Home

Had beeldend kunstenares Lizzy Ansingh een Piet Mondriaan kunnen worden?

Tentoonstelling Beeldend kunstenaars Piet Mondriaan en Lizzy Ansingh zaten gelijktijdig op de Rijksakademie in Amsterdam. Maar zij sloeg een heel andere weg in, zie je op een bescheiden tentoonstelling over haar werk.

Lizzy Ansingh poseert in 1910 bij enkele schilderijen. Foto Spaarnestad

Op de foto Groepsportret in het atelier van Simon Maris uit 1901 zit links vooraan Piet Mondriaan. Naast hem vijf vrouwen, ze zijn allemaal beeldend kunstenaar en ze hebben een tentoonstelling bij de Amsterdamse kunstenaarsvereniging Sint Lucas. Lizzy Ansingh (1875-1959) is de tweede van rechts. Nog in 1955 schreef ze over Piet Mondriaan aan een van haar vrienden, Adriaan Roland Holst: „Hij was een academiegenoot, walste met ons. (…) Ik vond hem een wazig hoofd, geen groot talent. (…) Hij moest zooveel uitleggen en praten bij zijn schilderijen.”

Lizzy Ansingh schilderde heel anders dan Piet Mondriaan, zie je op de tentoonstelling De magische wereld van Lizzy Ansingh, waar ook de foto hangt. Levensechte portretten in opdracht, illustraties voor (kinder)boeken. Hier en daar lees je een gedicht of een versje, die maakte ze ook. En vooral zijn er schilderijen van poppen, waar ze in haar tijd bekend mee werd. Poppen als mensen zijn het, zie je als je ervoor staat. Waarbij niet de uitdrukking op hun gezichtjes een gevoel oproept – poppen hebben een verstarde mimiek – maar wat ze beleven op het schilderij: vaak iets liefs of grappigs, soms is het poëtisch of melancholisch.

Poppen op canapé met drie schilderijen uit een particuliere collectie. Foto Tom Haartsen/Luther Museum

De magische wereld van Lizzy Ansingh is een bescheiden tentoonstelling in het Amsterdamse Luther Museum. Die locatie is logisch: Lizzy Ansingh was het kleinkind van portretschilder Johann Georg Schwartze, stamvader van de lutherse kunstenaarsfamilie die in het museum een prominente positie inneemt. Ook Johann Georgs dochter Thérèse Schwartze schilderde, zij is de beroemdste telg van de familie. Thérèses zus Georgine was beeldhouwster. En Lizzy Ansinghs zus, Thérèse Peizel-Ansingh, schilderde ook. Van alle leden van de familie bezit het museum wel een paar werken.

Brief aan Roland Holst

Piet Mondriaan en Lizzy Ansingh zaten gelijktijdig op de Rijksakademie in Amsterdam, vandaar het ‘academiegenoot’ in de brief aan Roland Holst. Had Lizzy Ansingh een Mondriaan kunnen worden?

In elk geval was het uitzonderlijk dat zij die opleiding volgde. Lizzy Ansingh hoorde bij de eerste lichting vrouwen die werd toegelaten, ze zaten in een speciaal damesklasje. Dames van goede stand waren het (dat waren de mannelijke studenten ook), vaak kenden ze elkaar al uit de kringen waarin ze verkeerden. En hoewel ze een eigen stijl ontwikkelden, was wat ze maakten verwant: laat-impressionistisch, in klassieke genres als stillevens, interieurs, portretten.

‘Amsterdamse Joffers’, noemde kunstcriticus Albert Plasschaert ze in 1912 in het tijdschrift Onze Kunst. Het was bedoeld als compliment: „In hun werk en houding herken je de ernst van een generatie die haar plaats niet opgeëist heeft, maar geschilderd”, stond er welgemeend bij. Toen de stijlen en modes van de avant-garde opkwamen – waarin zij niet meegingen – kreeg diezelfde geuzennaam echter een negatieve connotatie. Hun werk werd betiteld als lief en zoet, vrouwelijk, ambachtelijk.

‘Zelfportret met poppen’ uit 1922 uit collectie van Ruud van der Neut in Haarlem. Foto Tom Haartsen/Luther Museum

Lizzy Ansingh had succes met haar schilderijen, zeker in het begin. Ze kreeg prijzen, werd geëxposeerd. Al in 1899, ze was 24, toonde het Stedelijk Museum van Amsterdam een werk van haar, een portret dat ze dat jaar van haar moeder had geschilderd. In 1912 hing in hetzelfde museum het betoverende Poppen aan het dansen (De prinsessen), het is nu te zien in De magische wereld van Lizzy Ansingh.

De Stijl en Cobra

Maar tegen bewegingen als De Stijl en later Cobra kon haar werk niet op. Ze paste zich niet aan, ging door op de ingeslagen weg. Op de tentoonstelling zie je diverse ontroerende, vooral eigenzinnige schilderijen van poppen. „Een spiegel van de menselijke komedie”, noemen de samenstellers van de tentoonstelling die poppenschilderijen.

Dat vond in haar eigen tijd óók Albert Plasschaert, schreef hij in De Groene. „Een geschilderde biografie”, zag hij in haar schilderijen: „Bekentenissen van wat haar overkwam, wat in haar tot dat oogenblik stillekens huisde, of van dat wat haar door de buitenwereld werd aangedaan.” Lizzy Ansingh reageerde per brief: „Ik was zeer verrast over uwe critiek van de poppen, want ik ben niet gewoon dat iemand daar iets anders in ziet dan een stilleven, aardig van kleur, dus toen ik las wat u schreef dacht ik: hoe kent hij mij zoo?”

‘Schaatsende poppen’ uit particuliere collectie. Foto Tom Haartsen/Luther Museum

En traditionele schilderijen of niet, zeker is ook dat Lizzy Ansingh (en meer vrouwelijke kunstenaars uit haar tijd) nooit trouwde, zodat ze niet haar kunst hoefde op te geven. En met haar portretten op bestelling voorzag ze in haar levensonderhoud. Ze was een zelfstandige vrouw, die wist dat ze uit de tijd was geraakt. Maar ook daar had ze zo haar eigen kijk op. In een brief uit 1947: „Ik heb weer bij eenige reeproducties en invitatiekaarten voor tentoonstellingen kunnen constateren dat de Kunst toch wel wat Kindsch is geworden.”

Het gedicht Dán schreef ze in 1959, het jaar van haar overlijden. Het hangt op zaal:

Dan zullen zij zachtjes binnenkomen en om mij heen staan

zich tot mij overbuigen, min of meer ontdaan –

luisteren en fluisteren, ik zal ze niet verstaan:

want ik ben in de bruisende branding

van den oneindigen oceaan…

Daarna zal er een klein tumult wezen

als in den tuin waar de kat zojuist een vogel heeft gehaald.

Kort maar. Dan wordt er naar dien vogel

niet meer getaald.

Source: NRC

Previous

Next