Soldaat, schrijver en keververzamelaar Ernst Jünger belichaamde de Duitse 20ste eeuw. Vier essays zijn nu vertaald onder de titel Totale mobilisatie. Maar waarom deze?
Wie met het oog op de eeuwige slaap de kortstondige slaap niet kan vatten, weet wat hem te doen staat: naar de boekenkast, terug naar de klassieken. Michaël Zeeman indachtig las ik Totale mobilisatie, een opnieuw uitgebrachte verzameling essays van Ernst Jünger (1895-1998).
Jünger was de belichaming van de Duitse 20ste eeuw. Soldaat, schrijver en volgeling van Friedrich Nietzsche. Hij sloot zich in 1912 al aan bij het vreemdelingenlegioen in Algerije, maar werd door zijn vader teruggeroepen naar Duitsland. Gelukkig voor hem brak de Eerste Wereldoorlog uit en meldde Jünger zich in augustus 1914 aan voor de mobilisatie.
19 jaar oud was hij, toen hij afdaalde in de loopgraven. Hij raakte meermaals gewond; een kogel doorboorde zijn helm, maar hij overleefde. Voor heldhaftig gedrag werd hij beloond met de hoogste Duitse onderscheiding van het keizerrijk: Pour le Mérite.
Over zijn tijd aan het front schreef hij een oorlogsdagboek, dat hij in 1920 publiceerde als In Stahlgewittern. Omdat Jünger in Nederland omstreden was, werd het pas tachtig jaar na verschijning vertaald als Oorlogsroes (bij De Arbeiderspers). In de jaren twintig en dertig verwierf hij naam als schrijver, zoals met de roman Op de marmerklippen, een allegorische kritiek op het nazisme.
In de Tweede Wereldoorlog meldde Jünger zich opnieuw bij de Wehrmacht. Ditmaal vocht hij niet in de loopgraven, maar was hij hoofdzakelijk gestationeerd in Parijs, waar hij aan het hoofd van de censuur stond. In zijn vrije tijd slenterde hij door de Franse hoofdstad, op zoek naar rariteiten en interessante gesprekspartners, zoals Pablo Picasso en Jean Cocteau.
Ook over de Tweede Wereldoorlog schreef Jünger een dagboek, uitgegeven in de chique Privé-domeinreeks. Hierin ligt niet de nadruk op het front, maar op zijn ontspannen tijd in Parijs. Zo beschreef hij hoe hij de bibliotheken en de wijnkelders van de Parijzenaars berooft van bibliofiele edities en grand cru’s.
Na de oorlog werd Jünger korte tijd een publicatieverbod opgelegd. Vanaf de jaren vijftig schreef hij verder. Nooit werd Jünger een overtuigd democraat en hij bleef positief over Hitlers Anschluss van Oostenrijk en Sudetenland. Tegelijkertijd werd hij nooit lid van de NSDAP en was hij tegen het virulente antisemitisme van de nazi’s.
Jünger was naast schrijver en soldaat ook entomoloog en bezat een vermaarde collectie kevers, meer dan veertigduizend. Ook experimenteerde hij met lsd en publiceerde hij een essay over drugs en de roes.
In de jaren tachtig werd Jünger gerehabiliteerd, mede dankzij de bewondering van president François Mitterrand en bondskanselier Helmut Kohl. Weliswaar barstte er een storm van kritiek los, toch ontving Jünger in 1982 de Goetheprijs. Ook sprak hij op de iconische Frans-Duitse herdenking van Verdun in 1984, waar Kohl en Mitterrand hand in hand naar het Franse en Duitse volkslied luisterden.
Jünger overleed in 1998, 102 jaar oud.
Terug naar Totale mobilisatie. De bundel is fraai ingeleid door Arnold Heumakers, die zijn kennis van Jüngers oeuvre met aanstekelijk plezier deelt met de lezer. Ik had er zin in.
Waar Jünger in zijn oorlogsdagboeken vooral observaties deelt, zet hij hier een stap terug. De vier essays, die hij in de loop van zijn leven schrijft, zijn stuk voor stuk beschouwingen op de moderniteit. Het eerste over de totale mobilisatie uit de titel van de bundel, het tweede over de ontwikkeling van pijn, daarop volgt een essay over de ontwikkeling van het nihilisme en tot slot schrijft Jünger over de magie van getallen.
In ‘Totale mobilisatie’ (1930) laat hij zien dat door technologische innovaties de soldaten steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Door de modernere vorm van oorlogvoeren staat de mens meer en meer in dienst van de oorlogsmachinerie. Naast het leger geldt dit voor de hele maatschappij, die zich onderwerpt aan de oorlog, en dus aan de techniek.
Het idee is aantrekkelijk, maar de uitwerking gortdroog. Een voorbeeld: ‘De totale mobilisatie als maatregel van het organisatorische denken is slechts een aanduiding van die verdergaande mobilisatie die de tijd aan ons voltrekt. Deze mobilisatie kent een eigen wetmatigheid, waarmee de menselijke wet, wil ze werkzaam zijn, parallel moet lopen.’
In het essay ‘Over pijn’ (1934) reflecteert Jünger verder op de gevolgen van de mechanisering van de maatschappij voor de mens. Het uitgangspunt is dat de mens steeds georganiseerder wordt. Jünger trekt de vergelijking tussen mens en mier, en concludeert dat ook de ervaring van pijn zal meeveranderen met de technologisering van de samenleving.
Pijn is, volgens Jünger, de enige maatstaf die betrouwbare inzichten belooft. ‘Waar geen waarde meer standhoudt, blijft de op pijn gerichte beweging bestaan als een verbazingwekkend teken; daarin verraadt zich de negatieve afdruk van een metafysische structuur.’
Pijn lijkt me nu juist iets subjectiefs en onbetrouwbaars. Waarschijnlijk moet je in de loopgraven hebben gevochten om dit te begrijpen.
Ook het derde essay, over het post-nihilisme, en het vierde over het belang van het cijfer nul in de getallenwereld en de invloed van de abacus op ons begrip van de nul, hebben me doen duizelen. Weliswaar zitten er ook scherpe observaties tussen, maar doordat Jünger zelden concreet wordt, is lezen zwoegen. Waar Nietzsches werk – toch Jüngers voorbeeld – nog altijd uitblinkt in helderheid, zijn Jüngers essays doordesemd van vaagheid en distantie. Het is alsof hij tegen je praat vanachter een douchegordijn.
Waarom zijn juist deze essays op dit moment de moeite van het lezen waard? Schoorvoetend moet ik bekennen dat ik het niet begrijp. Mijn oordeel: soms is het beter om in de fenomenale wereld te blijven, en de metafysische over te laten aan Nietzsche.
Ernst Jünger: Totale mobilisatie en andere essays. Uit het Duits vertaald door Mark Wildschut en Piet Meeuse. Ten Have/De Nieuwe Wereld; 216 pagina’s; € 20,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant