Lang worstelde sterrenkundige Margot Brouwer (35) met angst voor de dood. Opgevoed als christen en opgeleid als wetenschapper, ontstond zo een unieke levensfilosofie die troost en hoop bood. ‘Dit idee is voor mij enorm geruststellend.’
is wetenschapsredacteur voor de Volkskrant. Hij schrijft over sterrenkunde, natuurkunde en ruimtevaart.
Als Margot Brouwer 24 jaar oud is, gaat het goed mis. Met diens toenmalige vriend experimenteert Brouwer, die zichzelf sinds grofweg diens 30ste als non-binair identificeert en het liefst met ‘die’ wordt aangeduid, voor het eerst met drugs. Wat ‘gewoon een avondje giechelen’ had moeten worden, mondt uit in wat die omschrijft als een psychologische watersnoodramp.
‘De dijk in mijn onderbewuste, die ik jarenlang heb opgebouwd tegen mijn existentiële angst, breekt door. Een vloedgolf van opgekropte vragen overspoelt me. Wie ben ik? Wat ben ik? (...) Niemand weet of er na de dood ook maar iets van ons overblijft. Niemand heeft de antwoorden, niemand!’, zo schrijft Brouwer in diens onlangs verschenen boek Sterrenstof zijn wij.
U draagt uw boek op aan iedereen die vastzit in de ‘eenzame duisternis van existentiële vragen en onzekerheid’. Was het echt zo erg?
‘Ik heb van mijn moeder begrepen dat ik mijn eerste paniekaanval over de dood kreeg toen ik 3 jaar oud was. Ik heb wel flarden van herinneringen uit mijn latere jeugd over die paniek, dat ik in mijn hoogslaper lag en huilde, krijste, omdat ik bang was.’
Wanneer Brouwers moeder probeert te troosten met het idee dat de dood nog heel ver weg is, werkt dat niet. Dat je eerst misschien nog kinderen krijgt, dan nog kleinkinderen, en dat pas daarna ergens de dood wacht, het helpt niets. ‘Ik dacht: die tachtig jaar die een mens leeft, wat stelt dat nou helemaal voor in vergelijking met de eeuwigheid?’
Brouwer (35) groeide op als kind van christelijke ouders, maar trok daarna naar de universiteit voor een studie sterrenkunde.Daar ontmoette die juist mensen die atheïstisch waren. In diens zoektocht naar zingeving kon Brouwer bij beide groepen nauwelijks terecht.
Had u het gevoel dat u iedereen – uw christelijke familie en uw nieuwe, atheïstische omgeving – steeds teleurstelde?
‘Het geloof is voor mijn ouders heel waardevol en dat probeerden ze met veel liefde en aandacht door te geven. Ik was aan de ene kant een beetje teleurgesteld in mijn ouders, dat ze me een soort valse hoop hadden gegeven over het hiernamaals, maar aan de andere kant was ik ook bang dat zij teleurgesteld waren in mij.
‘En ik was bang om er met mijn gelovige vrienden over te praten, omdat ik dacht: ja, de God zoals die omschreven wordt in het christendom, die bestaat misschien niet. Misschien is er niets na de dood. Ik wilde mijn angst en onzekerheid niet aan hen overdragen, wilde ze niet in dezelfde soort twijfels storten als ik had.
‘Toen ik 17 was, kreeg ik mijn eerste vriendje. Dat was een schat van een jongen, maar heel orthodox atheïstisch opgevoed. Als iemand het over het geloof had, dacht hij meteen aan heksenverbrandingen en aflaten, dat soort dingen.
‘Hij was slim, had allemaal best wel steekhoudende argumenten wanneer we over het geloof spraken, en dat eindigde er altijd mee dat ik moest huilen. Voor mensen zoals hij was het helemaal geen issue dat er geen God bestaat, geen hiernamaals. Hij was niet bang om dood te gaan. Onze relatie hield uiteindelijk geen stand, maar hij zette me wel aan het denken.’
Hoe zocht u een weg uit uw vragen en twijfels?
‘In de laatste eeuw ging de natuurkundige kennis met sprongen vooruit. Als je existentiële vragen probeert te beantwoorden vanuit de moderne natuurkunde, de sterrenkunde, de biologie, de neurowetenschap, dan kom je op heel andere antwoorden dan de oude Grieken met hun filosofie, of de christenen in de middeleeuwen, of de denkers uit de verlichting. De antwoorden die wij nu kunnen vinden op deze vragen, zijn volgens mij wezenlijk nieuw en uniek en de moeite waard om over na te denken. Dat probeer ik in mijn boek te doen.’
Brouwer vermengt daarvoor de inzichten van de moderne wetenschap met de ideeën van de Nederlandse filosoof Spinoza (1632-1677). Die gooide het traditionele christelijke godsbeeld overboord en verving dat door alles – letterlijk. Spinoza’s God is heel het heelal: van de samenballing van de grootschalige structuur die de kosmos opspant tot de kleinste korrel stof die danst door de ruimte, en van alle mensen die ooit leefden tot de meest anonieme eencellige die dobbert door de aardse oceanen.
Dat is wel iets anders dan de God uit de Bijbel…
‘Ja. Spinoza’s God heeft niks menselijks meer. Ik sprak Heino Falcke, een bekende sterrenkundige van de Radboud Universiteit, die christelijk is. Hij zei: ‘Ik kan een heel eind met Spinoza meegaan, maar voor mij is het belangrijk dat God niet alleen iets is, maar ook iemand, met een persoonlijkheid, die om mensen geeft.’ Dat idee liet Spinoza achter zich.
‘Maar zoals ik het ervaar kun je via Spinoza alsnog een heel persoonlijke relatie met het goddelijke hebben. Als mens ben je nu eenmaal onderdeel van het heelal, deel van dat veel grotere geheel.
‘Wat christenen lastig vinden, is dat Spinoza’s God niet meer puur goed is. Het heelal is onverschillig voor het lot van de mens. Tegelijk is dat ook een kwestie van perspectief. Als er vandaag een dakpan op mijn hoofd valt en ik ben op slag dood, dan is dat een tragedie voor mijn familie. Mensen kunnen zich dan afvragen: jeetje, waarom zou God zoiets doen? Maar voor de wormen die mijn lichaam opeten, is het misschien wel het grootste feest dat ze ooit hebben meegemaakt.’
Waarom zou je Spinoza’s God überhaupt nog God noemen?
‘Het is grappig: vooral atheïsten stellen die vraag. Een goede vriendin die mijn boek las voordat het verscheen, zei bijvoorbeeld: ‘Ik ben het eigenlijk eens met zo’n beetje alles dat je opschrijft, maar ik heb niets met dat woord ‘God’, dat hoeft voor mij niet zo nodig.’ Ik vind dat woord juist heel belangrijk. Omdat het past in een traditie die ik heel waardevol vind en waarmee veel mensen zich verbonden voelen, ook via andere levensbeschouwelijke visies dan het christendom.
‘Bovendien zijn er ook echt wel verschillen tussen het atheïsme en deze God. Zo zegt Spinoza: materie en bewustzijn zijn twee kanten van dezelfde medaille. De informatieverwerking in ons brein verschilt niet fundamenteel van hoe een mierenkolonie informatie verwerkt, of een computer. Dus die mierenkolonie en die computer hebben ook een rudimentaire vorm van bewustzijn.
‘Dat geldt ook op grotere schalen. Hoe voelt het internet zich? Hoe voelt het ecosysteem aarde zich? En, tot slot: hoe voelt het heelal als geheel zich? En dan kom je aan bij een soort goddelijk, of universeel, bewustzijn.’
Hoe overwon u uw angst voor de dood?
‘De moderne natuurkunde hielp daarbij. Isaac Newton dacht in de 17de eeuw nog dat er een soort universele klok tikt die sinds de oerknal de seconden telt: tik, tik, tik, 13,8 miljard jaar later ontstaat de mens, tik, tik, tik, jij wordt geboren en leeft, tik, tik, tik, tachtig jaar later slaat het uur van je dood en dan ben je er niet meer. En dan gaat de universe klok gewoon verder zonder jou.
‘Einstein heeft dat idee op zijn kop gezet. Nu weten we: die universele klok bestaat niet. Tijd is bijvoorbeeld anders voor mensen die sneller bewegen, of aan wie de zwaartekracht harder trekt. Het is dan logischer om de tijd te zien als een dimensie, vergelijkbaar met de drie dimensies van de ruimte. Dat gaf mij een totaal andere kijk op onze levens en op de dood.
‘Ineens dacht ik: er is een tijd waarin ik leef, net zoals er een ruimte is waarin ik leef. Ik ben nu hier, in mijn huis, met jou aan het praten. Ik ben nu niet in Amerika. En dat maakt me niet zoveel uit, dat er plekken bestaan waar ik nu niet ben. Net zo is er een tijd waar ik niet ben: na mijn dood, maar bijvoorbeeld ook voor mijn geboorte. En er is een tijd waar ik wél ben: in het hier en nu.
‘En omdat het hier en nu niet iets universeels is, maar een persoonlijke klok die alleen voor mij zo tikt, bestaat er in zekere zin ook geen tijd waarin ik er niet meer ben. Ik zal nooit een hier en nu ervaren waarin ik niet besta, dus zal er voor mij ook nooit een tijd zijn waarin ik dood ben.
‘Mijn brein bevat herinneringen uit het verleden en voorspellingen over de toekomst. Maar dat idee van de tijd die stroomt van mijn geboorte tot aan mijn dood, is iets dat mijn brein creëert.
‘Stel: ik word morgen wakker en het is gisteren. Dan heb ik dat helemaal niet door, omdat ik mijn ervaringen ijk aan de herinneringen van alles dat voor gisteren is gebeurd, en niet aan de herinnering van wat volgt. Misschien leef je wel helemaal niet in de volgorde van geboorte tot dood. Misschien gebeurt het wel in omgekeerde volgorde, of in willekeurige volgorde. Je zult het nooit weten, omdat je brein op elke plek in de tijd jouw herinneringen keurig ordent in een lijn.
‘Voor mij is die gedachte heel geruststellend. Dat kleine plekje van tachtig jaar in die eeuwigheid dat mij bevat, is deel van een oneindige tijd die zich om mij heen uitstrekt. En net zoals ik het niet beangstigend vind dat er een oneindige ruimte om mij heen is, vind ik die oneindige tijd ook niet langer eng.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant