Home

Limburgs museum houdt koloniale vitrines expres intact – inclusief vijf mensenschedels

Missiemuseum Steyl is een koloniale tijdscapsule. De presentatie is vrijwel hetzelfde als in de jaren dertig. Inclusief vijf versierde mensenschedels, die de Papoea’s nu zelf niet terug willen. Het nieuwe team probeert de oude collectie in een nieuw licht te zetten – zonder iets te veranderen.

schrijft voor de Volkskrant over tentoonstellingen, musea, kunst en geschiedenis.

Het is een overrompelende ervaring, binnenlopen in de centrale ruimte van het Missiemuseum Steyl. Overal staan opgezette dieren, in zo veel verschillende soorten bijeen dat het lijkt alsof ze zo van de ark van Noach zijn gestapt. Op nagemaakte rotsplateaus bijten jagers hun prooien in de nek, en vanaf het plafond loeren roofvogels naar bezoekers.

Achter dit dierenrijk staan vijf overvolle vitrines met kunstige en raadselachtige objecten van over de hele wereld. Van een Chinees huisaltaar met gedetailleerd houtsnijwerk tot, helemaal achter in de zaal in de vitrine met objecten uit Papoea-Nieuw-Guinea, vijf versierde mensenschedels.

‘Heidense’ objecten

Het is alsof de tijd heeft stilgestaan. Er zijn nauwelijks tekstbordjes te vinden. En als die er al zijn, zijn die heel summier en gedrukt in een opvallend ouderwets lettertype. Sinds dit museum in 1931 op deze Limburgse locatie werd ingericht, is er aan de aanblik bijna niets veranderd. Des te opvallender is de iPad, die sinds vorige maand voor de vitrine met de schedels staat.

Daarop zijn beelden te zien uit Papoea-Nieuw-Guinea, van mensen in dorpen aan de rivier Sepik. Ze bekijken geplastificeerde printjes met foto’s van de schedels die ooit zijn meegenomen uit hun gebied. Vorig jaar ging conservator Paul Voogt daarnaartoe om te vragen of mogelijke nazaten die schedels misschien terug zouden willen. Het verrassende antwoord: dat hoefden ze niet.

Hoe zijn die schedels in Limburg terechtgekomen? In 1875 kwam de Duitse Arnold Janssen naar Steyl, een klein plaatsje aan de Maas, waar hij de kloosterorde Societas Verbi Divini (SVD) oprichtte. Vanuit Steyl zond Janssen broeders en zusters op missie naar de Duitse koloniale gebieden om daar het christelijke geloof te verspreiden. Die stuurden vanuit daar ‘exotische’ dieren naar Limburg. En voorwerpen: vaak ‘heidense’ objecten die na de bekering van inheemse volkeren niet meer sociaal acceptabel zouden zijn.

Er kwamen zo veel spullen naar Steyl dat er een museum voor werd gebouwd, dat in 1931 zijn deuren opende voor het publiek. Broeder Berchmans, die op dat moment al ruim veertig jaar bij het klooster zat, werd de eerste conservator.

Waaier van speren

De antropologische objecten rangschikte hij hiërarchisch, op basis van het zogenaamde beschavingsniveau per land. Van alle missielanden stond China bovenaan, daarna volgde Japan, en achteraan bungelde Papoea-Nieuw-Guinea, nog net voor ‘Afrika’. De Afrikaanse vitrines liet hij overlopen in die van het dierenrijk.

In de presentatie, die sinds Berchmans’ overlijden in 1934 vrijwel onaangetast is gebleven, ligt een focus op gevaar. Opgezette dieren vallen elkaar aan, bij de prooien hangen de tongetjes cartoonesk uit de monden.

Boven de mensenschedels uit Papoea-Nieuw-Guinea is een waaier van speren opgehangen, eronder ligt een rijtje dolken, gemaakt van bot. In de vorige eeuw stond er nog een bordje bij met daarop ‘Menschenfresser’ (‘menseneters’; de voertaal van de orde is Duits gebleven). Alles om aan te tonen: in die ‘primitieve’ landen werd heldhaftig beschavingswerk geleverd.

Recentelijk is een nieuw museumteam aangesteld, nadat de vorige conservator in 2020 na veertig jaar met pensioen was gegaan. Gefinancierd door de gemeente Venlo, want kloosterorde SVD had er geen geld meer voor, al blijft de orde wel eigenaar van de collectie.

Het nieuwe team wil graag meer context bieden bij de oude presentatie. ‘We willen duidelijk maken dat wat je in het museum ziet over de missielanden niet echt is hoe die waren’, zegt conservator Voogt, ‘maar representeert hoe missionarissen vroeger wílden dat mensen over die landen dachten.’

Verering van voorouders

Met kannibalisme hadden de schedels uit Papoea-Nieuw-Guinea in werkelijkheid weinig van doen. Deze waren juist bedoeld om overleden voorouders mee te eren. Een belangrijk persoon werd een of twee jaar na zijn dood, als het lichaam volledig was vergaan, voorzichtig uit zijn graf gelicht. Op de schedel werd dan klei aangebracht en beschilderd, zo gemodelleerd dat het de trekken van de overledene nabootste. Met zo’n voorouderschedel kon bijvoorbeeld een goede jacht of een genezing worden afgesmeekt.

Toen eind 19de eeuw de eerste Europeanen het gebied rond de Sepik binnentrokken, waren zij direct gefascineerd door de vooroudercultuur. Vanuit musea en verzamelaars ontstond een grote vraag naar versierde schedels en andere kunstvoorwerpen uit het gebied.

Zo zijn veel objecten uit Papoea-Nieuw-Guinea in Europese collecties beland. Naar schatting heeft Duitsland, de kolonisator van het gebied voordat het een Australisch protectoraat werd, er zo’n driehonderdduizend.

Teruggeven

Soms werden die objecten verkocht of weggegeven, al dan niet onder dwang. Soms werden ze gestolen. In Nederland geldt sinds 2021 het landelijke beleid dat objecten uit een koloniale context die ‘onvrijwillig verloren’ zijn, onvoorwaardelijk moeten worden teruggegeven aan het land van herkomst als dat land daarom vraagt.

In het geval van menselijke resten is teruggave sowieso het uitgangspunt. Omdat het vaak onduidelijk is hoe objecten precies verkregen zijn, is herkomstonderzoek belangrijk.

Voogt: ‘Nadat wij als museumteam waren aangesteld, besloten we ons te richten op herkomstonderzoek. Toen dachten we: laten we dan maar beginnen met de meest controversiële voorwerpen. Dat waren die schedels.’

Voogt, die vorig jaar met zijn onderzoek begon, kreeg informatie en advies van Duitse en Australische collega’s. Via via kwam hij in contact met een gids die hem meenam naar de Sepik.

Zoeken in Vaticaan

Maar voor hij ging, had hij meer aanknopingspunten nodig. Dus ging Voogt naar Anima Mundi, een door de SVD-orde opgericht antropologisch museum in het Vaticaan. Daar ontdekte hij wie de schedels waarschijnlijk had verzameld, en wanneer ongeveer. Maar hij wist nog steeds niet uit welk dorp ze kwamen.

In Papoea-Nieuw-Guinea trok Voogt samen met zijn gids langs de dorpen aan de Sepik om daar foto’s van de schedels te laten zien. Maar wie hij het ook vroeg, niemand wist van wie ze konden zijn.

‘Als ik iets meer van de herkomst had kunnen achterhalen, zoals een naam, dorp of precies jaartal, had dat veel uit kunnen maken’, zegt Voogt. ‘Mensen daar hebben een goed geheugen voor hun eigen geschiedenis, en kunnen belangrijke personen van een eeuw geleden zeker nog noemen.’

In februari zijn er zestien schedels uit het Chau Chak Wing Museum in de Australische stad Sydney, die eind 19de eeuw door een onderzoeker waren meegenomen, teruggekeerd naar Papoea-Nieuw-Guinea. Daar waren de namen onthouden van de mensen aan wie die schedels ooit hadden toebehoord. Ze werden met ceremoniën ‘thuis’ ontvangen.

Schedels van onbekenden hoefden ze niet terug, zeiden de dorpsbewoners die Voogt sprak. Want wat als zo’n onbekende uit een vijandig dorp afkomstig was? Voogt: ‘Volgens de elders, de dorpsoudsten, hebben de schedels hun kracht, hun spirit verloren op het moment dat ze hun originele context verlieten. Maar als ze zouden terugkeren, dan zouden die spirits er weer in kunnen gaan. En als je dan de schedel van een vijand in handen hebt, zit je met de gebakken peren.’

Er is veel onderlinge strijd tussen de dorpen rond de rivier Sepik. Die was er al toen de schedels werden bewerkt. Destijds gebeurde het nog regelmatig dat er vijanden werden vermoord en vervolgens onthoofd, waarna hun schedels schoon werden gekookt en als trofeeën opgehangen aan het mannenhuis, soms in hele trossen.

Ook zulke schedels zijn in versierde vorm in Europa beland. ‘De vraag naar voorouderschedels was zo groot, dat die op een gegeven moment op waren’, zegt Voogt. ‘Toen zijn de bewoners van het Sepik-gebied ook schedels van vijanden gaan bewerken, om die te kunnen verkopen.’

Trainingen

Twee van de vijf schedels uit het Missiemuseum zijn waarschijnlijk op die manier gemaakt, zo bleek uit een röntgenscan in Nederland. Eén schedel heeft gaten aan weerszijden, wat mogelijk betekent dat die persoon met een speer is doorboord. Aan de andere schedel zit nog een touwtje, waaraan het vermoedelijk ooit als trofee is opgehangen. Allebei hebben ze een houten kaak, en postuum verloren tanden: aanwijzingen voor dat er ruw met ze is omgesprongen.

Het nationale museum in de Pa­poea-Nieuw-Gui­nese hoofdstad Port Moresby wil de schedels uit Steyl ook niet terug. Althans, voorlopig niet. Voogt: ‘Het museum is nog in gesprek met Duitsland, om te kijken of dat land wil helpen een nieuw depot te realiseren. Met die extra ruimte kunnen er weer dingen uit Duitsland worden gerestitueerd. Pas als dat allemaal is geregeld, willen ze nog eens kijken naar mogelijke restitutie uit Nederland.’

‘Waar hebben jullie dan wel behoefte aan?’, vroeg Voogt aan de medewerkers van het museum in Port Moresby. Dat wisten ze wel: training voor hun staf. ‘Ze zouden bijvoorbeeld graag meer materiaalkennis hebben’, zegt Voogt. ‘Daarom willen we een conservator van daar hiernaartoe halen. Diegene kan ons straks dan hopelijk weer meer vertellen over onze collectie: er liggen honderden objecten uit Papoea-Nieuw-Guinea in onze vitrine, maar de meeste zijn erg slecht gedocumenteerd.’

Tussen die overdaad aan spullen blijven de schedels voorlopig liggen. Geen vanzelfsprekende keuze, want het tentoonstellen van menselijke resten uit een koloniale context is tegenwoordig een heikele kwestie.

Op alle drie de locaties van het Wereldmuseum gebeurt het niet meer. Dat museum denkt nog na over wat het moet doen met de ruim vierduizend menselijke resten in het depot. Misschien wordt daar nog een speciale ruimte voor ingericht, bijvoorbeeld voor rituele gebruiken, zei directeur Wayne Modest onlangs tegen The Art Newspaper.

‘Overal waar we kwamen in Papoea-Nieuw-Guinea, vroegen we aan mensen wat ze ervan vonden dat wij die schedels tentoonstellen’, zegt Voogt. ‘Werkelijk niemand had daar een probleem mee. Sommigen waren er zelfs trots op. Ze zijn gemaakt om te laten zien, zeiden ze. Al zeiden sommige mensen wel: we zijn nu christenen, dus misschien is het beter als de schedels worden begraven.

Zo intact mogelijk

‘We hebben ervoor gekozen om de ethiek van daar zwaarder te laten wegen dan die van hier. Als je iets weghaalt uit onze presentatie alleen omdat het hier als problematisch wordt beschouwd, dan blijft er weinig meer van over. Mensen schrikken ook van de opgezette dieren, bijvoorbeeld.

‘We willen het museum zo intact mogelijk laten, omdat het een uniek tijdsbeeld vertegenwoordigt. Het is een ongemakkelijk tijdsbeeld dat extra uitleg vereist, daarom zijn we daar nu mee bezig. Maar nergens in Nederland vind je nog zo’n museumpresentatie als deze, die zo goed laat zien hoe er een eeuw geleden over ‘primitieve’ culturen werd gedacht.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next