Bomen kunnen verkoeling brengen in de stad, waar het al snel flink warmer is dan op het platteland. De iep is een erg geschikte soort, maar hoe krijg je zo’n boom goed op z’n plek? De reis van weiland naar de stad.
Door Nathan Lont
Fotografie Pauline Niks
Infographic Michelle de Gruijl
Het is rustig rondom de gloednieuwe woontoren op de campus van de TU Eindhoven. Het kwik bereikt vandaag 37 graden, de meeste studenten schuilen binnen. De enkeling die de hitte wel trotseert, deze julidag, vindt wat verkoeling tussen het groen voor het gebouw. Sinds kort met hulp van de nieuwste aanwinst van de universiteit: een jongvolwassen, groene iep.
De iep op de campus van de TU Eindhoven.
Vier maanden geleden bevond zich op deze plek nog een gapend gat en stond de iep ruim 30 kilometer verderop. De Volkskrant volgde de boom tijdens zijn reis van zijn ouderlijk huis – een boerenweiland in Cuijk – naar de Eindhovense campus, waar hij de komende decennia koelte moet bieden aan zwetende studenten.
Marko Mouwen trapt op het gaspedaal van zijn stationwagon. De boomverkoper heeft haast. ‘Dat heb ik eigenlijk altijd. Ik ben verantwoordelijk voor driehonderd vrachtwagens vol bomen per week.’ We zijn op weg naar een van ‘zijn’ bomen, de iep die aan de TU Eindhoven is verkocht. Zijn collega’s zullen de boom vandaag rooien: met kluit en al uit de grond halen.
Boomverkoper Marko Mouwen en gerooide bomen bij de kwekerij in Cuijk.
Na zo’n tien minuten bereiken we veld Bardoel 2, vernoemd naar de boer wiens koeien hier ooit graasden. Het is een van de plekken waar boomkwekerij Ebben haar bomen grootbrengt.
Het familiebedrijf huist al sinds 1862 in Cuijk en omstreken, het uiterst noordoostelijke puntje van Noord-Brabant. De kwekerij strekt zich intussen uit over een gebied van 550 hectare – zo’n elf keer het Amsterdamse Vondelpark. Honderden boomsoorten brengen hier hun vormende jaren – soms zelfs decennia – door, veelal op voormalige veegrond, waarna ze naar allerlei uithoeken van Europa worden verscheept.
De bomen van kwekerij worden naar allerlei uithoeken van Europa verscheept.
De groeiende klandizie heeft het bedrijf onder andere te danken aan klimaatverandering. Zomers worden warmer en stedelijk groen is een belangrijk wapen tegen de zinderende hitte – zelfs het overwegend grijze Rotterdam ondergaat een groene metamorfose. In de stad is de temperatuur nu vaak flink hoger dan op het platteland, door al dat steen, asfalt en beton.
Bomen spelen een sleutelrol in de strijd tegen dit zogenoemde hitte-eilandeffect, blijkt uit een recente overzichtsstudie waarin wetenschappers 182 onderzoeken naar bomen in wereldsteden onder de loep namen. De hamvraag: hoe goed koelt de stadsboom nou precies?
Het korte antwoord: tot wel 12 graden, op straatniveau. De wat langere, wetenschappelijk verantwoorde versie: dat ligt eraan.
Bomen spelen een sleutelrol in de strijd tegen het hitte-eilandeffect.
De belangrijkste factor is het bladerdek.
De bladeren weerkaatsen zonlicht, waardoor de stralen de grond niet bereiken.
Daarbij geldt: hoe dikker de bladeren, hoe minder licht ze doorlaten, hoe beter.
Daarnaast onttrekken de wortels water, en zo ook warmte, uit de grond.
Die warmte verliest een boom door te transpireren: water via de huidmondjes ‘uit te zweten.’
Voor de transpiratie zijn niet dikkere, maar juist dunnere bladeren voordelig.
Een breed, dicht dek is in elk geval een pre. Des te meer bladeren, des te beter de boom weerkaatst én transpireert. De perfect koelende boom uitkiezen is al met al tamelijk ingewikkeld. Bovendien maakt het nogal uit waar een boom terechtkomt, schrijven de onderzoekers. Toch noemen ze een alleskunner, die het in veel klimaten goed doet en vooral uitstekend transpireert: de Amerikaanse iep. Het liefst eentje die al wat groter is, voor een direct merkbaar effect.
Die aanbeveling klinkt Marko Mouwen als muziek in de oren. Hij is fan van de iep, vertelt de zelfbenoemde ‘boomfluisteraar’, onderweg van zijn stationwagon naar het exemplaar dat vandaag gerooid wordt – overigens geen Amerikaanse iep, maar een andere soort, waarover later meer. ‘Sommige iepensoorten komen al duizenden jaren in Nederland voor en ze kunnen uitstekend tegen droogte én grote hoeveelheden water.’ Ideaal voor een steeds warmer en onvoorspelbaarder klimaat.
Wanneer Mouwen de juiste boom met het blote oog herkent, komt een collega in een speciaal wagentje – denk: graafmachine met een ronddraaiende schoffel in plaats van een schep – aangereden. Dan gaat het snel. De schoffel gaat de grond in, draait onder de boom door en tilt die met kluit en al naar boven. Drie andere mannen kantelen hem op het gras, binden touwen om de toppen en een juten zak om de kluit. De klus is in een krappe drie minuten geklaard. Op een drukke dag rooien ze soms wel 120 bomen, vertelt een van hen terwijl ze naar het volgende veld vertrekken.
De iep die naar Eindhoven gaat, wordt gerooid. De klus is in drie minuten geklaard.
Later vandaag haalt een andere ploeg de iep op om hem naar ‘de kuil’ te brengen, het geasfalteerde terrein waar bomen wachten tot ze – soms pas weken later – hun reis vervolgen.
Met zijn benen in het vers gevormde gat legt Mouwen uit hoe de mens de stadsboom het leven op allerlei manieren zuur maakt. ‘Glazen façades, strooizout, hondenpoep, je kunt het zo gek niet bedenken. Veel bomen krijgen daar stress van.’ Maar niet de iep, benadrukt hij.
Marko Mouwen is fan van de iep.
Wel was er jarenlang één achilleshiel die de verkoop van iepensoorten volgens Mouwen flink drukte: de iepenziekte. De ziekte, veroorzaakt door een door kevertjes verspreide schimmel, dunde de Nederlandse iepenpopulatie in de vorige eeuw flink uit. Ook de door wetenschappers gelauwerde Amerikaanse iep is bijzonder vatbaar. In Nederland krijgen dertigduizend iepen ter bescherming een vaccin toegediend.
De 7 meter lange iep die naast hem ligt, zal het vaccin waarschijnlijk nooit nodig hebben, aldus een trotse Mouwen. ‘Door verschillende soorten iepen met elkaar te kruisen, bewust met de iepenziekte te besmetten en de gezondste exemplaren te selecteren, hebben wetenschappers deze New Horizon-iep ontwikkeld.’ Een resistente ‘superiep’ dus, die ‘ook nog eens supergoed groeit’.
Van oktober tot en met maart, wanneer de bomen in winterslaap zijn, dan moet het gebeuren, weet vrachtwagenchauffeur Hein Baltussen, die vandaag de iep naar Eindhoven zal brengen. ‘Daarna komen de sapstromen op gang en zijn bomen te kwetsbaar voor transport.’
Bij boomkwekerij Ebben klimt hij in zijn cabine en gaat hij op zoek naar zijn lading, een van de met bomen gevulde opleggers in de ‘kuil.’ Tientallen werknemers zijn al ter plekke. ‘Als je niet tegen bloed kunt, moet je ook geen chirurg worden’, relativeert Baltussen het vroege tijdstip. Om half vier voerde hij zijn kalveren, een overblijfsel van een eerder boerenbestaan.
Vrachtwagenchauffeur Hein Baltussen haalt de iep op bij kwekerij Ebbens.
De zoektocht duurt even – het is immers nog pikkedonker – maar na een paar minuten heeft hij beet. Vanuit de open deur naar achteren turend klikt hij de cabine in een beweging aan de oplegger vast. Hij springt naar buiten, draait de sluiting aan en spant koorden over de wagen, zodat hij zijn vracht niet kan verliezen. De bomen, een stuk of zestig, zijn klaar voor de reis.
De eerste kilometers naar Eindhoven dendert de vrachtwagen over landwegen. Zowel percelen met kweekbomen als volgroeide bossen vliegen links en rechts voorbij. Dankzij de nabijgelegen Maas is de bodem rondom Cuijk in kwekersjargon ‘vaag’, waardoor allerlei soorten zich erin thuisvoelen.
Het vervoeren van de bomen gaat vanwege hun comateuze staat eigenlijk altijd goed, vertelt chauffeur Baltussen wanneer hij na 60 kilometer aan land-, snel- en stadswegen op het universiteitsterrein is gearriveerd. Drie groenbeheerders van de TU Eindhoven staan hem op te wachten: op hun aanhanger moet de iep de laatste meters naar zijn nieuwe thuis afleggen.
Er is één probleem: de boom is te groot. ‘Ik dacht dat hij 3 à 4 meter lang zou zijn’, verzucht groenbeheerder Bram Verstappen. De 7 meter tellende iep past met geen mogelijkheid op het beoogde aanhangertje. Baltussen blijft opgewekt: hij gedijt uitstekend bij onvoorziene omstandigheden. ‘Dat vind ik juist zo leuk aan mijn baan. Ik weet eigenlijk nooit echt wat me te wachten staat voordat ik ergens een boom aflever.’
Het voorgegraven gat bleek iets te klein. Nadat het groter is gemaakt, kan de iep geplaatst worden.
Behendig loodst hij zijn vrachtwagen over de campus. Eenmaal op de bestemming aangekomen, inspecteren de mannen gezamenlijk het voorgegraven gat. ‘Te klein’, luidt het oordeel, en dus beginnen ze driftig te scheppen tot het gat groot genoeg is. Dan takelt Baltussen de iep met de kraan van zijn vrachtwagen op zijn plek. De boom staat, hij kan de 59 andere bomen gaan afleveren.
Nadat de groenbeheerders de boom netjes hebben ingegraven, verzamelt zich een heus welkomstcomité rond de iep. Onder hen is landschapsarchitect Frank Meijer, verantwoordelijk voor het nieuwe stuk campus waar de iep zich heeft geworteld.
Met een kleine delegatie zocht hij de boom enkele weken eerder hoogstpersoonlijk uit, op het perceel van boer Bardoel. Hoe goed een boom hitte beteugelt, is daarbij slechts een deel van de afweging, aldus Meijer. Daarnaast moet een boom zich thuis voelen in de grondsoort, weerbaar zijn tegen ziekte en – door klimaatverandering extra belangrijk – tegen extreem weer. Ook biodiversiteit speelt een rol: de hoop is dat de iepenpage, een tot voor kort ernstig bedreigde vlindersoort, de nieuwe iep in Eindhoven komt bezoeken.
De iep kort na plaatsing en op een zomerse dag in juli.
Toch blijft het voor Meijer vooral een romantische afweging. ‘Het is eigenlijk net een soort daten. Je moet recht tegenover een boom staan, dan pas voel je of het de juiste is.’ Een kwestie van uiterlijk schoon. En: sentimentele waarde. ‘Mijn ouders hadden een enorme walnoot in de achtertuin waar ik als kind vaak in hing. Dus bij elk project probeer ik, als het kan, een walnoot neer te zetten.’ Zo ook in Eindhoven, blijkt een steenworp verderop, waar inderdaad een nieuwe walnoot staat. Vanaf nu voor misschien wel een eeuw lang vergezeld door een nieuwe buurman: de iep.
Een druk verkeersplein in het hart van Rotterdam moet wijken voor een groene oase in het stadscentrum. Niet iedereen wil af van de auto: 150 duizend Rotterdammers kunnen niet fietsen.
De liefde voor de boom leeft op: niet alleen groeit het verzet tegen bomenkap, er verrijzen ook steeds meer burgerinitiatieven voor aanplant. Zet dat – voor de biodiversiteit en het klimaat – zoden aan de dijk?
Schoolpleinen zijn vaak nog volledig versteend, maar tientallen scholen zijn bezig de speelplaatsen te vergroenen. ‘Laatst lieten hangjongeren een briefje achter: bedankt dat we hier mochten zitten.’
Source: Volkskrant