Home

Kinderen hebben ruige speeltuinen nodig, waar je kunt klimmen, hutten bouwen en met modder klooien

schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.

Bij mij in de buurt komt in een al tijden leegstaand, immens horecapand binnenkort een indoor-speelparadijs voor kinderen tot 8 jaar. Een plek om met blokken te bouwen, met water te kliederen, te knutselen en te schilderen. Ouders kunnen dan lekker koffie drinken, terwijl de kleintjes werken aan hun fijne motoriek. Mijn god, verzuchtte ik, kunnen ouders dat zelf niet?

Kinderen een bak plastic bouwstenen geven, een emmertje water, kwasten, lijm en verf, hoe moeilijk is dat? Straks komen er nog plaatsen waar je je kind tegen betaling kunt laten voorlezen.

Een echte oma-reactie was dat van mij. Want nee, veel ouders kunnen dat niet: bouwen en knutselen. Ze hebben dat uitbesteed aan de opvang of aan de school. Of ze hebben er de fut niet voor, omdat ze beiden lange werkweken maken om het dure leven te bekostigen. Ouders beseffen ook dat het leuk voor kinderen is om zich uit te leven en te spelen met anderen. En dat het dé manier is om ze van hun schermpjes los te rukken. Vandaar de bloei van speelparadijzen en avonturenparken, binnen en buiten. Goedkoop zijn de tickets niet.

Buiten spelen, gewoon in de buurt, zonder je ouders en helemaal gratis, is er steeds minder bij. Kinderen zitten vaak binnen. Stichting Jantje Beton, al sinds mijn jeugd onvermoeibaar pleitbezorger van buiten spelen (ik zag bij die zielige naam altijd een ingemetseld kind voor me), laat er geregeld onderzoek naar doen. Een onderzoek uit 2024, door bureau Verian, laat zien dat kinderen tussen 6 en 12 jaar gemiddeld 7,2 uur buiten spelen; in 2022 was dit nog 9,9.

Slechts 21 procent van de kinderen speelt meer dan 10 uur per week buiten, en dan telt buiten spelen op school of de bso mee; 416 duizend kinderen spelen (bijna) nooit buiten. Spelen zonder volwassene in de buurt doet 32 procent nooit.

Onderzoekers peperen ouders geregeld in hoe slecht dat eenzame binnen zitten is: kinderen worden er dik van, het is slecht voor hun ogen, hun motoriek, concentratievermogen en sociale vaardigheden en het kan zelfs leiden tot angsten en depressie.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Ouderlijke angst voor ongelukken is een reden om de kinderen buiten als cipiers in de gaten te houden. Ik herken dat maar al te goed, dat panische risico mijden. Vaak heb ik mij voorgesteld hoe mijn (klein)kinderen of aan mij toevertrouwde kinderen een fataal ongeluk kregen, hun nek zouden breken bij een val uit een klimboom. Het besef dat een kind maar één keer dood kan, wint het altijd van de overtuiging dat vallen, schrammen, builen oplopen goed is voor kinderen.

Een onlangs verschenen ‘generatieonderzoek’ van Verian onder kinderen, ouders en grootouders vertelt waarom het buiten spelen gestaag is afgenomen. Speelde van de grootouders 73 procent meer buiten dan binnen, van hun kleinkinderen doet slechts 28 procent dat. Was voor de grootouders en de ouders ‘huiswerk’ de belangrijkste reden om als kind binnen te blijven, nu is dat ‘digitale speelmogelijkheden’. Bijna de helft van de kinderen zou vaker buiten spelen als er meer andere kinderen zouden buiten spelen en als er meer avontuurlijke plekken waren.

Die kinderen hebben gelijk: veel speelplaatsen, met hun rubberen tegels, klim-iglo’s, wipkippen en kapotte schommels zijn ontzettend saai. Ruige speeltuinen hebben ze nodig, waar je kunt klimmen, hutten bouwen en met modder klooien. Veilig, maar lekker eng. Die bestaan tegenwoordig wel, maar voor de meeste kinderen niet in hun buurt. Als er de komende tijd nu eindelijk gebouwd gaat worden, ontwerp dan meteen in elke wijk zo’n spannende speeltuin; die betaalt zich ruimschoots terug.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next