Mark Retera Mark Retera, tekenaar van de succesvolle strip ‘Dirkjan’, is nu ook schilder. „Als ik denk dat een schilderij de goede kant op gaat, dat ik het bij de lurven heb, geeft dat een gevoel van euforie.”
Striptekenaar en schilder Mark Retera in zijn atelier in Nijmegen.
Het is vies werk. Vies en vermoeiend. Heel anders dan strips tekenen. Mark Retera (61) wijst in zijn atelier, een voormalig klaslokaal in Nijmegen, naar een recent doek. We zien grove contouren van een beek met bomen op de oever. Maar die witte hoek rechts onderaan, die moet nog anders. Of niet? Hij twijfelt, zoals altijd. „Als ik schilder, voel ik een soort continue spanning in mijn hoofd. Omdat je duizend kanten op kunt. Ik moet proberen op mijn gevoel te werken, niet te veel na te denken. Doe ik dat toch, dan loop ik de kans binnen vijf minuten het hele werk te verknallen. Wéér een week voor niets gewerkt, heel frustrerend is dat.”
Het voelt nog onwennig. Al dertig jaar is Retera dagelijks bezig met het tekenen van zijn strip Dirkjan, sinds de coronatijd maakt hij ook schilderijen. Voorheen maakte hij soms aquarelletjes op vakantie, nu is het serieus. Abstract en semi-abstract werk hebben zijn voorkeur, in zijn atelier hangen grote doeken met contrasterende kleurvlakken.
Schilderen is iets heel anders dan strips tekenen, zegt Retera. „Het gaat niet alleen om het ontwikkelen van je oog, maar ook om het leren van het ambacht. Wat doet die verf? Wat kun je er allemaal mee?” Een stripje van Dirkjan – meestal zijn het drie plaatjes – is geslaagd als er een grap in zit en als de compositie deugt. Bij een schilderij weet je niet wanneer het ‘goed’ is. Als je voelt dat het af is? Het werk zelfs mooi vindt? Zoiets, denkt Retera hardop terwijl hij thee inschenkt voor zijn bezoek. „Ik heb het gevoel dat ik nog helemaal aan het begin sta van dit ambacht.”
In de herfst van 2024 had hij zijn eerste expositie in een expositieruimte in Beek – hij was ervoor gevraagd. Zijn werk hing al bij de kunstuitleen en werd eerder tentoongesteld in het gemeentehuis van zijn woonplaats Nijmegen. Dus helemaal aan het begin staat hij nu ook weer niet.
Het tekenen zit in de familie. Vader Retera ging na zijn pensionering als gymleraar nog naar de kunstacademie, zijn oom was een verdienstelijk amateurstriptekenaar. Mark Retera begon met tekenen toen hij van Eindhoven naar Nijmegen verhuisde om psychologie te studeren. Daar publiceerde hij zijn eerste strips in het magazine van de faculteit en in studentenblad ANS. Later stuurde hij zijn tekeningen over de slungelige student Dirkjan en zijn sjofele huisgenoot Bert naar stripblad Sjors en Sjimmie, de redactie had interesse. Zijn werk kwam ook onder de aandacht van het Algemeen Dagblad en uiteindelijk kreeg hij daar een vaste plek, zes dagen per week.
Mark Retera in zijn atelier.
Misschien is er toch een overeenkomst met striptekenen, oppert Retera. Hij tekent een Dirkjan-plaatje soms wel twintig keer opnieuw. Zijn schilderijen schildert hij ook tot wel eens uitentreure over; soms zijn er meer dan zes versies en is de verflaag uiteindelijk een boterham dik. Retera noemt zichzelf „een ambitieus mannetje. Dit is geen hobby, nee. Een hobby is met een modelvliegtuigje op een veldje gaan vliegen. Of postzegels verzamelen. Ik heb geldingsdrang; heb een publiek nodig, en bevestiging. Het doet iets met me dat er al werken verkocht zijn en dat ik via de kunstuitleen bij mensen aan de muur hang. Als niemand interesse zou hebben, zou ik de moed snel verliezen, vrees ik.”
„Momenteel werk ik aan nieuwe schilderijen zodat ik er straks een stuk of tien heb. Met het promotionele deel ben ik nog niet erg bezig, maar dat komt er wel aan. Niks gaat vanzelf, Toen ik met Dirkjan begon, moest ik ook leuren.
„De meeste mensen die bij de kunstuitleen komen, zullen mijn naam niet kennen. Ik heb me natuurlijk wel afgevraagd hoe ik mezelf moet presenteren. In het stadhuis heb ik bij de expo vermeld dat ik de tekenaar ben van Dirkjan. Maar omdat ik hiermee echt een nieuwe weg ben ingeslagen, doet mijn naam er nauwelijks toe.”
„Ik maak nog steeds met heel veel plezier strips en ga daar ook zeker niet mee stoppen. Maar mijn enige uitdaging is eigenlijk nog het vasthouden van het niveau dat ik al heb. Ik begon de horizon te missen die ik in het begin met striptekenen had. Dat magische van steeds hoger mikken. Striptekenaar worden was het hoogst haalbare. Na zo veel jaar Dirkjan valt er binnen dat kader niet zo veel meer te ontdekken. Schilderen kost me ontzettend veel energie, het frustreert ook. Juist dat heb ik nodig. Ik kan hier nog heel lang mee vooruit.”
Tegelijkertijd heeft hij het gevoel dat hij moet opschieten. „In de familie van mijn vader komt dementie voor. Ik herinner me dat hij vroeger behoorlijk van zijn stuk kon zijn als hij iets vergat. Omdat hij bang was dat de ziekte was begonnen. Net als al zijn acht broers en zussen kreeg hij inderdaad dementie. Begin zeventig was hij, ik ben nu 61. Dan heb ik nog tien jaar te gaan.”
Hij hoopt dat de vrees voor dementie zijn leven niet gaat beheersen, maar die vrees parkeren is lastig. Het enige wat hij kan doen is doorwerken. Met of zonder inspiratie, dat maakt volgens hem niet uit. Inspiratie is niet iets wat je toekomt of waar je op kunt wachten, je roept het op door ervoor te gaan zitten. Vergelijk het met het schrijven van een Sinterklaasgedicht, zegt hij. Zitten en schrijven. Zo gaat het met Dirkjan ook al dertig jaar. Slechts heel af en toe gebeurt het dat hij ’s nachts zomaar een ingeving krijgt. Hij lacht. „Die grappen blijken de volgende ochtend altijd heel slecht.”
Retera moet zichzelf „opdraaien” voor hij aan het werk gaat. Een veertje opwinden. De ene keer gaat dat makkelijker dan de andere keer. „Het kost tijd. Ik merk het ook fysiek, ik moet de hele tijd naar de wc.”
De ideeën voor de Dirkjan-strips bedenkt hij deels met collega Wilfred Ottenheijm, met wie hij al jaren samenwerkt. Altijd aan dezelfde tafel in cultureel centrum De Lindenberg, altijd op maandagochtend. De rest van de week worden de strips uitgewerkt en aangevuld.
Zo’n routine heeft hij nog niet voor het schilderen. In het begin maakte hij foto’s van het landschap in de Ooijpolder bij Nijmegen, om ze daarna te bewerken op de computer. Met die beelden ging hij vervolgens aan de slag op het doek. Nu begint hij meestal met een lik verf op een wit vlak. Ter inspiratie kijkt hij ook graag documentaires waarin schilders vertellen over hun techniek en hun tekortkomingen. „Expressionisten uit de jaren vijftig en zestig vind ik inspirerend. Mensen als Franz Kline en Jackson Pollock. Maar die waren aan de drank en gingen vroeg dood. Dat moest ik maar niet doen.”
Schilderen geeft een gevoel van vrijheid. In de Dirkjan-strips kan heel veel níét, of niet meer. Want Retera houdt wel degelijk rekening met de gevoeligheden in de samenleving, zegt hij. Zo was een van zijn bekende karakters meneer Ping, een Vietnamese loempiaverkoper. Die kon de r niet uitspreken en dat leverde melige conversaties op.
„Ik ben daarvoor op mijn vingers getikt door collega-striptekenaar Maaike Hartjes. Die heb ik heel hoog zitten. Ze heeft me duidelijk gemaakt waarom dat accent van meneer Ping niet meer kon. Dat ik een witte cis-man ben en dus nooit tegen discriminatie aan ben gelopen. Maar dat er andere mensen in Nederland zijn voor wie dat niet geldt. Ze had gelijk. Dan zijn grappen over meneer Ping ook meteen niet meer grappig. Het gaat er niet alleen om dat bepaalde mensen ze niet leuk vinden, ze zíj́n in deze tijd ook niet meer leuk.”
Collega Wilfred Ottenheijm noemt hij het „geweten” van zijn strips. Die zegt vaak „laten we dat maar niet doen”, als Retera weer eens een grapje heeft bedacht dat te smerig of te plat is. „Ik ben iemand die de randjes opzoekt. Dat moet ook, want voor de lezers moet het wel grappig blijven.”
Zijn strips tekent hij thuis, de schilderijen maakt hij hier in het gehuurde klaslokaal vol ezels en verftubes. Heel af en toe bereikt hij daar een moment van euforie, als een doek „klopt”.
„Ik wandelde altijd al veel in de bergen, maar ik wilde meer uitdaging. Toen ben ik gaan klimmen met een berggids, in de Italiaanse Alpen. Het is een adrenalinerush. Tijdens de klim was ik doodsbang, het kostte heel veel energie. Dan sta je uiteindelijk weer beneden en is de opluchting dat je er nog bent waanzinnig groot. Op die euforie kan ik echt weken teren. Het is een soort drug. Wanneer ik op zeker moment voel dat een schilderij de goede kant op gaat, dat ik het bij de lurven heb, dan kun je dat gevoel wel vergelijken, ja.’
Het klimmen was echter niet meer goed te verantwoorden tegenover het thuisfront, en daarom is Retera er onlangs mee gestopt. „Ik heb een vrouw en twee kinderen. Dan hang je daar aan een touw tegen zo’n ijsplaat en weet je: die gids houdt mij niet als ik nu val. Het kan heel makkelijk misgaan.”
Dan zijn tekenen en schilderen een stuk veiliger. Hij kan genieten van de zon die zijn werkkamer binnenvalt terwijl hij aan het werk is. Dat hij de inkt ziet opdrogen. Of dat iemand een nieuw schilderij mooi vindt. „Dat stimuleert. Misschien kan ik hier over een paar jaar zelfs inkomsten uit genereren, dat hoop ik natuurlijk. Ik mag dan nog onzeker zijn, ik heb wel vertrouwen in mezelf. Veel mensen zeggen dat ik me geen illusies moet maken, dat met kunst geen droog brood te verdienen valt. Maar dat zeiden ze over striptekenen ook.”
We leven, zo goed en zo kwaad als het gaat. Maar wat maakt het de moeite waard? Niemand die het definitieve antwoord kan geven, maar menigeen heeft er ideeën of zelfs sterke gevoelens over. Dat vragen we in deze serie.
Source: NRC