Zolang de voetbalbond KNVB geen normen stelt, blijft homofobie in het voetbal normaal en moeten homoseksuele en bi mannen hun ware identiteit verbergen.
Binnen vijf minuten hoorde ik een medetoeschouwer minstens tien keer ‘vuile homo’, ‘pisnicht’, ‘flikkertje’ of iets anders met dezelfde lading brullen. De rest van de tribune grinnikte of knikte instemmend. Het was tijdens de eerste helft van Ajax – Go Ahead Eagles in februari van dit jaar. Waarom het me juist dit keer zo raakte, kan ik niet precies zeggen. Het is niet alsof zoiets anders nooit voorkomt in een voetbalstadion en bovendien zong ook ik vroeger gedachteloos mee met spreekkoren als ‘alle boeren zijn homo’s’. Deze uitbarsting deed pijn, maar ik hield mijn mond. Ik wilde de sfeer niet bederven.
Het afgelopen halfjaar deed ik, in het kader van mijn sociologie thesis aan de Vrije Universiteit, kwalitatief onderzoek naar hoe spelers de inclusiviteit en diversiteit binnen het Amsterdamse amateurvoetbal ervaren. Hierbij heb ik nadrukkelijk ingezoomd op de heteronormatieve structuren en de positie van queer mannen in deze wereld.
Dat het een masculiene omgeving is waarin heteroseksualiteit de norm vormt, zal voor de meesten geen verrassing zijn. Maar er is nog veel te weinig erkenning en bewustzijn als het aankomt op de manieren waarop uitsluitingsmechanismen er worden geaccepteerd en gelegitimeerd, en daarmee in stand worden gehouden.
Over dit auteur
Kobus Groenteman is amateurvoetballer en jeugdtrainer. Hij is onlangs afgestudeerd in sociologie, waarvoor hij onderzoek deed naar diversiteit en inclusie in het Amsterdamse mannen amateurvoetbal.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Seksuele diversiteit is vrijwel volledig onzichtbaar in het Amsterdamse amateurvoetbal: queer mannen kiezen ervoor om geen deel uit te maken van de voetbalwereld, of doen het wel maar verbergen dat aspect van hun identiteit. Zelf behoor ik tot die laatste groep. Van jongs af aan speel ik fanatiek amateurvoetbal, ben ik seizoenkaarthouder bij Ajax en het afgelopen seizoen was ik trainer van een jeugdteam.
Ik heb een grote liefde voor de sport ontwikkeld en voel me bovendien geaccepteerd en op mijn plek. Desondanks is de laatste jaren iets gaan wringen; vragen die ik eerder vermeed, of wegdrukte, hebben een rol van betekenis gekregen. Hoe komt het eigenlijk dat ik het onderwerp van mijn biseksualiteit nog nooit ter sprake heb gebracht tijdens het voetbal, terwijl ik daarbuiten comfortabel en open over mijn geaardheid ben?
In het amateurvoetbal heerst een sterke mate van voorwaardelijke acceptatie, zo blijkt uit de bevindingen van mijn onderzoek. Er zal niet snel gezegd worden dat homo’s niet bij een voetbalteam mogen of dat een afwijkende seksuele voorkeur niet getolereerd wordt. Tegelijkertijd wordt wel hardop uitgesproken dat het ongemakkelijk zou zijn om de kleedkamer met een queer man te delen en dat die niet te dichtbij moet komen. Hiermee wordt de homo bij voorbaat weggezet als bedreigend en grensoverschrijdend.
Er wordt verwacht dat de queer teamgenoot ‘zich normaal gedraagt’ (dus: als een masculiene hetero man), niet spreekt over ‘privékwesties’ (lees: queer romantiek) en ‘er een geintje van kan maken’ (oftewel: meelacht om homofobe grappen). De mogelijke gevolgen als je je niet conformeert aan deze heteroregels zijn buitensluiting, pestgedrag en sociale isolatie.
Uit rapporten van de KNVB, het Sociaal Cultureel Planbureau en de overheid blijkt dat er volop bewustzijn is over het maatschappelijke belang van voetbal, de potentiële verbindende kracht ervan en de positieve invloed op sociale cohesie. In deze rapporten is echter nauwelijks aandacht voor de positie van queer mannen: hun ondervertegenwoordiging wordt niet vermeld en wat betreft homofobie wordt enkele keren, weinig concreet, gesteld dat ‘discriminerende spreekkoren en gedragingen niet getolereerd worden’.
Een van de redenen dat er zo weinig aandacht is voor de onzichtbaarheid van seksuele diversiteit, is de veelgehoorde aanname dat ‘homo’s niet van voetbal houden en hun interesses nou eenmaal ergens anders liggen’. Los van het feit dat het problematisch is om alle queer mannen over één kam te scheren, miskent deze verklaring volledig de eerder beschreven homofobe machtsstructuren binnen het voetbal.
De verantwoordelijkheid voor uitsluiting wordt zo naar de gemarginaliseerde groep verschoven, waardoor het onschuldige en neutrale zelfbeeld van de dominante groep in stand blijft – een mechanisme dat sociaal en cultureel antropoloog Gloria Wekker in de context van racisme ‘witte onschuld’ noemde.
Waar behoefte aan is, is heldere normstelling. Ik begrijp als geen ander dat homofobie diepgeworteld en hardnekkig is en dat het niet vandaag of morgen verdwenen zal zijn. Toch is het onzin om te stellen dat er niets tegen ondernomen kan worden en het is beschamend hoe weinig er momenteel tegen gebeurt.
Zolang er aanhoudend en achteloos met de woorden ‘homo’ en ‘flikker’ gescholden wordt, zonder dat er een waarschuwing, berisping of sanctie volgt, is het ondenkbaar dat iemand zich uitspreekt tegen dergelijk homofoob taalgebruik. De passieve houding van de Nederlandse voetbalbond KNVB, clubs en andere instanties – het stilzwijgend accepteren van dit structurele probleem – doet nog meer pijn dan de homofobie zelf.
Juist omdat voetbal zo prachtig en belangrijk is, wil ik de instanties met de macht en middelen oproepen om dit probleem te erkennen en ook met concrete acties te bestrijden. Voer een nultolerantiebeleid in voor homofoob taalgebruik op en rond het voetbalveld, ondersteund door een landelijke campagne en duidelijke instructies voor clubs, trainers en officials. Dat zou een begin zijn.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant