Home

‘Soms kreeg je een getraliede kooi over je heen, waar je een paar uur in moest blijven zitten’

John Simons was 18 toen hij door de Japanners krijgsgevangen werd gemaakt

Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog tachtig jaar geleden ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen. John Simons (102), die als dwangarbeider in Japan op een haar na ontsnapte aan de atoombom.

Door Rik Kuiper

Fotografie Stephan Vanfleteren

Het Japanse leger had zojuist Pearl Harbor aangevallen, waarna de Amerikanen Japan de oorlog hadden verklaard. De Nederlandse regering in ballingschap deed hetzelfde, en kondigde direct de algehele mobilisatie in Nederlands-Indië af.

Ook Simons, die aanvankelijk vanwege zijn opleiding een vrijstelling voor de dienstplicht had gekregen, kreeg een oproep zich te melden bij het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Maar hij voelde er weinig voor. En dus verscheurde hij de brief, in de hoop dat het allemaal zou overwaaien. ‘Ik was opstandig’, zegt hij daar meer dan tachtig jaar later in zijn woning in Amstelveen over, 102 jaar oud inmiddels. ‘Ik wilde op school blijven.’

Een dag later was Simons alsnog de klos. De politie kwam hem thuis halen, met een motor met zijspan. ‘Ik ben meegegaan en werd ingedeeld bij een infanteriebataljon. Op het terrein van een thee-onderneming ten zuiden van Bandoeng kreeg ik een korte militaire training.’

‘Nee, dat niet. De Japanners namen Java in en wij kwamen daarna al snel als krijgsgevangenen in concentratiekampen terecht. In Tjimahi moesten we op een dag allemaal bij elkaar komen op een plein, om te zien hoe de Japanners een paar KNIL-militairen executeerden, Nederlandse jongens die hadden geprobeerd te vluchten. Ik stond er ver vanaf en zag er niet veel van. Wel hoorde ik de schoten.’

‘Ach, wat is bang? We wisten toen: weglopen is geen goed idee. We waren gewaarschuwd.’

Pieter John Cornelis Simons werd geboren op 2 april 1923 in Bandjarnegara op Midden-Java. Hij was de tweede van vier zonen in een christelijk gezin. Zijn vader Jules, geboren op Java, was van Nederlandse komaf, zijn moeder Veronica was Ambonees. Thuis op Sumatra spraken ze Nederlands met een vleugje Maleis.

‘We leefden op de rubberplantage waar mijn vader als opzichter werkte’, zegt Simons. ‘Die plantage lag in de Liki-landen, ten zuidoosten van Padang, ongeveer een dag rijden met de vrachtwagen.’ Thuis hadden ze ‘een kokkie’ die kookte en een jongen voor de tuin.

Het gezin Simons, met vooraan moeder Veronica. Daarachter van links af: vader Jules en de zonen Bertus, Jules jr. en John. Oudste broer Fré staat niet op de foto.

Simons en zijn broers gingen in Padang naar school. Omdat het ondoenlijk was dagelijks heen en weer te reizen, zaten ze in de kost, bij wisselende families. Alleen tijdens vakanties zagen ze hun ouders.

Na de mulo verkaste Simons naar Bandoeng op Java, waar hij naar de ambachtsschool ging. ‘Dat was leuk’, zegt hij. ‘Ik leerde er bankwerken en smeden.’ De opleiding tot scheepsmachinist, die hij daarna wilde volgen, ging niet door vanwege de oorlog.

‘We gingen met ik weet niet hoeveel mensen aan boord van een vrachtschip. In het ruim stonden stellages waarin we konden slapen. Als we onze behoefte wilden doen, moesten we naar het dek. Veel mensen werden ziek. Vanwege het slechte eten waren ze aan de schijterij.

‘In Singapore werden we ondergebracht in een voormalige Engelse kazerne. Daar kwam ik mijn broer Bertus tegen. Hij werd later als dwangarbeider ingezet bij de Birma-Siamspoorlijn. Pas na de oorlog zag ik hem weer terug. Hij heeft me nooit veel verteld over die tijd.’

‘We moesten weer in het ruim van een schip en ditmaal werd ik ook ziek. Ik kreeg pillen van een Japanse verpleger, maar die hielpen niet. Het was zo erg, dat ik de moed al bijna had opgegeven.’

‘Dat kan ik me niet herinneren. Ik weet wel dat ik in de Japanse haven op de kade werd gelegd. Daarna reisden we per trein naar een kamp in de buurt van Nagasaki. We moesten werken op de scheepswerven van Mitsubishi, onder toezicht van de Japanse marine.’

‘We maakten olietankers. Zelf werd ik opgeleid tot scheepsklinker. Ik sloeg klinknagels in de scheepshuid, om de boel aan elkaar te rammelen. Daarbij was ik verantwoordelijk voor drie andere mensen. In het leger was ik korporaal geweest, dus de Jappen zagen me als een leider.

‘Het was hard werken. Je kon niet even stiekem in een hoekje gaan zitten. We moesten ’s ochtends ook een uur wandelen van het kamp naar de scheepswerf. En ’s middags weer terug.’

‘Als je deed wat de Japanners wilden, dan had je geen probleem. Maar wie niet gehoorzaamde, kreeg klappen. We moesten bijvoorbeeld verplicht salueren naar de Japanners. Dat vond ik vernederend.’

‘Hoe zal ik het zeggen? De soldaten in ons kamp vonden het wel prettig om krijgsgevangenen een klap te geven. Altijd met de hand. Eén klap. Op het gezicht.

‘Soms kregen we ook andere straffen. Dan zetten ze een getraliede kooi over je heen, waar je een paar uur in moest blijven zitten, op een klein bankje met de knieën gevouwen. Als je dorst had, kreeg je van sommige bewakers een kopje water. Anderen gooiden dat kopje leeg over je hoofd.’

‘Twee keer. Ik had geprobeerd te smokkelen, en dat was verboden. Gevangenen ruilden vlees uit het rantsoen met Japanners op de werf. Daar kregen ze bijvoorbeeld sigaretten voor terug. Zelf had ik een soort beschuit gekregen, die ik in mijn blouse had verstopt. Toen ze dat ontdekten, moest ik in die kooi.’

‘Er gingen flink wat mensen dood daar. Ze werden ziek, gingen naar het spreekuur van de Nederlandse kampdokter en die zei dan dat je niet mocht werken. Sommigen knapten op, anderen niet. Vrienden van mij zijn aan longontsteking gestorven. Ik bleef gelukkig leven.’

‘We werkten in een kolenmijn, waar we lorries vulden met kolen. Die lorries duwden we over de rails de mijn uit, waar de kolen op vrachtwagens werden geladen. Ik kreeg er nog een ongeluk, toen het plafond van een van de mijnschachten instortte. Ik kon een paar dagen niet werken.’

Glimlacht: ‘We hebben geluk gehad.’

‘Nee, dat niet.’

‘Op een dag moesten we op appel komen en toen vertelde de Japanse kampcommandant over de capitulatie. Vanaf dat moment moesten we zelf het kamp bewaken. We stuurden de Japanners het wachtlokaal uit en lachten hen uit.’

‘We trainden met het Amerikaanse leger en ik meldde me aan voor een opleiding tot parachutist. Dan moest je met een Jeep meerijden en om beurten uit de laadbak springen.

‘Uiteindelijk hebben ze ons boven Frans-Indochina gedropt. De parachute ging vanzelf open. Bij de landing struikelde je over je eigen benen. Ik moet altijd lachen als ik eraan terugdenk.’

‘In Saigon gingen we aan boord van een schip dat ons naar Singapore bracht. Daar werkte ik als bewaker van het Wilhelminakamp, een kamp voor geëvacueerde burgers en voormalige krijgsgevangenen uit Indië. Zij kregen de gelegenheid om naar Nederland te gaan.’

Simons zelf keerde begin 1946 terug naar Sumatra. Daar werkte hij eerst als militair chauffeur en later als ‘tropenadviseur’ bij de Nederlandse Landmacht, wat betekende dat hij de Europese militairen die tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog werden ingezet adviseerde over het werk in de tropen. In een eerder interview zei Simons dat hij in die functie had weten te voorkomen dat Nederlandse militairen ‘wraakacties ondernamen’ als reactie op de moorden die Indonesische gewapende burgers hadden gepleegd. ‘De Indonesiërs legden hinderlagen voor de Nederlanders’, zegt hij er nu over.

‘Ik heb gevechten tussen de Nederlandse militairen en de vrijheidsstrijders proberen te voorkomen. En dat is gelukt. Ik ben zelf niet bij gevechtshandelingen ingezet.’

‘Ja, die begreep ik wel. Ze wilden niet meer onder het juk van een andere natie leven. Tegelijkertijd wilden de Nederlanders na de Japanse capitulatie de ondernemingen en plantages weer terug die ze voor de oorlog hadden bezeten. Wij kregen de opdracht om die te beschermen. Zelf was ik blij met de terugkeer van de Nederlanders. Ik wist ook niet anders, ik was een tropenkind.’

Nadat Nederland in december 1949 de soevereiniteit over de kolonie had overgedragen aan Indonesië, vertrok Simons naar Nieuw-Guinea, dat Nederlands grondgebied zou blijven. Hij werkte onder meer als hotelmanager bij het Gouvernementshotel in Biak. In april 1962, nadat Nederland zich onder internationale druk ook had teruggetrokken uit Nieuw-Guinea, vertrok Simons naar Nederland. Met zijn gezin, dat eerder al was geëvacueerd, ging hij in Woerden wonen.

‘Nee, dat niet. Maar ik vond het wel een nare tijd. Mensen bleven er ook vragen over stellen, waardoor ik het steeds opnieuw moest vertellen.’

Simons is even stil. ‘Ja. Dan moet ik toch weer die herinneringen ophalen. Dat is belastend. En wat hebben mensen eraan?’

Over de makers

Rik Kuiper is regiocorrespondent Utrecht en Flevoland en schrijft ook met regelmaat over de Tweede Wereldoorlog. Dankzij een medewerker van het Niod kreeg Kuiper in 2017 liefdesbrieven in handen van de tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadiger Willem van der Neut. Het heeft geresulteerd in de artikelenreeks Liefdesbrieven van een kampbeul, dat inmiddels ook is verschenen als boek.

Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.

Source: Volkskrant

Previous

Next