Nog altijd staat Lou Bega’s Mambo No. 5 overal op repeat, ook bij nieuwe generaties. Wat is het verhaal achter zijn miljoenenhit? Wie is verantwoordelijk voor het succes? En wat heeft het lied voor de zanger betekend? ‘Het nummer heeft deuren geopend, maar ook gesloten.’
is verslaggever van Volkskrant Magazine.
En zo kon het gebeuren dat Dr. Salsa en Mrs. Salsa, niet gehinderd door hun hoge leeftijd, op een zomerse dag in een Amsterdamse huiskamer met korte en kleine bewegingen de mambo dansten op muziek van Tito Puente.
Yeah! Mambo baby!
Even daarvoor had Ira Goldwasser (86) de houten vloer met talkpoeder bestrooid, zodat zijn leren laarzen en de makkelijke schoenen van zijn vrouw Harriett Broekman (89) met Cubaanse zwier het oppervlak konden bestrijken. Net als de vloer lijkt het echtpaar, dat ook samen voor de Concertzender het programma Mambo! presenteert, onverwoestbaar.
Dr. Salsa en Mrs. Salsa blijven dansen, totdat de naald in het etiket van de langspeelplaat strandt.
Natuurlijk, Tito Puente is andere koek, de New Yorkse bandleider mocht zich samen met Frank ‘Machito’ Grillo en Tito Rodríguez de ware koning van de mambo noemen. Maar als het moet kunnen Goldwasser en Broekman echt wel dansen op ‘dat commerciële dingetje’, Lou Bega’s Mambo No. 5, de zomerhit van 1999.
‘Het is natuurlijk niet the real thing, geen mambo’, zegt Goldwasser. ‘Als ik hierop dans, neemt het me niet over. Gewoon nice entertainment. Muziek moet via je oren naar je voeten gaan. Je moet het voelen, niet meer nadenken, en als vanzelf gaan dansen. Bij een echte mambo maak je contact met de goden.’
Ladies and gentlemen,
this is Mambo Number Five
Op het weinig sfeervolle parkeerterrein van NS-station Kerkrade hangt een kleurrijke verschijning zwaaiend uit de auto. Het is ’m echt, Lou Bega (50), gehuld in een blauw hawaïhemd en een bont uitgevoerd petje. Onder zijn neus heerst als vanouds het Clark Gable-achtige snorretje, een perfect uitgevoerd dun streepje dat de Duitse zanger zich liet aanmeten net voordat hij de wereld veroverde met Mambo No. 5 , soms in de titel aangevuld met A Little Bit of...
Het was een klapper van mondiaal formaat, genomineerd voor een Grammy Award voor song van het jaar. In twintig landen, waaronder in Nederland, Engeland en Duitsland, stond het wekenlang op nummer 1. In Amerika stopte de opmars bij nummer 3. In totaal werden er veertien miljoen exemplaren verkocht.
Breeduit lachend zet hij in zijn BMW-SUV koers naar Aziatisch restaurant Dadawan in de schaduw van het voetbalstadion van Roda JC. Het was dankzij André Rieu dat Lou Bega de weelderige reikwijdte van Zuid-Limburg ontdekte. In 2016 bracht hij, begeleid door het orkest van De Walskoning zelf, zeven avonden achter elkaar het Vrijthof in Maastricht in beweging, en sliep hij rond die optredens in Heerlen.
Nu heeft hij net over de Limburgse grens in Duitsland een huis met paarden, vooral ten faveure van zijn vrouw en dochter, naast zijn appartement in München en de winterse behuizing van de familie op de Filipijnen. Toevallig ook het land waar zijn iconische verschijning in ruimzittend wit pak met hoed veelvuldig wordt gekopieerd op cruiseschepen en in karaokebars.
In het restaurant wenst David Lubega Balemezi (zijn echte naam, zoon van een Siciliaanse moeder en een Oegandese vader) eerst op uitbundige wijze stil te staan bij de hoofdattractie van deze uitspanning. We worden bediend door een robot met hoekige, weinig mambo-achtige bewegingen.
Hij heeft het druk, zegt Lou Bega, inmiddels uitgelachen, vooral als gevolg van wijdverspreide nostalgisch angehauchte ninetiesfeesten, waar hij optreedt met acts als Snap! en Two Unlimited. Bovendien merkt hij dat een nieuwe generatie hem heeft ontdekt door sociale media en streamingsdiensten.
‘Dat zijn mensen die nog niet waren geboren toen Mambo No. 5 uitkwam’, zegt hij. ‘Die komen naar mijn concerten en kijken me aan alsof ik een Disney-personage ben, een soort Mickey Mouse-figuur. Hé, zie je ze denken, die man bestaat echt, hoe kan het! Ze zien me als een legende, afkomstig uit een andere dimensie.’
Lou Bega kan wel denken dat hij zoiets heeft als een uitdijend oeuvre, een discografie van zo’n zes albums en zeventien singles, met een zojuist verschenen remix van Sweet Like Cola – naar eigen zeggen uitermate populair op de Filipijnen. Maar elk optreden waar dan ook ter wereld draait altijd om dat ene nummer, de miljoenenhit. Het is zelfs niet genoeg als hij het maar één keer zingt. In een set van acht nummers is Mambo No. 5 als vijfde aan de beurt, en dan op het eind een reprise, een lange uitvoering met een uitgebreide intro, nog even de hele duvelse Lou Bega goes Mambo No. 5-ervaring eruit mieteren.
‘Dat moet nou eenmaal’, zegt hij, bijtend in een gefrituurde garnaal. ‘Het is onontkoombaar. De mensen moeten het horen, en altijd twee keer.’
Dat heeft ook zo zijn redenen, vermoedt Lou Bega. Het kan niet anders dan samenhangen met een sterk verlangen naar een zorgeloze tijd, de jaren negentig. ‘Een kleurrijk, blij decennium, muzikaal gezien. Financieel en sociaal ging het de goeie kant op. De Koude Oorlog was voorbij. Er hing veel positiviteit in de lucht. De Duitslanden waren weer bij elkaar, al ging niet alles voorspoedig. Maar Oost en West waren wel herenigd, ook in de liefde voor Mambo No. 5. Dat zit er allemaal in, in dat ene liedje.’
‘Voor mij persoonlijk: ik kom nooit meer van dat nummer af. Als ik mijn hoed opdoe, het witte pak aantrek, transformeert deze David naar Lou. Naar iemand die moet entertainen, vol van muziek. Zo gaat dat sinds 1999. Het is het begin geweest van alles, het heeft deuren geopend in mijn leven, maar ook deuren gesloten. Een vloek en een zegen. Ik weet dat de titel op mijn grafsteen zal staan. Ik ben voor eeuwig verbonden met Mambo No. 5.’
Take one step left and one step right
One to the front and one to the side
Laten we Lou Bega’s zomerhit eens voorstellen als een fantastisch gelegen vakantievilla, gebouwd op een klif, uitkijkend over de oceaan. De zon lijkt er eeuwig te schijnen en de bewoners dansen in de tuin. Maar dan komen er scheuren in de klif, en blijkt de bouw van het huis ook niet al te best. Alles wat mooi lijkt, wordt bezoedeld, besmeurd met zwarte vegen. Ternauwernood glijdt de villa niet van de klif, maar de schade is onherstelbaar.
De belangrijkste bewoners van villa Mambo No. 5 waren vijf mannen, waarvan je kunt zeggen dat ze deze zomerhit hebben gebouwd. Dat zijn de componisten en tekstschrijvers Lou Bega en Christian ‘Zippy’ Königseder, naast de producers Frank Lio (Achim Kleist) en D. Fact (Wolfgang von Webenau). Die kunnen nog prima met elkaar door één deur, in de villa.
Anders gesteld is het met de nummer vijf van Mambo No. 5: Goar Biesenkamp, artiestennaam Goar B., een 68-jarige Duitse muziekproducent, manager en componist die hardvochtig aan de deuren rammelt. Hij noemt zich op zijn website ‘de mastermind’ van ‘het Lou Bega-project’ – maar hij is de enige die dat vindt.
Lou Bega spreekt in het restaurant in Kerkrade zijn naam liever niet uit. ‘Hij bazuint steeds maar rond dat hij de man was achter Mambo No. 5. Het verhaal dat hij vertelt is tachtig procent onzin, en iedereen weet dat.’
Biesenkamp zegt aan de telefoon ‘zeer verdrietig’ te zijn dat hij en ‘David’ zo uit elkaar zijn gegroeid. ‘Hij was een zeer sympathiek persoon’, aldus Biesenkamp. ‘Hij zei tegen anderen dat ik als een vriend en vader voor hem was. Door het succes en de drugs veranderde hij in een egoïstisch iemand. Ik heb alles voor hem gedaan, en voor die hit. We waren een dreamteam.’
Lou Bega: ‘Hij deed helemaal niks, zeker niet muzikaal. Hij gaf ons een beetje geld, en dat was het. Hij zag het talent en hoopte dat er wat uit ging komen. Als je hem ooit ontmoet, zul je merken dat hij een erg instabiel persoon is. In het begin was het leuk, maar op een gegeven moment was hij een probleem voor iedereen.’
De naam Lou Bega? Door Biesenkamp bedacht – zegt Biesenkamp. In 1997 was David Lubega rapper in het muziekproject Balibu. Maar hiphop deed het slecht op de Duitse radio. Biesenkamp stelde hem daarom voor ‘zangerig, melodieuzer te gaan rappen in een latinproject’, en koos Christian ‘Zippy’ Königseder, een muzikant, handig met computers, om dat samen te creëren.
De naam Lou Bega? Die had Lou Bega allang – zegt Lou Bega. Samen met zijn vriend Zippy werkte hij in een kelder van zijn ouders in München aan zijn muziek. ‘Ik deed de freestyling, de tekst. Ik was die gast die zorgde voor de goeie sfeer en de spirit. Zippy deed de muziek, zat achter de computer en bracht er structuur in. One, two, three, four, five... We hadden elkaar nodig, en vulden elkaar precies aan.’
Toen Mambo No. 5 al een grote hit was, vertelde Lou Bega de vertegenwoordigers van de internationale wereldpers dat hij het latin-achtige motief op de trompet had opgepikt in Miami, waar hij een tijdje had gewoond. Daar zou hij Mambo No. 5 hebben gehoord, een nummer voor het eerst opgenomen in 1949, door Pérez Prado, een Cubaanse muzikant die populair was in Florida bij de grote Cubaanse gemeenschap aldaar. Biesenkamp zegt hem te hebben geïnstrueerd dat verhaal rond te bazuinen, want dat deed het goed in de media.
Ook over hoe de mambo werkelijk het leven van Lou Bega binnen kwam wiegen, zijn de kampen verdeeld. Goar Biesenkamp zegt dat hij om te beginnen nogal fan is van de Mexicaans-Amerikaanse gitarist Carlos Santana, en graag iets latin-achtigs wilde doen in zijn producties. Bij een collega uit de muziekbusiness, die werkte aan de soundtrack van de film Das Merkwürdige Verhalten geschlechtsreifer Großstädter zur Paarungszeit (1998), vond hij een cd van Pérez Prado, en bracht die bij Lou Bega en Zippy onder de aandacht.
Pfff, zucht Lou Bega. ‘Het liep heel anders! Zippy en ik vonden dat er nog wat ontbrak aan een nummer waar we mee bezig waren in de kelder. We zochten iets ouds, die fifties vibe, iets heel positiefs waarin je wordt meegenomen naar een andere tijd. We zochten en zochten, en liepen platenzaken in München af. Stapels vinyl namen we mee uit de bakken met goedkope platen. Toen draaide Zippy een oude Greatest Hits-plaat van Pérez Prado. Klik! Dat was ’m, en ik leek nog op die man ook. Niemand kende meer mambo-muziek. Ideaal. Ook al voel je je slecht, van mambo knap je op.’
Een hele reeks vrouwennamen liet hij in het nummer opdraven, vrouwen van wie hij wel ‘een beetje’ zou willen: Angela, Pamela, Monica, Erica, Rita, Tina, Sandra, Mary en Jessica. Lou Bega zegt tot ‘deze vondst’ te zijn gekomen in het Bayern München-stadion, kijkend naar een Champions League-wedstrijd tegen het Deense Brøndby IF.
‘Het sneeuwde, en met mijn hoofd was ik niet bij de wedstrijd. Toen kreeg ik het idee van A little bit... Ik kende een Monica, en een andere vriendin heette Sandra. Zo kwam ik op dat rijtje namen, negen dus. Niet allemaal exen hoor! Allemaal expres veelvoorkomende namen. Ik had ooit verkering met Edeltraud. Die naam kon echt niet, internationaal gezien. Dat zou niemand begrijpen.’
Nadat de demo van het nummer ‘in de jarennegentigsaus was gedipt’ door het producersduo Frank Lio en D. Fact, werd er na lang leuren een platendeal met de grote platenmaatschappij BMG gesloten. Vooral de videoclip waarin zwart-witbeelden een soort retro-authenticiteit opriepen, gaf het nummer een zet de hitparade in. De radio pikte het groots op, en het eerste televisieoptreden in de show van tv-presentator Kai Pflaume was een feit.
En toen kwam dat ene telefoontje dat alles tot ongekende proporties liet uitgroeien. Of Lou Bega in de speciale zomerspecial van het televisieprogramma Wetten, dass? wilde optreden, een door twintig miljoen Duitsers bekeken showprogramma op zaterdagavond.
Lou Bega laat zijn handen dansen in het restaurant om die speciale avond in een stierenvechtersarena op Mallorca te schetsen, in de zomer van 1999. De zon zakte, er was ‘magic in the air’. Zijn hart ging tekeer, het was nu of nooit. Backstage had hij rondgehangen met Ricky Martin en Sophia Loren.
En toen was het zover. Presentator Thomas Gottschalk noemde zijn naam: Lou Bega... Mambo No. 5...
‘Ik dacht: oké, ik heb drie minuten. Ik moet alles geven. Ik transpireerde al voordat ik wat had gedaan. Here we go! De mensen gingen vanaf het begin staan, dansen en schreeuwen. Het gaf me vertrouwen, ik gaf me helemaal. Toen: klaar. Een waanzinnig applaus, het stopte niet. Er gebeurde iets wat nog nooit in de geschiedenis van Wetten, dass? was voorgekomen: ik moest het nummer nog een keer doen. Zelfs bij Michael Jackson was dat niet gebeurd. Waanzinnig!’
Terug in Duitsland werd alles anders. Het nummer schoot omhoog in de hitparade, en vervolgens niet alleen in Duitsland, maar in heel Europa. David Lubega werd weggevaagd, hij werd voor altijd Lou Bega. Zijn moeder was in shock, nadat ze haar zoon op de televisie had gezien. Hoe was het mogelijk? Nog maar even geleden zat de kleine David, dat verlegen ventje, naast haar op de bank op zaterdagavond Wetten, dass? te kijken, en nu stal hij de show.
Na Europa volgde de verovering van de Verenigde Staten, en trad Bega op in grote televisieshows als The Tonight Show van Jay Leno. ‘Mambo No. 5 ging als een meteoriet’, vertelt Goar Biesenkamp. ‘Ik was overal bij: alle shows, optredens, interviews en award-uitreikingen. Achter de schermen deed ik alles en was ik het aanspreekpunt voor iedereen. David kon zich volledig op de optredens concentreren.’
Lou Bega: ‘Weet je wat het met Goar was – oh, nu heb ik toch zijn naam genoemd! Hij is echt gaan geloven dat hij de grote man was achter het succes. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik het moeilijk vond om in die tijd werkelijk van het succes te genieten. Hij gedroeg zich als de koning.’
A little bit of Jessica, here I am
A little bit of you makes me your man
In het huis van Ira Goldwasser en Harriett Broekman doet de geschiedenis van de mambo meteen zijn intrede. In het voorportaal hangt een ingelijste 78-toeren-mamboplaat, de eerste die Goldwasser in zijn leven hoorde, en het donderde daarna voor eeuwig in zijn heupen.
Het gebeurde in 1948, in zijn ouderlijk huis in New Jersey. Hij was nog maar 9 jaar oud. Een vriend van zijn zus kwam met Abaniquito van Tito Puente aanzetten, en ‘het was alsof ik werd geraakt door een komeet’. ‘Dat moment veranderde mijn leven voor altijd’, zegt Goldwasser, terwijl we verder zijn huis in lopen. ‘Sindsdien ben ik in de ban van de mambo, eerst alleen en nu al 64 jaar samen met mijn vrouw Harriett.’
Nadat Goldwasser uitgelaten mojito’s heeft gepresenteerd, en deze ter plekke met een paar druppels bitter verrijkt, ontvouwt de hij zijn persoonlijke geschiedenis, en die van de mambo. Daarbij trekt hij het ene standaardwerk na het andere uit de boekenkast, met het accent op het werk van Robert Farris Thompson (1932-2021), ‘the professor of mambo’, gespecialiseerd in Cubaans-Afrikaanse dans en muziek.
Thompson publiceerde veelvuldig over het ontstaan van de mambo; over hoe ritmes uit Congo in Cuba terechtkwamen, en zich vermengde met de danzon, een Cubaanse dans. In 1938 was het Orestes ‘Macho’ López die het nummer Mambo componeerde, een term die in Haïti ook verwijst naar een voodoo-priesteres. De muziek was te herkennen aan veel wisselende ritmes en improvisaties.
Pérez Prado – de componist van Mambo No. 5, Mambo No. 8 en Mambo Jambo – populariseerde de klassieke mambo door hem te vermengen met bigbandjazz, en richtte zich op het grote publiek in de Verenigde Staten. Hij zorgde ervoor dat de mambo een alom bekend fenomeen werd, een dansrage, met als epicentrum de Palladium Ballroom in New York. De muziek was zelfs zo populair dat Perry Como, een gewezen kapper en vertolker van een braaf repertoire, zich aan een mambo-nummer waagde: Papa Loves Mambo.
Goldwasser kwam als 10-jarige op de wereldberoemde Katherine Dunham School of Dance terecht, en leerde daar de fijne kneepjes van de Afro-Cubaanse dans – ‘pap-pap-pap, zo uit de pelvis’. Hij trad op onder de naam Jac E. Sawyer en danste in 1951 een Afro-Cubaanse solo in een televisieprogramma van NBC. Daarna werkte hij in Upstate New York in hotels, waar veel Joden uit de stad in de weekenden bivakkeerden, en de grote mambo-orkesten optraden. ‘Mambo was het hipste van het hipste, en verspreidde zich over het hele land. Totdat de rock-’n-roll het overnam.’
De liefde liet Goldwasser begin jaren zestig landen in Nederland en hier studeerde hij medicijnen. In 1968 ging hij samen met Harriett Broekman terug naar New York om in achterstandwijken de geestelijke gezondheidszorg op poten te zetten. Zeven jaar later kreeg hij in Nederland een baan aangeboden om zich als districtspsychiater te ontfermen over gevangenen en drugsverslaafden – maar er was altijd de liefde voor de muziek.
Er gaat een deur open naar de kelder van hun huis, volgehangen met talrijke affiches en foto’s van Broekman en Goldwasser met beroemde Cubaanse muzikanten, als zichtbaar bewijs van hun al decennialang durende missie: Nederland onderdompelen in latinmuziek. Het begon met salsa in de jaren zeventig, zo produceerden ze concerten van zangeres Celia Cruz. Er waren jarenlang liveradioprogramma’s en shows in culturele centra.
Ze werden de alwetende salsa- en mambo-missionarissen van het land, tot op de dag van vandaag.
In de kelder staan conga’s en drums, gereserveerd voor Cubaanse of Puerto Ricaanse muzikanten die Nederland aandeden en om een alcoholische, muzikale nazit verlegen zaten. ‘Voor de grap zetten we dan weleens video’s van Pérez Prado op’, zegt Goldwasser in de kelder. ‘Hé, hoor dat rare ge-oeh of ge-ah bij Prado, zeiden ze. Of dat geklap op de eerste tel. Dat is echt gemaakt voor blanken. De echte mambo zit op de tweede tel, op de backbeat. Die Cubanen lachten zich rot als ze Pérez Prado zagen.’
So what can I do? I really beg you, my Lord
To me is flirting is just like a sport
In een ziekenhuis in München lag Lubega Balemezi senior dood te gaan, en zijn zoon David wilde hem in het voorjaar van 1999 zijn nieuwste muziek laten horen. Hij zette een koptelefoon op het hoofd van zijn vader, en drukte op de aan-knop van de discman. Hij vond het wel wat, die Mambo No. 5, zei zijn vader, altijd vol zorgen over de strapatsen van zijn zoon. ‘Dit gaat deuren voor je openen, jongen.’ Twee weken later overleed hij.
‘Ik heb zijn dood nooit kunnen verwerken’, zegt Bega. ‘Een week na de begrafenis kwam Mambo No. 5 uit, en ik voelde me aangespoord door mijn vader om nu mijn kans te grijpen. Rouwen kon altijd nog. Het was mooi geweest als hij mijn succes had kunnen meemaken. Maar: helaas.’
Toen hij zich jaren later volkomen opgebrand voelde, dacht Bega nog vaak terug aan de dood van zijn vader. ‘Ik probeerde telkens te ontsnappen aan mijn verdriet, ik ging maar door. Ik was de hardst werkende man in de muziekbusiness. Er was geen dag dat ik niet in een vliegtuig zat, of in een hotel. Dat was zelfs voor een twintiger niet te doen. De realitycheck kwam na de aanslagen van 9/11, iedereen was uitgedanst en er was geen behoefte meer aan mijn vrolijkheid.’
Het is de tegenstrijdigheid zelf, een opgewekt ogende Lou Bega die al zijn ellende na het grote succes op tafel deponeert. Hij vertelt hoe hij zichzelf aan ‘having fun’ verloor, aan ‘partying’ – drank, drugs en vrouwen – en ernstige hartproblemen kreeg.
‘Ik hou van de entertain-kant, ik hou van optreden, maar roem is niet iets wat ik graag wil. Roem is dat je permanent onder druk komt te staan. Je moet je altijd als iemand anders voordoen, als het ware buiten je eigen persoon. Het snijdt alle creativiteit uit je. Mensen van platenmaatschappijen willen dat je met nog zoiets komt, met nog zo’n hit, maar in je hart weet je dat dat onmogelijk is.’
Ook was er een juridisch geschil met Peermusic, de firma die de muziekrechten van de erven Pérez Prado beheerde. Deze zaak sleepte zich zeven jaar voort, totdat de zaak in 2008 werd geschikt: ook de erven van de Cubaanse mamboman delen nu in de opbrengst.
‘Je moet weten: toen ik net een hit had met Mambo No. 5, werd ik uitgenodigd in Mexico. Ik ging daar met een camerateam van het grootste nieuwsprogramma naar het graf van Pérez Prado. Ik heb daar gebeden, voor het oog van miljoenen televisiekijkers, als eerbetoon aan Pérez Prado. Pas in Mexico begreep ik de grootheid van die man, ik was zeer geroerd. Daarna kwam het gedonder met de rechten. Ik kon dat niet met elkaar rijmen. Het was geen plagiaat, het was een sample, een riff.’
Bovendien liep de samenwerking met zijn manager Goar Biesenkamp op de klippen, eind jaren negentig. Sinds die tijd gaan er de nodige stekeligheden over en weer, ook op juridisch vlak. Lou Bega zit bij een nieuw management, en alleen al het feit dat voor dit verhaal ook Biesenkamp is geraadpleegd, en dat hij zijn versie van het verhaal heeft verteld, zet kwaad bloed bij het management.
‘Het beste dat Goar heeft gedaan’, zegt Bega, terwijl hij zijn mond met een servet afveegt, ‘is Jenieva in mijn leven te brengen. Hij huurde haar in als achtergrondzangeres voor studio-opnames. Zij heeft me gered, zij is mijn spiegel, mijn partner, voor de goeie momenten en de slechte momenten. Ik ruïneerde mezelf. Nu was dat helemaal over. Dankzij haar. Lou Bega is nu steady.’
Niet alleen Jenieva bracht de rust terug in zijn leven, ze transformeerden samen tot bornagain christenen. ‘Mij werd altijd gevraagd: wat betekent toch, dat nummer vijf in Mambo No. 5? In honderden interviews was dat de belangrijkste vraag. Ik moest iets bedenken, dus zei ik: vijf vingers, vijf continenten, vijf vrouwen. Allemaal onzin. Dat wist ik ook wel. Nu weet ik het, het verwijst naar vijf goddelijke krachten. Ik zing over alcohol, over hangen met vrienden. Maar ik noem ook God, en zing in het nummer: I really beg you, my Lord. Daarom zeg ik nu, Mambo No. 5 is een gave Gods voor de mensen. Ik heb ze ermee geraakt.’
One, two, three, four, five
Everybody in the car, so come on, let’s ride
In de stromende regen stuurt Lou Bega terug naar station Kerkrade. Bij het verlaten van restaurant Dadawan liet de barman nog weten ‘hem nooit meer te vergeten’. Wachtend voor het stoplicht wrijft Lou Bega liefdevol over zijn snor, alsof-ie ’m wil bedanken voor zijn rol in het succes van Mambo No. 5. ‘Nee, die snor gaat er nooit meer af’, zegt hij, hard lachend. ‘Je moet weten, als ik die snor afscheer, vindt mijn vrouw me niet meer leuk, en vind ik mezelf niet meer leuk. Ik lijk wel een heel ander persoon. Dus die snor zal altijd bij me blijven, tot mijn allerlaatste zucht.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant