Home

Montere roman over een man die verknocht is aan zijn dorp

Fictie In Valavond van een nestblijver laat Rinus Spruit de hoofdpersoon heel zijn volwassen leven terug naar het nest fladderen.

Een roman over een onhandige, weinig sociaal begaafde man: dat is bepaald niet iets waar je van opkijkt in de Nederlandse literatuur. De eigenheimer met het minderwaardigheidscomplex heet ditmaal Maarten Kostwinder. Hij is een Zeeuw uit een dorp. Zowat zijn hele leven, van zijn vijfde tot zijn dood, staat chronologisch beschreven in Valavond van een nestblijver, de nieuwe roman van Rinus Spruit (1946). Net als eerder werk van Spruit is de roman sterk autobiografisch getoonzet.

Merkwaardig aan Valavond van een nestblijver is dat de vorm noch de inhoud verrast, en het personage dus ook niet, maar dat je toch wel, best wel, door wilt lezen. Ondanks de en-toen-en-toen-achtige structuur, de rechttoe-rechtaan stijl en de ouderwets aandoende vertelinstantie (een alwetende verteller). Hoe krijgt Spruit dat voor elkaar?

De toon is monter en makkelijk, in de goede zin van dat woord: dit schrijven is toegankelijk. Er staat bij Spruit vooral wat er staat. Dat klinkt saai, maar het kan droogkomisch uitwerken, zoals in deze dialoog: „‘Ik heb je nu goed leren kennen,’ zei ze, ‘en mijn conclusie is dat we niet bij elkaar passen.’ ‘Wat moeten we dan?’ vroeg Maarten. ‘Stoppen,’ zei Geesje. ‘Waarom dan?’ Geesje was een vrouw van weinig woorden. ‘Om alles,’ zei ze.”

Wat ook tot doorlezen noopt, is de ambivalentie die Maarten kenmerkt. Het lukt hem slechts met moeite om uit huis te gaan. Hij hangt vooral aan zijn moeder en zijn zus, maar denkt ook veel aan zijn vader, en blijft heel zijn volwassen leven terug naar het nest fladderen. Tegelijkertijd wordt hij gekarakteriseerd als een typische wegloper. Hij vertrekt van vriendinnen, van baantjes, van adressen. Hij is een „dwaalgast”, heet het ook, wat heel iets anders is dan de nestblijver uit de titel.

Blouse als talisman

Precies op momenten dat het wat al te saai wordt, gebeurt er bovendien iets wat je niet zag aankomen. Maarten gaat bijvoorbeeld weer daten. En natuurlijk is de eerste vrouw die op komt dagen op een afspraak meteen zijn type niet. Hij valt niet op haar. Het zal niets worden. Hup, afgedankt… of nee, toch niet. Juist deze vrouw, die overigens ook niet op hem valt, wordt belangrijk voor hem. Er ontwikkelt zich, vanuit het samen scrabbelen, een bestendige vriendschap. Maarten mist haar „deerlijk” als ze overlijdt. Hij stopt zelfs een blouse van haar in zijn tas, als „relikwie” maar ook als „talisman.” „Haar blouse gaf hem zelfvertrouwen”, schrijft Spruit dan ook nog. En toch raakt het je als je in het volgende hoofdstukje leest: „Er waren drie ganzen in het dorp. Al jaren liepen ze hetzelfde gangetje, dicht achter elkaar, alsof ze met een onzichtbaar touwtje aan elkaar verbonden waren. [...] En toen, ineens, liepen er maar twee ganzen meer.” Heel in het kort toont Spruit daar even extra wat rouw vermag. Er blijft voorgoed een leegte over, gansvormig in dit geval.

Er zit tenslotte toch een wending in de roman, die het perspectief op Maarten kantelt. Was hij, die zo verknocht is aan zijn geboortegrond, zijn dorp, zijn familie, werkelijk wel zo lief voor zijn ouders, zo hecht met zijn zus? Of is het een opgaaf voor zijn naasten om met hem te verkeren? Je staat er toch even van te kijken, als deze vragen rijzen. Gelukkig maar.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews

Source: NRC

Previous

Next