William H. Webster diende onder acht Amerikaanse presidenten, als aanklager, rechter en veiligheidsadviseur maar zal vooral worden herinnerd als man die zowel de FBI als de CIA leidde in woelige tijden. Webster overleed vrijdag op 101-jarige leeftijd.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant.
Twee keer werd zijn hulp ingeroepen bij het herstel van de geloofwaardigheid van twee van Amerika’s meest gezichtsbepalende overheidsdiensten. Dat maakt van William H. Webster de enige Amerikaan die ooit én aan het hoofd stond van de federale recherche (FBI) én leiding gaf aan de bekendste geheime dienst van de VS, de CIA.
Webster, die vrijdag overleed op 101-jarige leeftijd, zat zo dertien jaar in het centrum van de macht, en speelde daarna van 2005 tot 2020 als adviseur ook nog een grote rol in de binnenlandse veiligheid van de VS.
De topambtenaar was de zoon van een boer in Webster Groves, een buitenwijk van St. Louis (Missouri). Hij begon zijn carrière als advocaat, maar verruilde die functie al snel voor een rol als openbare aanklager en later rechter.
De eerste keer dat Washington een beroep op Webster deed, was in februari 1978. De toenmalige president Jimmy Carter benoemde hem tot de derde directeur van het Federal Bureau of Investigation (FBI). De Democraat koos voor Webster ondanks diens andere politieke voorkeur. De oud-rechter was in het kiesregister ingeschreven als ‘Republikein’.
De keuze was op Webster gevallen omdat hij te boek stond als onkreukbaar en de eerlijkheid zelve. Aan zo’n figuur was grote behoefte in de top van de FBI, omdat het imago van Amerika’s belangrijkste wetshandhaver grote deuken had opgelopen. De FBI werd wetteloosheid en kwaadaardige opzet verweten tegen politieke tegenstanders van voorgaande regeringen.
Zes weken nadat Webster was aangetreden werden drie hoge FBI-functionarissen aangeklaagd vanwege ‘een samenzwering om burgers te schaden en te onderdrukken’. De FBI bleek illegaal te hebben ingebroken bij families en vrienden van radicaal linkse activisten die op de vlucht waren voor de lange arm van de wet. Onder de aangeklaagden bevond zich Patrick Gray III, Websters voorganger bij de federale recherchedienst.
Toen hij werd ingezworen beloofde Webster dat de FBI weer ‘het werk gaat verrichten zoals het Amerikaanse volk van ons verwacht op de manier zoals de Grondwet dat van ons vereist’.
Webster zou later vertellen dat het hem jaren kostte om de recherchedienst – 37 duizend man en vrouw sterk – te bevrijden van de erfenis van zijn eerste directeur, Edgar Hoover. Die zag er geen been in om zijn agenten aan te zetten tot clandestiene acties tegen politiek anders-denkenden, onder wie de vermoorde president John F. Kennedy en de leider van de zwarte emancipatiebeweging, de eveneens vermoorde Martin Luther King.
In de negen jaar dat hij aan het hoofd stond van de FBI, werkte Webster er hard aan om te voorkomen dat de FBI de wet overtrad om die te handhaven. Hij had grote moeite met undercoveroperaties.
Zo deden agenten zich eind jaren zeventig voor als vertegenwoordigers van Arabische bedrijven die politici met steekpenningen probeerden te verleiden tot politieke gunsten. In het Abscam-schandaal liepen zes leden van het Congres tegen de lamp.
Zijn weerzin tegen ‘spionnengedrag’ bij de federale recherche weerhield Webster er niet van om in 1987 de benoeming te aanvaarden tot directeur van de Central Intelligence Agency (CIA).
Dit keer was het president Ronald Reagan, bezig aan een tweede ambtstermijn, die hem omwille van het landsbelang vroeg om in Langley (Virginia) orde op zaken te stellen. De CIA had ernstige steken laten vallen in de strijd tegen de infiltratie door Russische spionnen. De FBI had onder Websters leiding zeker 68 Amerikanen ontmaskerd als handlangers van Moskou.
Toen Reagan in 1989 werd opgevolgd door president George H.W. Bush, werd Websters macht geleidelijk aan steeds meer ingeperkt. Bush had in 1967 zelf leiding gegeven aan de CIA. Hij liet zich liever rechtstreeks bijpraten door de leiding van lokale CIA-kantoren verspreid over de wereld, in plaats van Websters briefings af te wachten.
Tot een breuk kwam het pas toen Webster weigerde om een handje te helpen bij de val van de Panamese dictator Manuel Noriega. Die kon aanvankelijk als ‘communistenvreter’ geen kwaad doen bij de VS, maar toen Noriega zich inliet met de smokkel van drugs, vond Bush het welletjes. Omdat de CIA onder Websters leiding Noriega niet wist weg te krijgen, gaf de president eind december 1989 het bevel tot de Amerikaanse invasie van Panama.
Uiteindelijk kwam nieuwszender CNN nog eerder dan de CIA zelf met het nieuws dat Websters lot was bezegeld. Hij zou in november 1991 onder druk van het Witte Huis het veld ruimen. Na zijn jaren in Washington en Langley bleef hij tot op hoge leeftijd actief als advocaat.
Politieke uitlatingen deed hij zelden, en over het belang van zijn unieke status als man die én de FBI leidde en de CIA was Webster kort: ‘Het zal nog moeten blijken of er ooit nog een ander komt of niet’.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant