Home

Kip Jong-un legt pfas-eieren. Wat nu, vraagt journalist en hobbyboer Tjerk zich af

Volkskrant-redacteur Tjerk Gualthérie van Weezel schrok zich rot toen het RIVM in april het advies uitbracht om voortaan geen eieren meer te eten van hobbykippen, vanwege de hoge pfas-gehalten. In drie hoofdstukken zoekt hij uit of hij de eitjes uit zijn ren nog kan eten.

Door Tjerk Gualthérie van Weezel

Fotografie en video Jiri Büller

Dit is Kip Jong-un, een van de drie kippen die leven in onze achtertuin.

De naam kreeg zij van mijn zoon Jelle, die als kleine jongen een fascinatie had voor de Noord-Koreaanse dictator.

Toen we in 2017 onze Amsterdamse bovenwoning verkochten en naar een dorp onder de rook van de stad vertrokken, wist ik direct dat ik kippen zou gaan houden. Als 4-jarig Amsterdammertje wilde ik het liefst boer worden en als tiener hield ik al een paar jaar kippen (in verband met de buren geen haan) achter mijn ouderlijk huis in de binnenstad.

Nog voordat we de sleutel van ons huis in handen hadden, was onze keuze gevallen op de wyandotte kriel. Een mooi rond kippetje dat in verschillende kleuren komt, en online wordt aangeprezen omdat het betrekkelijk weinig verzorging nodig heeft en is behept met ‘een vriendelijk karakter’. Kortom: ‘de ideale kip voor beginners’. En, heel belangrijk: ‘het zijn goede leggers, zo’n zes eieren per week’.

Dus zitten er nu elke ochtend bij de achterdeur drie kipjes op mij te wachten. De andere twee hebben overigens een stuk minder opvallende namen: Tijgertje en Veertje. Als ik naar de schuur loop om een bekertje graan te pakken, waggelen ze zachtjes tokkend achter me aan. Ik gooi het voer in hun ren en loop vervolgens door naar het leghok om de tegenprestatie in ontvangst te nemen. In de middag gaat de ren open en blijven ze tot ze op stok gaan in de buurt van het huis scharrelen.

Er zijn genoeg redenen om geen kippen te houden: een blote voet in de kippenstront, het burengerucht als er op zondagmorgen ineens stress in de tent is of de irritatie als er weer eens een bloempot is leeg gegraven en een jong plantje is opgepeuzeld. Maar voor mij weegt dat niet op tegen een soort klein geluk dat de vogels me geven. Ik vind ze mooi, en kijk graag hoe ze in de tuin hun eten bij elkaar scharrelen of een stofbad nemen. Ook geeft het een goed gevoel om je restjes uit de keuken aan de dieren te voeren en daar weer eieren voor terug te krijgen.

Maar die romantiek heeft sinds dit voorjaar plots zijn glans verloren. ‘Het advies is om geen eieren meer te eten van hobbykippen’, zei onderzoeker Polly Boon van het RIVM op 15 april in het NOS Journaal. Het rijksinstituut had de pfas-gehalten gemeten in eieren van particulieren en kinderboerderijen op zestig plekken in Nederland. Meer dan de helft bleek onveilig. Boon: ‘De hoeveelheid is zo hoog dat het niet verstandig is om deze nog te eten.’

Polly Boon

In plaats daarvan adviseerde het RIVM om eieren uit de supermarkt te eten. Die bevatten ook pfas, maar de waarden liggen aanzienlijk lager en ruim binnen de veiligheidsnorm.

Mogelijk kwam het door de ongemakkelijke glimlach van Boon aan het einde van dat journaalitem, mogelijk was het gewoon mijn eigen gevoel van teleurstelling. Hoe het ook zij: ik merkte dat ik een beetje boos was op Polly Boon.

Om te beginnen vond ik dat ze haar boodschap veel te nonchalant bracht. Terwijl het toch echt zo is dat ik (en met mij zo’n 160 duizend Nederlandse huishoudens met kippen) nooit meer zorgeloos een eitje uit eigen tuin kan eten. Dat ik nooit meer de kinderen van vrienden het ei kan geven dat ze net zelf uit het leghok hebben gepakt. Hoe pijnlijk ook dat je als mini-ecoboertje wordt doorverwezen naar grootschalige, commerciële kippenhouders. Oké, het is geen oorlog, maar het is wel erg.

Bovenal was ik gefrustreerd omdat ik met zo veel onbeantwoorde vragen zat. Want als meer dan de helft van de eieren niet voor consumptie geschikt is, betekent dat dat minder dan de helft dus wél eetbaar is. Was er een manier om erachter te komen tot welke categorie mijn eieren behoren? En stel nu dat ik de eieren toch eet, zoals verschillende amateurkippenhouders in het journaal en kranten zeiden, hoe slecht is dat dan?

Ik maakte me het meest zorgen over Jelle. Als inmiddels 15-jarige vegetariër is hij grootafnemer van de eieren. Zeker sinds hij de sportschool bezoekt en de inname van proteïnen nogal een ding is geworden, staat hij bijna dagelijks indrukwekkende omeletten te bakken. Dat moest hij van mij dus zo snel mogelijk met supermarkteieren gaan doen.

Enkele dagen later stond ik met een handvol Kip Jong-un-eitjes en een zwaar gemoed te twijfelen: biobak? Dan blijft het in het milieu. Als chemisch afval naar de milieustraat? Nee, dan had Polly Boon dat wel expliciet geadviseerd. Restafval dan maar. Op de bodem van de kliko vermengden de dooiers zich met het eiwit.

Was dit nu echt nodig? En zou ik dit nu tot in lengte van dagen moeten doen? Ik moest op onderzoek uit. Hoe zit het met mijn eieren?

Om te beginnen is daar natuurlijk de vraag wat pfas zijn. En waarom dat spul in eieren belandt. Daarover heeft het RIVM inmiddels tientallen vragen en antwoorden online gezet.

Pfas, afkorting voor poly- en perfluoralkylstoffen, is een verzamelnaam voor meer dan zesduizend chemische stoffen. Ze worden al decennialang door de mens gemaakt omdat ze water-, vet- en vuilafstotende eigenschappen hebben. Omdat de meeste pfas-soorten niet afbreken, worden ze ook wel forever chemicals genoemd. Pfas zitten tegenwoordig overal in onze atmosfeer.

Inmiddels is van een aantal soorten pfas aangetoond dat ze schadelijk zijn voor de gezondheid. In Europa is er voor deze stoffen een maximumgrens gesteld aan de hoeveelheid die je in je lichaam mag hebben. De vier meestvoorkomende zijn:

Werd vroeger veel in brandblussers gebruikt. Sinds 2011 is het verboden.

Wordt gebruikt voor onder andere antiaanbaklagen in pannen, kartonnen verpakkingen en tapijten. Sinds 2017 is het gebruik ‘sterk teruggebracht’.

Wordt veel verwerkt in voedselverpakkingen en blusmiddelen.

Is verwerkt in onder andere coatings voor metaal.

Wat deze stoffen precies doen in het menselijk lichaam is niet bekend. Maar in wetenschappelijke studies is wel aangetoond dat hoge concentraties pfas het immuunsysteem ondermijnen; met name bij kinderen is dat effect sterk. Een van de gevolgen is bijvoorbeeld dat zij slechter reageren op vaccinaties. Bij zeer hoge percentages pfas bestaat zelfs een verhoogde kans op kanker

Hoe het spul precies in de atmosfeer belandt, is niet uitgebreid onderzocht. Een deel komt waarschijnlijk uit de schoorstenen van fabrieken die pfas maken. En veel pfas zijn in sprays verwerkt en komen vrij bij gebruik.

Hoewel een deel van de pfas al een aantal jaar is verboden, zijn ze nog lang niet uit ons ecosysteem verdwenen. Ze bevinden zich onder meer in sea spray: kleine waterdruppels die opstijgen uit de oceanen en vervolgens als regen overal ter wereld weer neerdalen. Zo kan het dat er zelfs in het ijs op de Noordpool, waar in de verste verte geen menselijk leven te bekennen is, pfas worden gevonden.

Wat intussen ook duidelijk is: veel pfas hechten zich heel goed aan eiwitten, vooral aan bepaalde typen. Zo zitten ze meer in de eieren die kippen leggen dan in hun vlees. Een bekend eiwit waar pfas dol op zijn, is zeeschuim. Dat bestaat uit door algen geproduceerde eiwitten die door de golven worden ‘opgeklopt’. Pfas worden ook in hoge concentraties aangetroffen in zeedieren die veel water filteren, zoals oesters en mossels. Of, voor dit verhaal zeer relevant, in regenwormen. Vervolgens komt het spul natuurlijk ook terecht in dieren die dit soort pfas-bommetjes eten.

Een vers gelegd ei van Kip Jong-un, ik breek er begin juni weer eens een.

Dit keer niet in de vuilnisbak en ook niet in de pan, maar in een klein plastic bakje. Dat heb ik toegestuurd gekregen van het bedrijf Pfastest.nu, een geaccrediteerd laboratorium dat voor particulieren monsters onderzoekt op pfas. Je kunt eieren insturen, maar ze kunnen ook je tuinaarde, zandbak, groenten, fruit, insecten en regenwormen testen.

Pfastest.nu is niet het enige bedrijf op deze markt. Er zijn verschillende commerciële labs die de tests kunnen uitvoeren, maar voor 124,95 euro biedt Pfastest.nu de goedkoopste test die ik heb kunnen vinden. Die is simpel omdat hij één ei test en slechts ‘een indicatie’ geeft. Je kunt ook voor een geaccrediteerde test met een monster van meer eieren kiezen. Dat kost, afhankelijk van het lab, tussen de 250 en 300 euro.

Ik ben zeker niet de enige hobbyboer die gebruikmaakt van dit soort diensten, blijkt als ik enige tijd later binnenloop bij Nofalab, een laboratorium in de Rotterdamse haven, waarvan Pfastest.nu deel uitmaakt. Het lab, dat op zijn beurt weer onderdeel is van een Zwitsers concern, test vooral plantaardige oliën en andere grondstoffen voor de levensmiddelenindustrie die per schip in Rotterdam aankomen. Daarbij draait het niet zozeer om pfas, maar meer om de precieze samenstellingen van partijen en specifieke andere chemicaliën. Maar sinds twee jaar biedt het onder de naam Pfastest.nu dus ook laagdrempelige testen aan voor particulieren met pfas-zorgen.

‘Het idee om ook pfas te gaan testen kwam eigenlijk voort uit vragen van ons eigen personeel’, zegt directeur Frank Cobussen. ‘Er is de laatste acht jaar steeds meer onrust over de fabriek van Chemours in Dordrecht, waar onder meer pfas voor antiaanbaklagen worden gemaakt. Dat is hier niet ver vandaan en we wonen hier allemaal dicht bij chemische bedrijven. Dus veel van onze mensen vroegen zich af hoe vervuild hun tuinen nu zijn.’ De test is zo laagdrempelig mogelijk ontworpen. Hij kan door de brievenbus, je stopt één ei in een bakje en dat monster geeft uiteindelijk een goede indicatie voor het pfas-gehalte in je eieren.

Lange tijd kregen ze bij het lab slechts enkele monsters per dag binnen. Maar na het advies van het RIVM, begin april, explodeerde die vraag en werden het er honderden. Dat het bepaald geen pretje was, is wel duidelijk als we niet veel later in het lab staan. Laborant Simone de Roover heeft zojuist een aantal monsters uitgepakt. De zak met lege plastic bakjes vult het lab met een weeïge geur.

In april was het nog een stuk erger, vertelt De Roover. De post kon de enorme hoeveelheid toegestuurde monsters niet aan, waardoor sommige pas na een flink aantal weken het lab bereikten. Tot overmaat van ramp was het toen ook nog eens zeer heet. Sommige bakjes sloegen groen uit. De geur was niet te harden. De Roover: ‘Maar ook in een rot ei blijft gewoon pfas zitten. Dus wij bleven ze wel testen.’

In een zuurkast, waar de lucht wordt afgezogen, heeft De Roover de inhoud van de bakjes in reageerbuisjes laten lopen. De grote variatie in geeltinten is opvallend. ‘Hoe geel een eidooier is, hangt sterk af van het soort kip en welk voedsel ze krijgen’, zegt ze. Iets verderop in het lab worden de monsters gevoerd aan twee apparaten, die op de microgram nauwkeurig kunnen bepalen welke stoffen erin zitten. Op basis van de gevonden concentraties maakt Nofalab een consumentvriendelijk rapport. Voor de vier eerder genoemde pfas-soorten wordt de uitslag vertaald in stoplichtkleuren: bij groen is er niets aan de hand, rood betekent ‘niet eten’.

De tekst bij oranje is dan weer tamelijk ingewikkeld: ‘Het product bevat pfas maar valt binnen de gestelde norm. U kunt het product gebruiken voor consumptiedoeleinden in beperkte mate. Afgeleid van de grenswaarde van 4,4 nanogram/kilogram lichaamsgewicht per week.’

Wat betekent dit voor een hobbyboer van 100 kilo? Een online rekentool op pfasinkaart.nl, een website gemaakt door een individuele hobbykippenhouder, zegt dat die een ei per week zou mogen eten (op basis van een berekening van het RIVM) óf drie eieren (op basis van een rekenmethode van de Europese voedselzekerheidorganisatie). En dan ga je er slechts van uit dat je alleen via eieren pfas binnenkrijgt.

Tja, best ingewikkeld. En bij Nofalab blijkt het antwoord op de vraag wat je nu eigenlijk met die uitslagen moet, ook nog niet zo eenduidig. Volgens Caroline Klaassen, die bij het bedrijf verantwoordelijk is voor de kwaliteitscontrole, betekent zelfs een rood stoplicht niet per se een stopsein. ‘Als de waarde twee keer boven de wekelijkse norm ligt, betekent het dat je ongeveer eens in de twee weken een ei kunt eten.’

Wat de onderzoekers van Pfastest.nu inmiddels wel zeker weten: er zijn echt heel veel eieren met te hoge concentraties pfas. Slechts een kwart van de eieren krijgt groen licht. Vooral de concentratie pfos is vaak ruim boven de norm. En waar je zou verwachten dat de rode stoplichten zich concentreren rondom plekken waar zware industrie is, blijkt dat niet het geval. Sterker: er tekent zich totaal geen patroon af in de resultaten. Datzelfde valt op in de kaart op pfasinkaart.nl. Alle particulieren die de eieren van hun kippen hebben laten testen, kunnen het resultaat daar insturen. De kaart met uitslagen toont een confetti van groene, rode en zwarte stippen.

Bron: pfasinkaart.nl

Verwarrend is ook een reactie op het forum van pfasinkaart.nl. ‘Marianne’ heeft twee tests laten doen. De eerste, met tien eieren, was net boven de norm. De tweede, enkele maanden later, van één ei van een jonge kip, bleek ruim onder de norm. ‘Tja, nu weet ik dus niet of het verschil komt door de verschillende meetmethoden, de tijd, of de kip’, schrijft ze.

Zo begin ik te beseffen dat de uitslag die ik van Pfastest.nu krijg, misschien weinig zekerheid biedt.

Enkele weken later bevestigt onderzoeker Polly Boon dat vermoeden. Op de bovenste verdieping van het RIVM-kantoor in Bilthoven zit ik tegenover de vrouw die in april het slechte nieuws bracht. Ze blijkt zeer vriendelijk en kan goed uitleggen wat ze bij het RIVM inmiddels weten over de pfas-eieren van hobbykippen en wat ik te winnen heb bij de informatie over het ei dat ik naar het testlab heb opgestuurd.

Eerst leg ik haar mijn irritaties voor.

Ze is zich er zeker van bewust dat haar persbericht van dit voorjaar voor kippenhouders veel onzekerheid en vragen heeft opgeroepen, zegt Boon. Toen zij en haar collega’s zagen hoeveel pfas er in de geteste eieren zaten, hebben ze zelfs nog heel even overwogen om te wachten met het uitbrengen van een advies, totdat er meer bekend was over de oorzaak. ‘Maar je kunt het natuurlijk niet onder de pet houden. En we hebben er ook direct bij gezegd dat we meer onderzoek doen dat hopelijk snel meer zicht biedt op hoe nu te handelen.’

Kippen zijn dol op regenwormen, en dat zou weleens wat kunnen verklaren.

Het belangrijkste vraagstuk is natuurlijk hoe het kan dat er in de eieren van hobbykippen zo veel pfas zitten. En in die van de commerciële kippenhouder, ook van vrije uitloopkippen, aanzienlijk minder. In het voorjaar heeft het RIVM daarvoor al een hoofdverdachte aangewezen: de regenworm. Die bestaat zelf uit weinig anders dan eiwitten en filtert constant grond en regenwater. En kippen in achtertuinen hebben ten opzichte van die in de bio-industrie aanzienlijk meer kans om zo nu en dan eens een piertje mee te pikken.

Als de regenworm inderdaad de belangrijkste bron is voor pfas-eieren, heb ik goede hoop dat de eieren uit mijn achtertuin niet gevaarlijk zijn. Ik heb de afgelopen jaren regelmatig de ren omgespit, waarna het krioelde van de pieren – sommige zelfs van het formaat kleine paling. Maar mijn kippen tanen er niet naar.

Om met meer zekerheid te weten waarom hobby-eieren vaak aanzienlijk meer pfas bevatten dan eieren van commercieel gehouden kippen, doet het RIVM op dit moment samen met een Duits instituut aanvullend onderzoek. Ze kijken welke invloed het heeft als kippen wel of niet vrij in de tuin mogen lopen. Welke invloed de bodembedekking van de ren heeft, de leeftijd van de kip en of er verschillen zitten in voeding.

Interessant is ook of en hoe de pfas-gehalten in eieren gedurende het jaar verschillen. In tegenstelling tot de kippenrassen die pluimveehouders houden, zoals de klassieke barnevelder, hebben veel hobbykippen bijvoorbeeld een ‘winterstop’: in de koude maanden leggen ze geen eieren. Boon: ‘Misschien is het wel zo dat de pfas zich gedurende de winter ophopen in de kip en er in de eerste eieren in het voorjaar daardoor meer pfas zitten dan richting het einde van de zomer.’

Naast de regenwormen kan de legfrequentie van hobbykippen dus een verklaring zijn voor het verschil in pfas-gehalte tussen de hobbykippen en die van de bio-industrie. Boon: ‘Het ligt voor de hand dat kippen die meer eieren leggen per ei minder pfas hebben.’

Over de vraag wat je nu moet doen met eieren die je niet meer eet, had Boon destijds niet echt nagedacht. Maar het beste is het om de eieren bij het restafval te gooien, zegt ze. ‘Dan worden ze verbrand bij hoge temperatuur. Een deel van de pfas zal daarbij kapotgaan. Gooi je ze in de biobak, dan blijft de stof in het milieu.’

Een vraag waarmee ik ook worstel: hoe moeten we het gezondheidsrisico van pfas-eieren nu wegen in het grote geheel? Immers: parallel met het toegenomen gebruik van pfas in de afgelopen decennia is ook de gemiddelde levensverwachting in Nederland sterk opgelopen. Werden we in 1950 nog gemiddeld 71,4 jaar oud, in 2023 was dat 83,3 jaar.

En hoe wegen pfas op tegen andere ongezonde gewoonten, zoals roken of drinken? ‘Die vraag kan ik helaas ook niet goed wetenschappelijk onderbouwd beantwoorden’, zegt Boon. ‘We weten daarvoor nog te weinig over de impact van pfas. Zo staat er betrekkelijk weinig vast over de gezondheidsgevolgen op de lange termijn.’ Maar, zegt Boon: ‘Mijn persoonlijke mening is dat roken aanzienlijk meer gevolgen heeft voor de levensverwachting.’

Wetenschappers komen wel steeds meer aan de weet. Zo wijst Frans onderzoek uit dat een verbod op het gebruik van bepaalde pfas zich langzaam vertaalt in lagere pfas-gehalten in het bloed.

Duidelijk is ook dat de pfas-gehalten bij vruchtbare vrouwen lager zijn dan bij mannen van dezelfde leeftijd. Waarschijnlijk doordat een deel van de pfas tijdens de menstruatie en ovulatie het lichaam verlaat. Boon: ‘Ik ben er ook vrij zeker van dat vrouwen die borstvoeding geven via de melk veel pfas uit hun lichaam krijgen. Maar ja, dat is vervolgens natuurlijk weer slecht nieuws voor de baby.’

De lopende onderzoeken moeten hopelijk eind dit jaar al meer duidelijkheid geven over manieren om je kippen zo te houden dat de eieren veilig zijn. Tot die tijd zijn kippenhouders natuurlijk altijd vrij om de eieren gewoon te blijven eten, benadrukt Boon. ‘Wij adviseren dat niet te doen, maar daar hoef je je niet aan te houden.’

Dat veel mensen dat ook niet doen, weet Boon uit eerste hand. Iemand uit haar kennissenkring heeft naar aanleiding van het nieuws dit voorjaar besloten geen eieren meer cadeau te doen. Ook eet ze geen gekookte of gebakken eieren meer. Boon: ‘Maar ze verwerkt ze nog wel in taarten.’

Een opvallende, niet per se logische tactiek. Maar het is met de pfas-eieren net als met zoveel dilemma’s waar je voor wordt gesteld als moderne mens die goed wil leven: het is één lange onderhandeling met jezelf.

Inmiddels is die onderhandeling ook voor mij begonnen. De envelop van Pfastest.nu bevatte een rood stoplicht, wegens een twee keer te hoge dosis pfos. Mijn voorlopige conclusie: in afwachting van verdere tips van het RIVM kunnen wij als volwassenen best af en toe een eitje uit de tuin eten. Pfas is toch overal. Maar Jelle moet zijn spieren maar oppompen met eieren uit de supermarkt.

Over de makers

Tjerk gualtherie van Weezel is verslaggever voor de Volkskrant

Jiri Büller fotografeert sinds 1995 voor de Volkskrant. Zijn specialiteiten zijn sport-, portret- en reportagefotografie.

Code en Vormgeving Adriaan van der Ploeg

Eindredactie Wout van Gils

Graphics Stefan Pullen

Productie Gabriel Eisenmeier, Peter de Greef en Geart van de Pol

Iedere Nederlander heeft pfas in zijn bloed. Hoe erg is dat?

Iedere Nederlander heeft pfas in zijn bloed, en vrijwel altijd in een dermate hoge dosis dat het effecten op de gezondheid kán hebben. Lees er hier meer over.

De industrie lijkt pfas-verslaafd. Kunnen we ooit nog zonder?

Het bloed van alle Nederlanders bevat pfas volgens het RIVM. Kunnen we niet zonder? De industrie zegt van niet, maar anderen zien prima alternatieven.

In het zuiden van Hongarije portretteerde fotograaf Dániel Szalai een reeks kippen met uitzonderlijke levens

Source: Volkskrant

Previous

Next