Home

Mussolini en Hitler op kerkelijke muurschilderingen? Ze zijn een gevolg van de beladen verhouding tussen Italië en Slovenië

Politieke kerkschilderingen De Sloveense kunstenaar Tone Kralj maakte in de jaren dertig en veertig kerkschilderingen met een antifascistische boodschap. Met de stad Nova Gorica als Culturele Hoofdstad komt er weer aandacht voor, maar waarom zo weggestopt?

Interieur van de Sint Maartenkerk in Slivje, met schilderijen en reliëfs van Tone Kralj.

De smalle weg kronkelt omhoog naar Šentviška Gora, oftewel Sint Vitusberg. Het Sloveense gehucht met nog geen negentig inwoners dankt zijn naam aan de kerk die gewijd is aan de heilige die in 303 de martelaarsdood is gestorven. De kerkklok heeft net negen uur geslagen als Franc Kavčič, de lokale priester, de deur van de kerk komt openmaken.

Dit is niet een plek waar je verwacht oog in oog te komen staan met een schildering van Benito Mussolini. Toch is de vroegere leider van fascistisch Italië onmiskenbaar ter hoogte van het orgel afgebeeld. Handen karakteristiek in de zij houdt hij in een rode lendendoek en met ontbloot bovenlijf toezicht op de geseling van Sint Vitus, die als Romeinse jongen zich tot het christendom bekeerde en ondanks allerlei folteringen zijn geloof niet opgaf.

En rechts voorin het schip van de kerk, in de bovenhoek – ja, het is hem echt – is Adolf Hitler te zien. Kronkelend op zijn rug en met opengesperde mond ligt hij de rol te vervullen van de geesteszieke zoon van de ook afgebeelde Romeinse keizer Diocletianus. De jonge Sint Vitus in onschuldig wit staat erbij om bij hem de boze geesten uit te drijven.

De schilderingen zijn het werk van de Sloveense kunstenaar Tone Kralj, die tussen 1921 en 1945 in achttien kerken in wat nu de westelijke Sloveense provincie Primorska is, een antifascistische en antinationaal-socialistische boodschap heeft achtergelaten. Zo vormt op het plafond in de kerk in Soča het hoofd van Mussolini de kop van de slang van het kwaad, in Slivje vervult Mussolini in de gebeeldhouwde kruisgang de rol van Pontius Pilatus en helpt Hitler, slechts gekleed in een lederhose, mee om het kruis met Christus omhoog te trekken en in Pevma kijkt Mussolini als keizer Nero toe hoe de christenen in de arena worden gekruisigd en voor de leeuwen geworpen.

Het plafond in de Sint Jozefkerk in Soča: het hoofd van Mussolini vormt aan de voeten van de heilige de kop van de slang van het kwaad.

Detail van de plafondschildering in de Sint Jozefkerk in Soča: Mussolini als de slang van het kwaad.

In de Sint Vituskerk in Šentviška Gora schilderde Tone Kralj ook Adolf Hitler, als de geesteszieke zoon van de Romeinse keizer Diocletianus (linksonder in rechter afbeelding).

Beladen verleden

Dit jaar zijn de Italiaanse grensstad Gorizia en het Sloveense Nova Gorica – dat aan de Sloveense kant van de grens direct tegen Gorizia aanligt – Culturele Hoofdstad van Europa. Op de website van de organisatie is ook aandacht voor Kraljs kerkschilderingen in het gebied. Maar die informatie is wel moeilijk te vinden. Het is alsof dit deel van het verleden toch nog te beladen is om gezamenlijk te delen.

Kralj, geboren in 1900, kwam uit een boerengezin in Zagorica, een dorp dertig kilometer ten zuidoosten van Ljubljana. Door de aansporingen van zijn tekenleraar aan het bisschoppelijk gymnasium in Ljubljana en zijn vijf jaar oudere broer, die in Klagenfurt een kunstopleiding volgde, werd hij geen priester, maar schilder, beeldhouwer, graficus en illustrator.

Slovenië was toen nog geen apart land, maar maakte deel uit van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. In 1917 maakte Kralj als dienstplichtig soldaat in het Oostenrijkse leger de ineenstorting van de Dubbelmonarchie mee. Het grootste deel van Slovenië, ook zijn geboorteplaats, werd daarna deel van het Joegoslavische Koninkrijk. Maar Primorska, dat de Italianen Venezia Giulia noemden, werd samen met het Kroatische Istrië als oorlogsbuit aan Italië toegewezen. Dat werd officieel bekrachtigd door het Verdrag van Rapallo van 1920.

Kralj, behalve diepgelovig ook een nationalist in hart en nieren, zag dat als verraad van het Sloveense volk door de internationale gemeenschap. Dertien jaar later legde hij zijn visie vast in het expressieve schilderij Rapallo. Een vrouw met ontbloot bovenlijf, gehuld in de Sloveense driekleur (wit, blauw, rood), de armen als een gekruisigde gespreid en vastgebonden aan een landkaart, wordt door scherpe stokken en prikkeldraad als het ware in tweeën gedeeld. Fascisten, een adelaar en wolven doen zich aan haar tegoed, terwijl de internationale gemeenschap in de vorm van maskers stom toekijkt.

Driekleur

Onder het bewind van Mussolini en zijn fascisten werden de Sloveense taal en cultuur in Primorska verboden. Een kleine groep verzamelde zich om verzet, soms zelfs gewapend, te plegen. Ook onder geestelijken ontstond een verzetsbeweging. Verschillende priesters vroegen daarom in de jaren twintig, dertig en veertig Kralj om hun kerken te illustreren met nationalistische bijbelse motieven.

Zo koos Kralj ervoor om in Volče bij Tolmin onder meer de Slavische heiligen Cyrillius en Methodius te schilderen. En in veel kerken symboliseerde de witte, blauwe en rode kleding van onder meer Jezus en Maria de Sloveense driekleur. In 1928, in de Nicolaaskerk van Avber op de Karst, durfde Kralj het voor het eerst aan om Mussolini af te beelden. Verborgen achter het altaar is de Duce een kind dat met andere zondige zielen in een storm verdrinkt.

Verborgen achter het altaar in de Sint Nicolaaskerk in Avber, heeft Tone Kralj Mussolini geschilderd als een kind dat met andere zondige zielen in een storm verdrinkt.

De schilder verwerkte ook andere vooraanstaande fascisten in zijn kerkschilderingen. Zo is in Šentviška Gora Augusto Turati, secretaris van de Fascistische Partij, afgebeeld: als zwarthemd en met duivelshanden is hij toeschouwer als Sint Vitus in de arena voor de leeuwen wordt gegooid. En in de verschillende kerken heeft Kralj ook nog her en der fascistische en nazistische symbolen aangebracht. Denk aan roedenbundels met een bijl, Romeinse dolken, de Romeinse wolvin, hakenkruizen en adelaren. Ze zijn ook terug te vinden in Hitler and Mussolini in Churches (2020), waarin historicus Egon Pelikan van de Universiteit van Koper veel van Krajls meer en minder verborgen boodschappen heeft beschreven. Wat Pelikan niet benoemt: de Joden in de bijbelse scènes hebben net zo’n karikaturale haakneus als in antisemitische Italiaanse propaganda in die tijd.

Op de een of andere manier is Kralj nooit betrapt. De lokale bevolking wist vaak wel waarmee hij bezig was, maar die heeft hem nooit verraden. De portretten van enkele bewoners heeft hij in de schilderingen verwerkt, weet Franc Kavčič. „Vooral bij de engelen.” Ja, ook in Šentviška Gora, voegt hij eraan toe. Maar ondanks dat hij al twintig jaar hier priester is kan hij niet meer vertellen om wie het ging. Die kennis is al verloren gegaan.

Kralj heeft later verteld dat hij één keer in de problemen dreigde te komen, toen het iemand was opgevallen dat hij in de Sint-Luciakerk in Most na Soči veel gebruik had gemaakt van de kleuren wit, blauw en rood. Hij moest zich melden bij het politiebureau in Gorizia om uitleg te geven. De commissaris verbood hem nog verder te schilderen in de kerk, maar liet hem wel gaan. Voor de zekerheid vertrok Kralj tijdelijk naar Venetië om architectuur te studeren. Daar schilderde hij in het geheim op twaalf houtvezelplaten de kruisweg die hij later alsnog in de Sint-Luciakerk liet aanbrengen.

‘Nazi-Circus’ van Tone Kralj (1943). Op het schilderij onthult Mussolini als clown in de Italiaanse driekleur de nieuwste circusattractie: het ‘kleine Slovenië’ in de vorm van een gemartelde en geblinddoekte naakte vrouw. Ernaast staat de Dood als skelet in Duits uniform en gedecoreerd met het IJzeren Kruis. De tekst eronder: ‘Grote en kleine Europese beulen gezocht’.

Biënnale

In de tussentijd maakte hij ook onverdachte ‘gewone’ kunst in een expressionistische en monumentaal realistische stijl: zelfportretten, portretten van zijn vader en zijn vrouw Mara Jeraj (ook kunstenares), en rustieke scènes, waarmee hij onder meer drie keer op de Biënnale in Venetië stond. Hij deed ook mee aan tentoonstellingen in het buitenland. Primorska maakte dan wel deel uit van een fascistische dictatuur, maar het was geen gevangenis, iedereen kon vrij reizen, dus ook Kralj. In het buitenland zagen ze hem als een Joegoslavische oftewel Zuid-Slavische kunstenaar. In 1932 waren op een tentoonstelling van Joegoslavische kunst werken van hem te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Vooral de recensent van De Tijd was enthousiast: hij prees zijn ‘onvermengde oorspronkelijkheid’ en vond hem zelfs beter dan de Oostenrijkse ‘volksschilder’ Albin Egger Lienz.

Op 8 september 1943 gaf Italië zich over aan de geallieerden, maar het noorden, inclusief Primorska, werd nu een Operationszone onder wreed militair nazi-bestuur. Mussolini werd als een soort marionet leider van de Repubblica di Salò. Kralj verwerkte eind 1943 die ontwikkelingen in het schilderij Nazi-Circus (nu in het Tolmin Museum). Mussolini onthult als clown in de Italiaanse driekleur de nieuwste circusattractie: het ‘kleine Slovenië’ in de vorm van een gemartelde en geblinddoekte naakte vrouw. Ernaast staat de Dood als skelet in Duits uniform en gedecoreerd met het IJzeren Kruis. Onder hem een tekst in het Duits: Grote en kleine Europese beulen gezocht!

Na de Tweede Wereldoorlog werd Primorska net als de rest van Slovenië deel van de socialistische republiek Joegoslavië onder leiding van Tito. Kralj beschilderde tot aan zijn dood in 1975 nog 26 andere kerken in Primorska. Officieel was er in Joegoslavië geloofsvrijheid, maar in de praktijk was dat anders. Ook werden veel geestelijken vervolgd. Dat verklaart waarom Kralj tussen 1954 en 1957 in de Hart-van-Jezuskerk in Vrtojba Tito en zijn vrouw Jovanka, samen met onder anderen Karl Marx, Mussolini, Hitler en Stalin, heeft afgebeeld onder de verdoemden uit de Europese geschiedenis die naar de hel gaan.

De Hart-van-Jezuskerk in Vrtojba

De Sint Jozefkerk in Soča

De Sint Annakerk in Pevma

De Sint Vituskerk in Šentviška Gora

Ook keurige ‘socialistische kunst’

Het had Kralj minstens een zware gevangenisstraf kunnen kosten, maar ook nu bleef zijn werk op de een of andere manier onopgemerkt bij politie en geheime dienst. Mogelijk hielp het dat hij ook keurige ‘socialistische’ kunst maakte, waarvoor hij in 1972 werd onderscheiden met de Prešerenprijs, de hoogste Sloveense culturele onderscheiding.

Vier jaar geleden is het boek van Egon Pelikan ook in het Italiaans vertaald. Il Piccolo, de krant die in het Italiaanse grensgebied met Slovenië verschijnt, heeft er nog over bericht. Het heeft niet geleid tot veel Italiaanse bezoekers in zijn kerk in Šentviška Gora, vertelt Franc Kavčič. Mogelijk omdat veel Italianen nog steeds niet graag herinnerd worden aan de onderdrukking van dit deel van Slovenië door de Italiaanse fascisten. Liever wijzen ze erop dat de Sloveense partizanen veel Italianen hebben vermoord door ze in de foibe, spleten in de karst, te gooien. Ook Franc Kavčič merkt het de enkele keer dat Italianen zijn kerk bezoeken. Want wat zeggen die dan? Hij trekt een grimas. En zwijgt.

Source: NRC

Previous

Next