Amerikaanse consumenten nog mee te vallen. Foto Spencer Platt/Getty Images/AFP
Kan de vlag uit bij het Witte Huis? Tegen de verwachtingen in bleef de inflatie in de VS vandaag steken op 2,7 procent op jaarbasis, net zoveel als vorige maand.. Analisten hadden rekening gehouden met een lichte stijging, naar 2,8 procent op jaarbasis. Op maandbasis bedroeg de inflatie 0,2 procent, conform de verwachtingen. Hoewel de uitgebleven inflatiestijging slechts een tiende van een procent betrof, zal president Donald Trump tevreden zijn.
Het Amerikaanse inflatiecijfer kroop de laatste maanden langzaam, maar gestaag omhoog. Vorige maand kwam er 0,3 procentpunt bij, dinsdag bleek de geldontwaarding dus onverwacht te stokken. Toch was er was niet alleen maar goed nieuws voor Trump (en Amerikaanse consumenten). De zogenoemde kerninflatie, de inflatie zonder de vaak hevig schommelende voedsel- en energieprijzen, steeg 0,3 procent op maandbasis. Op jaarbasis leidt dat tot een kerninflatie van 3,1 procent.
De stemming bij de Federal Reserve, het Amerikaanse stelsel van centrale banken dat onder toenemende druk van Trump staat om de rente te verlagen, zal er niet beter op worden. Oplopende inflatie, en dan vooral de kerninflatie, moet immers bestreden worden met een hogere rente, niet met een lagere. Trump en beleggers zien in het cijfer van vandaag echter een bevestiging dat de rente wel omlaag kan.
Uitblijven van een verdere stijging van het algemeen prijspeil staat in schril contrast met alle doemscenario’s die economen publiceerden over de desastreuze effecten van Trumps op 2 april aangekondigde heffingenoorlog. De Amerikaanse consument zou de rekening krijgen voor de extra belastingen die Trump aan de grens wilde gaan heffen op zo’n beetje alle Amerikaanse import. De logica achter die voorspellingen was ook goed te volgen: als Amerikaanse importeurs van auto’s, elektronica, voedingsmiddelen, speelgoed en ga zo maar door ineens tientallen procenten extra moesten gaan betalen om die producten het land in te krijgen, zou dat ook de verkoopprijs van die goederen met procenten doen stijgen. De rekening moet immers ergens betaald worden.
Maar de klap bleef tot nu toe uit, deels vanwege de chaos die Trump creëerde en die tot een haasje-over aan hoge en lage heffingen leidde. In onzekere tijden is het lastig vaste grond onder de voeten te krijgen.
De afgelopen maanden vragen diezelfde economen zich af waar de pijn van de heffingen dan wél terecht is gekomen. Het antwoord daarop is niet eenduidig. Duidelijk is wel dat de gematigde inflatie tot nu toe op zijn minst een vertekend beeld geeft van de economische realiteit achter die cijfers.
Vooropgesteld: de inflatie in de VS laat zien dat er wel degelijk een effect van de heffingen merkbaar is. Het Britse weekblad The Economist zette zich aan een herculesklus door de ruim 18.000 producten waarvoor invoerheffingen gelden in een database te stoppen, waarmee tot in detail is te volgen wat de impact van de heffingen op de consumentenprijzen is. Gemiddeld zijn die sinds begin dit jaar met 0,3 procentpunt extra gestegen door de heffingen, becijferde het blad. Sommige productcategorieën stegen veel harder, tot wel 13,9 procentpunt extra voor audio-apparatuur. Andere producten daalden juist ten opzichte van de inflatie zonder de heffingen.
Daarnaast hebben veel bedrijven geprobeerd zoveel mogelijk producten naar de VS te verschepen, vooruitlopend op de eerste golf van heffingen die dit voorjaar inging. Deels is dat gelukt, waardoor een voorraad goederen ontstond waarop nog geen heffingen van kracht waren. Die worden nu verkocht of verwerkt, nog tegen de oude prijzen. Maar die voorraden zijn niet oneindig.
Ook wordt duidelijker dat de ware prijs van de heffingen nog niet volledig door de hele verkoopketen is gegaan. De Amerikaanse Kamer van Koophandel becijferde deze maand dat met name Amerikaanse bedrijven met minder dan vijfhonderd werknemers het grootste deel van de kostenstijgingen voor eigen rekening hebben genomen. Dat deed pijn: het kleinbedrijf heeft scherper op kosten gelet, de extra importbelasting is ten koste van de winst gegaan, of er is simpelweg boekhoudkundig ingeteerd op toekomstige omzetten en winsten. Maar dat zal het bedrijfsleven niet blijven doen. Volgens de Kamer van Koophandel hikken de ongeveer 236.000 Amerikaanse kleine bedrijven inmiddels tegen een openstaande rekening van ruim 200 miljard dollar aan. Die zullen ze ergens neer willen leggen. En dat was nog voordat de laatste ronde heffingen (van 7 augustus) in werking trad.
Dit weekend publiceerde zakenbank Goldman Sachs een rapport dat die trend bevestigde: het Amerikaanse bedrijfsleven heeft twee derde van de extra kosten voor zijn rekening genomen, exporteurs betaalden 14 procent, en de Amerikaanse consument tot nu toe de rest: 22 procent.
In de analyse van Goldman, die overigens liep tot en met juni en dus de barrage aan nieuwe heffingen en akkoorden van de afgelopen weken niet meenam, wagen de economen zich aan een extrapolatie. Naarmate de heffingen langer aanhouden, en dat doen ze, verschuift de rekening. In oktober zullen Amerikaanse consumenten 67 procent van de heffingen betalen, het Amerikaanse bedrijfsleven nog maar 8 procent en de exporteurs de rest: een kwart.
Daardoor houdt Goldman Sachs rekening met een kerninflatie die aan het eind van het jaar is opgelopen tot 3,2 procent. Zover is het nu nog net niet, maar de cijfers van vandaag bevestigen wel de opwaartse trend.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC