Hij was een rebel in een verscheurd land, met uitgesproken opvattingen. De Libanese artiest Ziad Rahbani werd niettemin gewaardeerd door politici van links én rechts. En lang niet alleen om de liedjes die hij schreef voor zijn moeder, de zangeres Fairouz.
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Amman.
Ze waren met honderden toegestroomd. Libanezen van alle leeftijden verzamelden zich maandag in de straten van Beiroet om een van ’s lands meest getalenteerde en geliefde artiesten uit te zwaaien. ‘Ziad, Ziad’, scandeerden ze, een liefkozing voor de man die afgelopen zaterdag op 69-jarige leeftijd overleed, theatermaker en satiricus Ziad Rahbani. Er werd geapplaudisseerd terwijl de rouwwagen stapvoets de stad verliet richting de bergen, waar hij in de namiddag werd begraven.
Rahbani was veel, heel veel dingen tegelijk. Componist, om te beginnen, maar ook theaterregisseur, links icoon, acteur, muzikaal vernieuwer, politiek satiricus en zoon, niet te vergeten, van de nationale nachtegaal Fairouz. Voor zijn moeder schreef hij tal van meezingers die decennia later niet weg te denken zijn uit het Libanese – of eigenlijk Arabische – collectieve geheugen. Voorbeelden zijn Kifak enta (‘Hoe gaat het?’) en Sa’alouni al-Nas (‘De mensen vragen’), onschuldig klinkende titels die in werkelijkheid raken aan Libanons donkerste jaren.
Want dat was Rahbani ook: exponent van de jaren zeventig en tachtig, waarin het land wegzonk in een bloedige, vijftien jaar durende burgeroorlog die tot op de dag van vandaag doorwerkt. Beiroet, de stad van zijn jeugd, raakte verscheurd tussen een christelijk-gedomineerd oosten en een islamitisch, pro-Palestijns westen. Elk kamp had zijn eigen, onverzoenlijke kijk op het land – het eerste pro-Westers, het tweede pan-Arabisch. Diezelfde scheur liep bij Rahbani door zijn familie. Zijn milieu was Grieks-orthodox, maar zelf sympathiseerde hij (zijn hele leven) met de Palestijnse zaak.
In 1976, het tweede jaar van de oorlog, richtten christelijke milities een bloedbad aan in het Palestijnse vluchtelingenkamp Tal el-Zaatar, vlakbij Rahbani’s ouderlijk huis. De pas twintigjarige componist, op dat moment al een nationale beroemdheid, vond het onverdraaglijk. Hij nam de gesprekken tussen de christelijke militieleiders (die plaatsvonden bij zijn ouders thuis) heimelijk op, waarna hij de bandjes aan de Palestijnse leiding gaf, en vervolgens naar het vijandelijke West-Beiroet verkaste – op dat moment een ongekende stap.
Datzelfde jaar kreeg Rahbani een populaire radioshow waarin hij alle krijgsheren op de hak nam, de christelijke voorop. Hij werd een rebel, een volkstribuun, een Libanese mix van Kees van Kooten en Boudewijn de Groot (‘Meneer de president, welterusten’), maar dan met de swagger en eeuwige sigaret van Serge Gainsbourg. Zijn meest beroemde theaterstukken, eveneens tijdens de oorlog gemaakt, leverden vondsten op die nu, generaties later, nog aangehaald worden.
Libanon heeft altijd veel nostalgie voortgebracht – romantische (en valselijke) mijmeringen over een vervlogen tijd waarin het allemaal pais en vree zou zijn geweest tussen de bevolkingsgroepen. Rahbani maakte er korte metten mee, en stal daarmee de harten van zijn toehoorders. ‘Geen nostalgie, alleen bijtend sarcasme’, vatte dagblad L’Orient le Jour zijn nalatenschap samen. ‘Geen droom, alleen snijdende helderheid.’ In een interview grapte hij dat zijn kiftende thuisland, gelegen op een scharnierpunt tussen Oost en West, terug te brengen viel tot ‘falafel gemengd met hamburger’.
Dat hij een overtuigd communist was, deed aan zijn populariteit nooit af. Ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van de Libanese communistische partij bracht Rahbani in 1985 een album uit met daarin het klassiek geworden Ana mush kafir. ‘Ik ben geen heiden’, zingt Rahbani in de door een Arabische luit (oud) begeleide titelsong, ‘maar honger is heidens / ziekte is heidens / armoede is heidens / en vernedering is heidens.’ Religie is, vrij vertaald, een oppervlakteverschijnsel. Het wordt door onze leiders misbruikt om ons tegen elkaar uit te laten spelen, terwijl werkelijk onrecht dieper gaat. In het huidige Libanon, waar politiek nog altijd een religieus-sektarisch jasje draagt, is dat onverminderd actueel.
Rahbani’s moeder, de nog veel beroemdere en inmiddels 90-jarige diva Fairouz (echte naam: Nouhad Haddad), trok tijdens de begrafenis alle aandacht van de fotografen, maar bleef van achter haar zonnebril haar gedistingeerde zelf. Moeder en zoon, hoewel muzikaal nagenoeg onafscheidelijk, waren qua karakter totale uitersten. Anders dan haar rebellerende zoon koos Fairouz tijdens de oorlog geen kant, en bleef ze altijd een enigmatische madonna waar iedere Libanees zijn eigen verlangens op kon projecteren.
Rahbani’s invloed op haar muziek valt niet te overschatten. De vroege liedjes van Fairouz staan bol van de hoogdravende plattelandsromantiek, zei journalist Jad Ghosn tegen The New York Times, terwijl Rahbani haar de weg wees naar een veel hedendaagsere stijl. Geïnspireerd door overzeese invloeden (Charly Parker, Dizzy Gillespie) maakte hij de liedjes van zijn moeder jazzier en menselijker, hetgeen volgens kenners een mix opleverde van ‘westerse harmonische strengheid en oosterse melancholie’.
Trouw aan zijn anti-imperialistische opvattingen belandde Rahbani in zijn nadagen in het ideologische kamp van de militante beweging Hezbollah, wat hem niet door al zijn fans in dank werd afgenomen, zonder dat dit overigens zijn erfenis overschaduwde. Veelzeggend is het feit dat nagenoeg iedere politicus in Libanon, van links tot rechts, de voorbije dagen zijn verdriet uitsprak. President Joseph Aoun bombardeerde hem – ietwat paradoxaal voor een overledene – tot een ‘levend geweten’, terwijl de premier hem een postume onderscheiding toekende.
‘Wie zal ons nu aan het lachen maken om ons eigen evenbeeld in de spiegel?’, vroeg een christelijke parlementariër zich af. Rahbani had met die uitspraak wel raad geweten. Maar de nar is dood. Zijn publiek blijft verweesd achter.
Bala wala shi (‘Zonder iets anders’). Zijn beroemdste liefdesliedje. Over de hoop met een meisje te zijn, zonder dat haar (religieuze) achtergrond ertoe doet.
Shou hal ayam (‘Wat een tijden’). Bijtende kritiek op armoede en onrecht.
Kifak enta? (‘Hoe gaat het?’). Eén van de beroemdste evergreens van Fairouz, geschreven door Rahbani aan het eind van de Libanese burgeroorlog.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant