Joan Howell Dannatt vierde haar 100ste verjaardag met een overzichtstentoonstelling van haar schilderijen. Hoe kijkt deze Britse terug op de eeuw die achter haar ligt?
is correspondent Groot-Brittannië van de Volkskrant.
Goedlachs zit Joan op een lage stoel, naast een gat in het tapijt, in de woonkamer van haar ruim 180 jaar oude woning. Op de sofa waar de fotograaf heeft plaatsgenomen, zo vertelt de gastvrouw, stond in 1963 het bed waar haar zoon Adrian werd geboren, vijf jaar na zijn zus Clare. Tijdens een wandeling door de woning wijst ze op haar tuin. De bloesems, de bomen en de jasmijn bieden blijdschap, maar ook frustratie. ‘Ik wil zo graag het gras maaien, de planten verzorgen, in de aarde wroeten. Maar dat gaat niet meer. Met een hand moet ik ergens op steunen, een wandelstok of een rollator. Het nadeel van ouderdom.’
Wat doet u op een dag?
‘Elke dag begin ik met het leren van een gedicht. Nu ben ik met W.B. Yeats bezig. Wanneer Adrian hier verblijft, of Clare, dan doen we het samen. Ik ben gezegend dat ik een familie heb met dezelfde interesses. Poëzie is een ideaal begin van de dag. Op de oude dag is het verschrikkelijk belangrijk om dingen te doen die het leven verrijken.
‘Wanneer ik somber ben, dan ga ik zingen. Wij Welsh houden van zingen. Na een val drie jaar geleden waarbij ik mijn heup brak, ben ik een groot deel van mijn bewegingsvrijheid kwijt. Ik ging elke week met de auto naar een workshop om met andere kunstliefhebbers etsen af te drukken. Ik was daar de granny. Drie keer per week bezocht ik exposities. Dat alles mis ik, de stimulans van andere mensen. Gelukkig bezorgt de bibliotheek boeken. Laatst heb ik genoten van een boek over de artistieke Garman-zusjes.’
100 in het buitenland
De serie met interviews met 100-jarigen gaat deze zomer de grens over. In juli en augustus vertellen eeuwelingen uit onder andere Mexico, Turkije en Spanje over hun leven.
Hoelang woont u hier al?
‘Meer dan zeventig jaar. Toen mijn man en ik hier kwamen wonen, was het een vervallen, gevaarlijke straat. Het huis dat we voor minder dan duizend pond kochten, had twee jaar te koop gestaan. Indertijd woonden hier veel architecten, schrijvers en kunstenaars. In de voorbije decennia hebben de bankiers en advocaten de wijk overgenomen. Die werken in de City (het financiële hart van Londen, red.). Het gemeenschapsgevoel is een beetje verdwenen. Vroeger stelde een nieuwkomer zich voor aan de buren, dat gebeurt niet meer.’
Heeft u een verjaardagskaart van Buckingham Palace gehad?
‘Jazeker, de verjaardagskaart van koning Charles en Camilla stond aanvankelijk midden op de schoorsteenmantel, maar heb ik vervangen door de kaart die ik van de Mexicaanse schoonmaker kreeg. De koninklijke kaart viel tegen. Het was voorgedrukt en een beetje commercieel. Nee, het was geen reclame voor de rijke Britse traditie van het kaarten maken.’
Wat vindt u van het koningshuis?
Wel, ik ben koninklijk gezegend. Mijn moeder was met haar moeder, mijn oma, in de bioscoop toen ze weeën voelde. Ze haastte zich naar St Mary’s House in Hampstead, waar ik ben geboren, niet ver hiervandaan. Enkele dagen later kwam Queen Mary langs, de toenmalige koningin, voor haar jaarlijkse bezoek. Ze ontmoette mijn moeder en vroeg naar de pasgeboren baby. Met handschoenen raakte ze mijn wang aan. Ik barstte in tranen uit, zo is me verteld. Als republikein vond mijn vader mijn dramatische reactie geweldig.’
Wat was uw vader voor een man?
‘Een levenslustige, moeilijke en interessante persoonlijkheid, maar geen goede vader. Hij controleerde me. Elke brief, elk telefoontje. Mijn pa sprak veel, maar nooit over de Eerste Wereldoorlog. Drie van zijn broers waren aan het front gesneuveld. Hijzelf raakte door een kogel gewond aan zijn hoofd. Een van zijn wapenbroeders was Robert Graves, de oorlogsdichter. Hij noemt mijn vader in zijn oorlogsboek Good-Bye to All That.
‘Met zijn gedichten won mijn vader destijds een nationale poëziecompetitie in Wales. De prijs was een ‘bardic chair’, een eikenhouten troon. We hadden thuis lange tijd geen penny te makken, verhuisden geregeld en leefden heel sober. Die enorme stoel was de enige luxe, viel een beetje uit de toon.
‘Er was veel te beleven met mijn vader. Op een dag nam hij me mee naar een bijeenkomst van dichters in een pub te Hampstead. Ik mocht niet naar binnen en zat buiten. Mijn pa en Dylan Thomas kwamen naast me zitten. Dylan kwam erg dicht bij me, met zijn natte lippen. Erg onaangenaam. Ik excuseerde me en maakte me uit de voeten. Het was een wijze levensles. Ik leerde dat iemand die prachtige poëzie kan schrijven, zoals A Refusal to Mourn the Death, by Fire, of a Child in London, een onaangenaam mens kan zijn.’
En uw moeder?
‘Mijn moeder, een wiskundige, was degene die in het huis alles draaiende hield. Zij was zorgzaam. Een indrukwekkende vrouw.’
Hoe waren uw oorlogsjaren?
‘Die bracht ik grotendeels buiten Londen door, ver weg van de Duitse bommenregen. Ik werd naar Bedales gestuurd, een bekende school in Hampshire. Daar kreeg ik een vriendschappelijke relatie met een soldaat en dichter, Alun Lewis. Van mijn ouders en de school kreeg ik toestemming om wandelingen met hem te maken. Hij was eenzaam, miste zijn verloofde. We hebben uren en uren gepraat. De kunst van de conversatie was een gift van mijn vader.
‘Nadat Alun werd overgeplaatst naar Birma hielden we contact, totdat hij een einde aan zijn leven maakte. Jaren later heb ik zijn brieven weggedaan, omdat we zo klein woonden. Daar heb ik spijt van gekregen. Na Bedelas ging ik grafisch ontwerpen studeren in Reading. Tijdens mijn studietijd heb ik in een schroevenfabriek gewerkt, een deel van de oorlogsindustrie. Dodelijk saai werk, maar een goede ervaring. Alle meiden hadden een foto van hun vriendje op hun machine geplakt. Ik had een vriendje maar geen foto. Daarom plakte ik er een zelfportret van de Franse schilder Gustave Courbet op. Ze dachten dat dat mijn lief was.’
Was het na de oorlog makkelijk om werk te vinden?
‘Ik wist een baan te verwerven bij het reclamebureau J. Walter Thompson, waar ik kunstadviseur werd. Een deel van mijn charmeoffensief was een mooie Dior-jas die ik in de uitverkoop had gekocht. Ik kon gaan werken op het hoofdkantoor in New York, ware het niet dat ik tijdens mijn studie een vergadering van de jonge communisten had bijgewoond. Dat wisten de Amerikanen, met hun spionnen. Het was de tijd van McCarthy (onder leiding van deze Republikeinse senator vond in de jaren vijftig in de Verenigde Staten een heksenjacht op communisten plaats, red.).’
U bleef dus in Londen?
‘Ja, en daar trouwde ik met een jonge architect, Trevor Dannatt. Uniek voor die tijd was ik als vrouw de kostwinner. Het was niet makkelijk en toen de kinderen kwamen, moest ik het werk uiteindelijk opgeven. Trevor mocht de Britse ambassade in Saoedi-Arabië ontwerpen, waardoor hij jarenlang weg was en ik het opknappen van ons eigen bouwvallige huis moest overzien.
‘Mijn twee kinderen kregen gezondheidsproblemen. Clare had een schisis, en Adrian leed aan een ernstige hersenvliesontsteking. De ziekenhuizen hadden destijds rigide bezoekuren. Toen ze 3,5 jaar was, onderging Clare een zware operatie. Ik had beloofd bij het bed te zijn als ze bijkwam, maar dat mocht niet. Twee weken lang heeft ze me niet aangekeken, zo boos was ze. Dat deed me veel pijn. Met een aantal andere moeders heb ik in deze kamer een actiegroep gevormd. Na jaren van strijd hadden we succes. Nu kunnen ouders van jonge, zieke kinderen altijd naar het ziekenhuis. Dat is een van de dingen in mijn leven waarop ik heel trots ben.’
Wat waren zware momenten in uw leven?
‘Het overlijden van een kleindochter en de echtscheiding. Mijn echtgenoot ging ervandoor met een vrouw die dertig jaar jonger was, en dat viel me heel, heel zwaar. Tekenen, schilderen en etsen, dat bood troost in moeilijke tijden. Portretten, stillevens en landschappen, daar houd ik van. Vooral het platteland van Suffolk, waar we vaak op vakantie gingen. Ik leef op een dieet van herinneringen.
‘Nog steeds heeft het huis herinneringen aan Trevor, die vier jaar geleden op 101-jarige leeftijd is overleden. Het atelier bijvoorbeeld is door hem ontworpen. Bij de ingang van de tuin staat het huisnummer in het Arabisch.’
Nadat Joan 2,5 uur heeft gepraat, duikt haar zoon op. ‘Hoe staat het met de foto’s?’, vraagt hij, ‘en mama, heb je verteld over je communistische verleden?’ Na de fotosessie gaat de zoektocht in de lades en enveloppen naar oude foto’s gepaard met gekibbel tussen moeder en zoon. ‘Adrian, als jij nu met onze gasten gaat lunchen, dan ga ik rustig op zoek.’ Nee, ma, ik ga alleen lunchen als jij ook meegaat.’ Buiten kibbelen ze speels verder over de vraag of de Japanse pruim die over het tuinpad hangt wel of niet moet worden gesnoeid.
In het café neemt ze plaats aan haar vaste tafel, met de rug naar de muur (‘Dat is de beste plek voor hardhorenden.’). We eten erwtensoep met munt en truffels, gevolgd door een piccolo-koffie.
Welke verandering baart u zorgen?
‘De moderne technologie. Ik heb de opkomst van de computer gezien. Drie van mijn jeugdvrienden werkten aan een van de eerste computers, en die heb ik in Cambridge met eigen ogen mogen aanschouwen. Maar nu zie ik overal mensen, kinderen vooral, die de hele dag naar een scherm kijken. Dat is verschrikkelijk zorgwekkend. Zo veel jongeren zijn verslaafd geraakt. Sinds kort heb ik wifi thuis. Niet voor mij, maar voor mijn familieleden, die zich anders geen raad weten. Volgens mij zijn Adrian en ik de enigen zonder mobieltje.’
Geboren: 26 januari 1925 in Londen
Beroep: kunstadviseur, kunstenaar
Familie: twee kinderen, vijf kleinkinderen.
Gescheiden, oud-echtgenoot overleed in 2021.
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant