Voor Tadej Pogacar was de Tour dit jaar loodzwaar, hoewel hij fysiek in topvorm was. De komende jaren zal de grootste uitdaging zijn om de Sloveen, die hard op weg is de beste aller tijden te worden, gemotiveerd te houden.
schrijft voor de Volkskrant over wielrennen.
Langzaam is het lachen hem vergaan. De renner die als kind het ouderlijk huis in het Sloveense dorpje Klanec oplichtte met zijn vrolijke aanwezigheid, de clown in de familie van vier kinderen die dansend het gras maaide als zijn ouders hem daarom vroegen en ook in zijn latere leven als topsporter steevast wordt geroemd om zijn energieke en altijd positieve voorkomen, heeft na drie weken van slopende koers door Frankrijk dan eindelijk de grenzen van zijn mentale veerkracht bereikt.
Zelden zat hij er zo verdwaasd bij als afgelopen vrijdagavond, vlak na de laatste bergetappe in La Plagne, die hij waarschijnlijk had gewonnen als hij niet in een egoconflict met zijn Deense tegenstander verzeild was geraakt en de etappezege dan maar liet aan zijn bevriende collega Thymen Arensman.
Feitelijk had Pogacar de laatste beproeving die hem nog van zijn vierde Tour-zege had kunnen weerhouden doorstaan, maar op zijn asgrauwe gezicht was van opluchting of blijdschap geen spoor te ontwaren. In plaats daarvan reageerde hij geagiteerd en zelfs moedeloos toen een journalist hem vroeg waarom hij in de slotfase van de rit naar La Plagne de kilometers had afgeteld, zoals hij vlak daarvoor aangaf.
Pogacar lachte cynisch en legde zijn hoofd vermoeid op tafel. De beste wielrenner van zijn generatie, over een paar jaar waarschijnlijk de beste aller tijden, was doodop. ‘Natuurlijk ben ik moe’, verzuchtte hij. ‘Het is geen gemakkelijke Tour geweest. Vanaf dag één ben ik van links naar rechts aangevallen en moest ik steeds weer geconcentreerd en gemotiveerd blijven. Ik hoop nu alleen maar het geel veilig naar Parijs te brengen.’
Hoewel Pogacar vooral in de eerste twee spectaculaire weken van deze Tour in het heuvelachtige noordwesten van Frankrijk en daarna in de Pyreneeën als vanouds leek te spelen met zijn tegenstanders, door dansend op zijn pedalen naar vier etappezeges en evenveel minuten voorsprong in het algemeen klassement te koersen, kostte een defensievere slotweek hem veel energie.
Het past niet bij de inborst van een fladderende jongeman om met een hoger doel in het achterhoofd te handelen en in plaats van spelplezier een zo hoog mogelijk rendement na te streven.
Iemand die een nieuwe dag graag aanvalt in het naïeve vertrouwen dat het hoe dan ook wel goed komt, wordt niet graag omringd door mensen en omstandigheden die hem van die lichtvoetige levenshouding weerhouden. Die wordt chagrijnig, raakt leeg vanbinnen.
Maar misschien hoort wat meer rekenen bij volwassen worden, is op zijn 26ste de tijd aangebroken dat de spelende jongen in Pogacar naar de achtergrond verdwijnt, om plaats te maken voor een meer zakelijke versie van zichzelf, die bezig is te bouwen aan een plek bovenaan de eeuwigheidslijstjes.
‘Het klopt dat hij volwassen begint te worden’, beaamt Mauro Gianetti, een van zijn ploegmanagers, eind jaren negentig in opspraak geraakt vanwege dopingexperimenten op zichzelf. ‘Hij heeft deze Tour geleerd hoe hij energie moet sparen, defensief moet koersen. Hij dacht twee keer na voor hij ten aanval trok. Dat moet ook wel met zijn wedstrijdprogramma. Vergeet niet dat hij al op topniveau is vanaf februari tot nu. Sindsdien is hij maar drie dagen thuis geweest. Het beste is er wel een beetje af.’
Pogacar gaf na afloop van de zware, regenachtige ritten in de Alpen telkens aan dat hij naar het einde van de Tour snakte. Het brak hem duidelijk ook op om elke dag na een nieuwe uitputtingsslag als geletruidrager anderhalf uur lang de pers te woord te moeten staan, waarna een lange verplaatsing naar het volgende hotel volgde. Met Parijs erbij droeg hij 15 van de 21 ritten de leiderstrui, of ruim 71 procent van de Tour. Behalve een voorrecht is dat ook een loden last.
‘Ik denk niet dat ik hem ooit zo uitgeput heb gezien’, zegt Miha Hocevar, sportjournalist van de Sloveense krant Delo, die Pogacar al sinds zijn jeugd op de voet volgt. ‘Dit is een heel zware Tour voor hem geweest, veel zwaarder dan vorig jaar. Na het uitvallen van João Almeida in de negende rit had hij niet de ploeg meer om te kunnen domineren. Met Almeida erbij, de beste klimmer na Pogacar zelf, denk ik dat de derde week er anders zou hebben uitgezien. Dan had hij waarschijnlijk ook de bergetappes naar de Ventoux, Col de la Loze en La Plagne kunnen winnen.’
Fysiek was Pogacar deze Tour waarschijnlijk beter dan ooit. Sinds hij vorig jaar van trainer wisselde – na jaren samenwerking nam hij afscheid van de Bask Iñigo San Millán en ging hij werken met de Spanjaard Javier Sola – lijken de geringe zwakke punten die hij nog had te zijn weggewerkt.
Dat blijkt ook uit de historische klimrecords die hij verpulverde op de Ventoux en de beklimmingen naar Superbagnères en Peyragudes. Aan zijn explosiviteit viel weinig meer te verbeteren, maar nu hij ook zijn inspanningen van meer dan veertig minuten op beklimmingen naar boven de 2.000 meter heeft geoptimaliseerd, is hij praktisch onverslaanbaar. Zelfs pech weerhield hem niet van de gele trui.
Twee dagen na het uitvallen van zijn belangrijkste helper kreeg Pogacar een volgende tegenslag te verwerken toen de Noor Tobias Halland Johannessen hem in de straten van Toulouse van zijn fiets reed en hij zijn linkerheup en -arm lelijk openhaalde. Het peloton wachtte op de gehavende wereldkampioen, op initiatief van zijn tegenstanders bij Visma-Lease a Bike, een sportief gebaar waarvoor Pogacar hen zeer erkentelijk was.
‘We schrokken ons rot toen Tadej viel’, zegt Andrej Hauptman, de Sloveense oud-renner die Pogacar kent sinds diens 11de. ‘Ik vermoed dat hij meer pijn heeft gehad dan hij heeft laten blijken. Maar Tadej is niet iemand die graag praat over dingen die niet goed gaan. Hij blijft positief, ook voor de ploeg.’
Volgens Joxean ‘Matxin’ Fernández, zijn Spaanse ploegleider, is Pogacar deze Tour als leider opgestaan. ‘Een kampioen wint koersen, maar een leider is er voor de hele ploeg. Teamgenoten, stafleden, mecaniciens: hij geeft iedereen tijd en energie. Dat maakt hem een unieke renner en een prachtig mens.’
Gelukkig voor de Tour kon Pogacar na zijn crash verder, anders was de wedstrijd meteen onthoofd, gezien het gapende gat achter hem en Vingegaard: nummer drie Florian Lipowitz volgt op bijna acht minuten. Sinds de dominante Tourzege van Eddy Merckx in 1969 gebeurde het niet meer dat er zo weinig renners in het algemeen klassement binnen een uur van de winnaar konden blijven: twaalf slechts. Het geeft aan hoeveel beter Pogacar is ten opzichte van de rest.
De enige die hem tegenstand kon bieden was Jonas Vingegaard, maar ook die liep door twee slechte dagen, in de tijdrit naar Caen en de bergetappe naar de Hautacam, een achterstand op die hij nooit meer kon overbruggen. In het slot van de Tour leek hij gelijkwaardig en bleef hij er alles aan doen om het Pogacar moeilijk te maken.
Waar hij kon, vielen Vingegaard en zijn ploegmaten bij Visma-Lease a Bike de gele trui aan. Pogacar stuitte op een tegenstander die hem geen moment rust gunde, fysiek noch mentaal. Die tactiek van uitputting irriteerde hem vanaf het begin en hij uitte dat ook regelmatig. Zo vond hij het ‘nergens op slaan’ dat Visma hem in de relatief vlakke zesde rit al onder druk zette in de eerste 60 kilometer. ‘Misschien zijn ze de weg een beetje kwijt’, liet hij optekenen.
Een paar dagen later zaten de twee ploegen elkaar weer in de weg bij een ravitaillering. Matteo Jorgenson sneed Pogacar af toen hij een bidon wilde pakken, waarop de Sloveen op zijn beurt een duw uitdeelde. ‘Dit doen ze de hele tijd’, zei Pogacar na afloop.
Journalist Hocevar: ‘De stress van de Tour werd hem af en toe te veel. Dan riep hij iets waar hij misschien wat langer over had moeten nadenken. Maar hij voelt zich tegelijkertijd steeds zelfverzekerder. Waar hij vroeger dingen voor zich hield, spreekt hij zich nu gewoon uit.’
Er zijn mensen die denken dat Pogacar de afgelopen weken minder plezier had dan voorheen. De Franse sportkrant L’Équipe uitte kritiek op de Sloveen omdat hij vooral in de Alpen verveeld leek, alsof hij aan zijn eigen succes begint te wennen. Jeroen Swart, de Zuid-Afrikaanse head of performance van Team UAE-XRG, zei in een interview met diezelfde krant dat het de grootste uitdaging wordt om Pogacar de komende jaren gemotiveerd te houden.
Daarvoor heeft hij nieuwe prikkels nodig, zoals zijn deelname aan Parijs-Roubaix dit voorjaar, of een overwinning in de Ronde van Spanje volgende maand. Of hij daar daadwerkelijk opnieuw de degens zal kruisen met Jonas Vingegaard, hangt af van zijn herstel na de Tour. Pogacar: ‘Ik wil wel graag.’
Na de twintigste etappe zei hij dat hij zich wel degelijk heeft vermaakt deze Tour, vooral omdat hij zulke goede benen had. Hij keek er na de drieweekse uitputtingsslag simpelweg naar uit om naar huis te gaan, koffieritjes te maken in het achterland van zijn woonplaats Monaco, en heel even als gewone sterveling van de zomer te genieten. Dan keert die glimlach vanzelf weer terug.
Spektakel als nooit tevoren op de slotdag van de Tour de France, met de Belg Wout van Aert als glorieuze etappewinnaar, voor de tiende keer in zijn carrière. Voor het eerst sinds 1975 werd de beklimming van de Butte de Montmartre drie keer toegevoegd aan een koers die al decennia eindigt in een massasprint op de Champs-Élysées, een experiment geïnspireerd op het volksfeest van een jaar geleden tijdens de wegkoers van de Olympische Spelen. Al bij de eerste passage van die klim, 40 kilometer voor het eind, werd duidelijk dat het dit jaar anders zou lopen.
Niemand minder dan Tadej Pogacar sprong in zijn gele trui op de kasseien van de Rue Lepic mee met demarrages die door publiekslieveling Julian Alaphilippe werden ingezet. Pogacar hoefde niet mee te doen aan al dat geweld, omdat organisator ASO vanwege de regen en de spekgladde wegen in Parijs had besloten om vanaf de Butte geen tijdsverschillen op te nemen. Op die manier werden klassementsrenners beschermd en had Pogacar de Tour al gewonnen. Hij moest alleen wel overeind blijven. Maar rustig uitbollen, zoals Jonas Vingegaard deed, zit duidelijk niet in zijn aard.
Pogacar ging op de laatste keer Montmartre aan kop, maar werd nota bene op de steilste stukken overklast door Van Aert, die na een tegenvallende Tour voor de tweede keer won op de Champs-Élysées. ‘Het was een speciale dag en speciaal om hier opnieuw te winnen’, zei Van Aert na afloop, die het opwindende sluitstuk van de Tour duidelijk een geslaagd experiment vond.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant