is correspondent Spanje, Portugal en Marokko van de Volkskrant. Hij woont in Madrid.
Waar lopen de correspondenten van de Volkskrant tegenaan in hun dagelijkse leven? Vandaag: Dion Mebius ontdekt bij het doen van zijn belastingaangifte dat de katholieke kerk nog altijd een dikke vinger in de Spaanse pap heeft.
Er zijn twee dingen die me verbazen over de Spaanse Belastingdienst. Eén: anders dan die in Nederland lijkt de dienst hier daadwerkelijk z’n werk te doen. In ieder geval heb ik een verdrietig hoge aanslag mogen ontvangen. Twee: het ‘hokje voor de katholieke kerk’.
Dat er zo’n hokje bestaat, leerde ik toen mijn boekhouder Begoña me per Whatsapp vroeg ‘of ze la casilla de la iglesia moest aankruisen’ op mijn belastingaangifte. Euh, nee, schreef ik terug, zonder een idee te hebben waar ik precies nee tegen zei. Het klonk als iets dat me geld ging kosten. Niet goed.
Nader onderzoek leerde hoe het zat. La casilla, het hokje dus, is een uitzondering die de katholieke kerk in Spanje ieder jaar honderden miljoenen euro’s oplevert. Wie het hokje aankruist op zijn aangifte, kiest ervoor om 0,7 procent van zijn belastingafdracht niet aan de staat, maar de kerk over te maken. Als belastingbetaler kost dit je geen cent extra: je geld stroomt simpelweg ergens anders heen.
Meer dan negen miljoen Spanjaarden zetten in 2023 het kruisje, dat voor het voortbestaan van hun kerk haast net zo belangrijk is geworden als dat andere kruis. Zonder het hokje zou de kerk een kwart van haar inkomsten kwijtraken. Het is de enige organisatie die de belastingbetaler ‘gratis’ kan steunen: wie een duit in het zakje wil doen van een synagoge, moskee, paellavereniging (bestaat echt) of Franco-fanclub (bestaat ook echt), kan alleen rechtstreeks doneren.
La casilla is een overblijfsel, een jaarlijkse herinnering aan hoe dik de vinger was die de kerk lang in de Spaanse pap had. Van de ‘katholieke koningen’ Ferdinand en Isabella, die in de 15de eeuw de basis legden voor de huidige staat, tot het einde van de Franco-dictatuur was het rooms-katholicisme de pilaar waarop het gezag steunde.
Na de dictatuur verklaarde Spanje zich een seculiere staat. Dat betekende zeker niet dat de banden rigoureus werden doorgesneden: in 1979 beloofde de kersverse democratie de katholieke kerk te zullen blijven helpen ‘in het voorzien in haar onderhoud’.
Het resultaat was het hokje, dat nog altijd fier overeind staat. Dat geldt minder voor het geloof zelf. De kerken lopen leeg, het zijn vooral ouderen die nog in de bankjes plaatsnemen voor de mis. Steeds vaker wordt die mis geleid door een uit Latijns-Amerika gehaalde geestelijke: zelf lopen de Spanjaarden niet meer warm voor het priesterschap. Het aantal katholieke huwelijken keldert ieder jaar.
Met de daling van het aantal gelovigen heeft de kerk ook sterk aan politieke invloed ingeboet. Verworven rechten als abortus en het homohuwelijk zijn breed geaccepteerd. Madrid, een stad die bijna altijd rechts stemt, heeft met Chueca de waarschijnlijk grootste lhbti-wijk van Europa. Queer mensen zoenen hun partner op straat zonder angst te worden lastiggvallen.
Dat het bedrag dat de kerk ophaalt met het hokje ieder jaar blijft stijgen, lijkt niet te rijmen met het bovenstaande. Toch is daar een verklaring voor. Ja, het is vooral de oudere helft van de Spanjaarden die het hokje blijft aankruisen – maar die helft is in de loop der jaren wel veel rijker geworden, en draagt dus ook meer belasting af.
In 2023 haalde de kerk zo een recordbedrag van 382 miljoen euro op. Geld dat de staatskas misloopt. Heel serieuze pogingen vanuit de politiek om het hokje te schrappen zijn er niet: daar hebben de partijen te weinig bij te winnen (en te veel bij te verliezen, als ze de gelovige kiezer tegen zich in het harnas jagen).
Zelf heb ik het hokje uiteindelijk niet aangekruist. Ik ben niet eens gedoopt, en een aflaat van 0,7 procent gaat Petrus aan de hemelpoort niet overtuigen.
Source: Volkskrant