Ilja Gort (74) liep binnen als componist van reclamedeuntjes, dertig jaar geleden kocht hij er een Frans chateau met wijngaarden van. Nu geniet hij bekendheid als wijnmaker, schrijver en tv-persoonlijkheid. ‘Ik ga graag tegen de regels in. Ik ben tegendraads, onhandelbaar.’
Door Sara Berkeljon
Fotografie Desiré van den Berg
Op het appbericht met het voorstel om voor een interview richting Bordeaux te komen, reageert Ilja Gort binnen vier minuten. Met een video. We zien zijn laptopscherm, daarop het zojuist door hem ontvangen interviewvoorstel. Gort draait de camera naar de immense tuin, naar het kabbelende beekje. Op een tafeltje, gemaakt van een boomstam, staat een kop koffie. De camera draait de andere kant op, we zien het chateau met grijsblauwe luiken. De stem van Gort: ‘Nou, het lijkt me hartstikke leuk om met jou bij dit beekje te zitten, een kopje koffie te drinken, onder de struik door naar het chateau te kijken en dat jij dan probeert me allerlei uitspraken te ontlokken waardoor ik later de haren uit m’n kop trek van de spijt.’
Stem van Caroline d’Hollosy, zijn vrouw, in beeld met een laptop op schoot: ‘O jee.’
Gort: ‘Dus kom maar door.’
De ‘blauwe kamer’ in het chateau wordt in orde gemaakt. Gort appt: ‘Het kosteloze logies is inclusief feestontbijt, wijnboerenlunch, avondmaaltijd aan een tafel die doorbuigt onder de heerlijkste spijzen, besprenkeld met de fijnste wijnen uit het schatkamertje van de wijnboer, dansen onder de sterren en gegarandeerd smeuïge oneliners van de kasteelheer.’
Gort (74, zelf houdt hij vol dat hij 59 is) begon in de jaren zestig als drummer, werd muziekproducent en daarna succesvol reclamecomponist. Hij is verantwoordelijk voor evergreens als ‘Randstad Uitzendburoohóó’, ‘Duo Penotti, twee kleuren in een potti’, ‘Nationale Nederlanden, wat er ook gebeurt’, en componeerde een tune voor Nescafé die wereldwijd werd gebruikt. Het reclamegeld gebruikte hij om in 1994 voor 5 miljoen francs een 13d-eeuws chateau met twaalf hectare wijngaarden te kopen. Hier spendeert hij ongeveer de helft van zijn tijd, de andere helft brengt hij door in zijn woning in de binnenstad van Amersfoort.
In de auto, onderweg van het treinstation van Saint-André-de-Cubzac naar Saint-Romain-La-Virvée, waar het chateau ligt, vertelt hij over de andere kastelen die hij had bezichtigd. Daar was steeds iets mee: de wijngaarden lagen aan de overkant van de weg, of het chateau lag in een dal. ‘En dat moet niet, want dan kijken ze op je neer.’ Toen hij hier de oprijlaan op reed, voelde hij dat ‘alle dingen klopten’. ‘En dan ben je dus: de lul.’
Naast de oprijlaan staan een stuk of zes auto’s geparkeerd, van toeristen die deelnemen aan een wijnproeverij. Het wijnbedrijf – 400 duizend flessen per jaar, zegt Gort, verkocht bij Albert Heijn, deels in de wijngaarden rondom het chateau geproduceerd en deels in gepachte wijngaarden in de Languedoc – runt hij sinds enkele jaren met zijn zoon. Het merk La Tulipe, waar het ooit mee begon, verkocht hij een jaar of tien geleden voor 70 procent aan een Franse partner. Die samenwerking verliep niet naar verwachting (Gort kan er weinig over zeggen, ‘anders krijg ik een claim van een miljoen’) waarna hij ook de resterende 30 procent afstootte. Het gevolg was dat Gort geen La Tulipe-wijn meer mocht verkopen en voor zijn eigen wijn een nieuw merk moest bedenken. Dat werd Gort & Gort.
Zoon Klaas, uit een eerder huwelijk (hij heeft uit een andere relatie ook nog dochter Bo, die in Schotland woont), wordt door Gort aangeduid als ‘mijn zoontje’, ook al is Klaas een boomlange verschijning met een imposante baard. Klaas bestiert het wijnbedrijf, zodat Gort tijd overhoudt voor andere activiteiten: het maken van televisieprogramma’s en het schrijven van boeken – zijn laatste, Chateau Migraine, haalde onlangs plaats 8 in de bestsellerlijst. Meriam, de vriendin van Klaas, is verantwoordelijk voor de bed and breakfast, de wijnproeverijen en rondleidingen. ‘Wijnboerenminnares’ Caroline (zij is echt 59), al 22 jaar zijn vriendin en sinds vijf jaar zijn echtgenoot, is grafisch ontwerper en maakt wijnetiketten, boekomslagen en merchandise. Er zijn T-shirts, tassen, glazen, kurkentrekkers, kaasplanken, er is zelfs een Gort & Gort-‘wijnboerenkwartet’. Op het chateau wonen ook kleinzoon Charlie van 3, kippen, een haan, golden retriever Picard en schildpad Herman, die twee weken geleden werd gevonden in de wijngaard.
Het chateau was aanvankelijk een ‘vrijplaats’, een plek waar hij de druk van zijn werk in Nederland achter zich kon laten. ‘Hek dicht, alpinopetje op, en dan was ik meteen helemaal Frans. Ik verdiende mijn geld in Nederland met de muziek, dat bracht ik met karrenvrachten tegelijk hierheen om in dat zwarte gat te storten. Je kunt geen chateau als vakantiehuis hebben. Een chateau moet geld opbrengen. Gewoon, om selfsupporting te zijn, wat het inmiddels gelukkig is. Verder ben ik niet geïnteresseerd in geld. Of er heel veel van is, maakt me niet uit. Er moet wel voldoende zijn.’
Eerst moest Gort niets weten van toeristen op zijn chateau, maar hij liet zich ompraten door zijn zoon en schoondochter. ‘Toen Klaas eenmaal doorhad hoe het hier ging, zei hij: ‘Pa, je gaat failliet.’ Hij had gelijk, ik liep aan alle kanten leeg. We zijn rondleidingen gaan organiseren en wijn gaan verkopen. Ik vond het irritant, maar ja, die mensen kopen wijn, en je kan niet alle flessen zelf opdrinken.’
Voor Gort, die volgens zoon Klaas ‘in wezen geen sociaal persoon’ is, is het wennen. ‘Vroeger, voor we die rondleidingen organiseerden, stonden er soms onaangekondigd mensen voor het hek, die mij kenden van tv. Dan verstopte ik me achter een struik.’ Tegenwoordig loopt hij vaak even door de winkel als er toeristen zijn en gaat hij met ze op foto. ‘Vaak zeggen ze dat ik zo klein ben in het echt. Fred Emmer had daar ook last van. Die was nog een kop kleiner dan ik.’
Wie denkt dat Gort veel wijn drinkt, een ongeremd bourgondisch leven leidt, heeft het mis. Hij leeft gedisciplineerd: elke ochtend sporten, een halfuurtje op de loopband, een beetje klooien met gewichtjes. Hij eet geen vlees, soms vis en nauwelijks zuivel. In het boek Chateaukoken voor iedereen uit 2017 raadt Gort aan om uit het bakje friet in een restaurant maximaal vijf frietjes te kiezen om op te eten. Brood is onnodig maagvulsel, beter niet doen. Zelf ontbijt hij met fruit en eet hij verder vooral sla. Dan de wijn: Gort heeft zichzelf gerantsoeneerd op maximaal twee glazen per dag.
Zo ook vandaag. Bij de oesters maakt hij een fles Gort & Gort sauvignon blanc open. Eerst proeven. ‘Even kijken of wij dit willen drinken.’ Hij slurpt de wijn naar binnen. Moet hij zijn eigen wijn nog elke keer proeven? ‘Ja. Proeven in de zin van: heb ik hier nu trek in? Het antwoord is ja. Dit willen wij drinken.’ Hij schenkt de wijn in, zet de fles neer, laat zijn blik over de tafel glijden: de fles, naast de schaal oesters, naast een schaal met getoast stokbrood. ‘Op de een of andere manier kan ik het niet laten om een fotootje te maken.’
Caroline: ‘Voor de socials. Hij is altijd aan het werk. Daarom eten we meestal koude dingen. Omdat Ilja vaak foto’s wil maken, en omdat hij ook vaak tóch een andere wijn wil. Eén keer heeft hij in een restaurant drie keer een fles teruggestuurd. Vreselijk.’
Ilja: ‘Ik drink maar twee glazen per dag tegenwoordig, dan wil ik dat het de beste wijn is voor dat moment. En ik vind een foto maken geen werk. Ik vind die geroosterde broodjes gewoon mooi. Jij mag er natuurlijk niet op, Sara, maar mijn schatje wel.’
Caroline: ‘Je schatje wil er niet op.’
Ilja: ‘Het is toch leuk, zo’n broodje, met zo’n teentje knoflook ernaast? Later, veel later, komt er misschien een moment waarop je denkt: verdorie, ik heb een foto nodig van onze wijn naast een schaal oesters, geroosterde broodjes en een knoflookje. Stel dat je die foto moet gaan produceren, dan ben je wel effe bezig. Zijn we al begonnen met het interview? Ik wil de modus operandi weten. Ik vind jou een leuke vrouw, dus ik heb de behoefte om alles tegen je te zeggen. Maar ik wil niet dat er iets in de krant komt dat ik bij nader inzien niet gezegd had willen hebben. Hoe kunnen we dat vormgeven? Je wil on the record? Geef jij dan maar een sein als het interview begint. Ik wil dat het een stuk wordt waar de mensen iets aan hebben. Dat betekent dat we niet gaan zeuren over mijn moeder dit, of mijn vader dat. Bon appétit! Wat een lekkere oester, zeg. Top!’
Na het diner pakt Gort zijn laptop erbij. Even kijken of er iemand op X heeft gereageerd op de uitzending van Gort over de Grens, dat dagelijks wordt herhaald. ‘Iemand zegt dat hij mijn laatste boek heeft besteld. ‘Veel leesplezier’, zeg ik. En dan een duimpje. Eventueel kan er nog een hartje bij, en twee wijnglaasjes. Doen? Dan is zo’n man verguld. Hier zegt iemand dat het programma moet blijven. Die krijgt een ‘merci beaucoup’. Ik denk dat het goed is om mensen zelf te antwoorden. Er gaat alleen wel verrekte veel tijd in zitten. Nu hou ik ermee op. Laptop dicht. Klaar voor vanavond.’
Sinds 1994 is er aan het chateau ogenschijnlijk weinig veranderd. ‘De man die er destijds woonde, had niet het geld om het aan de binnenkant op te knappen. Gelukkig, want de meeste Fransen helpen al die oude gebouwen aan de binnenkant naar de kloten. Dan gaan ze houten balken wit verven en eeuwenoude plavuizen – uitgesleten door generaties aan voetjes, onwaarschijnlijk mooi, met een glanzend patina van de tijd eroverheen – eruit slopen omdat die niet ‘pratique’ zijn bij het schoonmaken. Als je ‘pratique’ wil, moet je geen chateau kopen, want het is een ramp.’
Een ramp is het bijvoorbeeld als de buitenmuur rondom het chateau afbrokkelt en je er een nieuw stuk aan moet laten bouwen. Kosten: 70.000 euro. ‘Voor een stuk muur! Dan denk je: waar eindigt dit? Ik heb in 1994 meteen een timmerman in dienst genomen, dat is de grootste luxe die een mens zich kan wensen. Mijn vinger werd een soort toverstokje. Je wijst naar een loshangend luik, de volgende ochtend zit het vast. Geweldig. Zeker als je, zoals ik, zelf niets kan op dat gebied.’
Het eindigt nooit, het chateau verzint zelf wat er moet gebeuren. ‘In mijn ervaring is het zo dat de hoeveelheid geld die je verdient, zich vormt naar wat je nodig hebt. Het klinkt mal, maar dat is zo. Je gaat denken: o jee, dit moet gebeuren, dat kost zoveel, dan moet ik zorgen dat ik aan het geld kom. Je gaat werken, werken, werken, dingen verzinnen en op een goed moment kun je het betalen. Ik snap dat dit niet kan als je voor een baas werkt, maar als je ondernemer bent, voegt het geld zich naar jouw behoeften. Een veilige gedachte. Hoef je je nooit zorgen te maken. Dat neemt niet weg dat er af en toe wel een benauwd ogenblikje is.’
‘Ik wilde die man worden, en die man ben ik nu. Ik heb een auto zonder deuren, een Citroën Méhari. En een Volvo om mee van Nederland naar Frankrijk te rijden. Ik denk dat het gevoel van vrijheid mij aantrok, iets van: hoezo, deuren? Wars van wetten.’
‘Ja. Net als miljoenen Nederlanders verkeerde ik in de veronderstelling dat het in Frankrijk altijd mooi weer is en dat er alleen maar lieve mensen wonen. Dat dacht ik omdat ik het alleen kende van vakanties. Het klopt niet, maar ik vind het hier nog steeds fijn. De mensen zijn leuk, ze zitten zichzelf alleen in de weg. Ze hebben een minderwaardigheidscomplex. Fransen worden opgevoed met de corrigerende tik, waardoor ze het prettig vinden om, als ze zelf volwassen zijn, anderen te corrigeren, met het opgeheven wijsvingertje. Dat vinden ze heerlijk.
‘Die corrigerende tik heeft ook tot gevolg dat Fransen angstig zijn. Hebben ze wat bereikt, dan krijgen ze praatjes, maar ze zijn in wezen angstig. Nee zeggen is veiliger dan ja zeggen, dus welk woord ligt de Fransman als eerste in de bek? Non. Je komt in een winkel, je wil vragen of ze misschien batterijtjes hebben, maar voor je je zin af hebt gemaakt, is het al ‘non’. Ze zeggen liever meteen nee dan dat ze worden betrapt op het niet hebben van batterijtjes. Snap je? Ik generaliseer, maar ik zit er niet ver naast.’
‘Nee, want ik zeg altijd ja. Dat is mijn valkuil. Ik zou vaker ‘non’ moeten zeggen. En ik ga, in tegenstelling tot Fransen, graag tegen de regels in. Als iets voor mij klinkt als een gebod, ga ik uit reflex met alle vier mijn hoeven in het zand. Ik ben tegendraads, onhandelbaar. Ik heb pas laat geleerd, na mijn 40ste, dat je dingen van meerdere kanten kunt bekijken.’
‘Sááái. Ik vind: een beetje kerel heeft een chateau. Nee, dat is gelul, maar ik houd van die romantiek. Klaas was klaar met zijn studie in Londen, international business, en stond op de stoep. ‘Ik kom bij jou werken’, zei hij. Ik zei dat we dat niet gingen doen en zond hem heen. Ik vond dat hij op z’n flikker moest hebben van het leven, zoiets. Hij moest harden en ik kon dat niet doen, want ik hou te veel van hem. Hij ging weg, rare baantjes gehad, werd allemaal niets, en hij kwam terug. Toen moest ik wel ja zeggen. Ik vond het fantastisch dat ik mijn zoontje terug had. Als ik hem langs zie lopen, met dat grote, stralende gezicht, wil ik hem nog steeds op m’n knie trekken en hem aaien. Dat gaat niet, want hij is te groot. Gelukkig heb ik Charlie.’
‘Ik was drummer, daarna ging ik platen produceren. Ik maakte alleen maar flops, iedereen vond het kut, maar ik ben een vasthoudertje, dus ik ging door. Tot ik een plaat maakte die het deed, Don’t Come Stoned And Don’t Tell Trude, voor Max ’n Specs, die stond op 13 in de top-40. Daarna werd ik gevraagd om een spotje voor Randstad te doen. De reclame, dat was toen een vergaarbak voor mislukkelingen zoals ik, allemaal mensen die maar wat deden. Er waren geen wetten, geen regels. En de bomen, zij groeiden door en door, tot voorbij de hemel.’
‘O ja, het kon niet op. Moest er een kopje koffie gefilmd worden, dan gingen we naar Tahiti. Hoppakee, de hele crew in een vliegmachine.’
‘En elke keer dat het gebruikt werd, kreeg ik daar een geldje van, dus ik heb daar tijden comfortabel van kunnen leven. Dat zit allemaal in het chateau. Ik deed ongeveer 365 reclameklusjes per jaar, dat was mijn business. En toen kwam Nescafé. Ze zouden hun wereldwijde reclamebudget in één global campagne stoppen, componisten uit diverse landen mochten een tune pitchen. Vijf minuten was ik bezig. Ik belde een zangeres, ze zong het in, weg ermee. Toen kreeg ik een belletje: u is het. Ik had niet door hoe groot het was. Ik dacht gewoon: what else is new, ik win altijd, haha. Nee hoor, winnen blijft leuk.
‘Daarna dacht iedereen: die hangsnor weet hoe je een wereldomspannende hit moet maken. Ze kwamen van over de hele wereld naar mijn studio in Maartensdijk. O, meneertje, wilt u voor mij iets maken? Dan is het een kwestie van diepzinnig zwijgen. Zodat je overkomt als een genie. Ze wierpen zich aan mijn voeten en als ze geluk hadden, daalde ik een stukje af van de Olympus om te zeggen dat ik erover zou nadenken. Ondertussen had ik die tune in mijn hoofd al af. Maar je kunt niet tien ruggen factureren als ze weten dat je iets in vijf minuten hebt gemaakt.’
‘O ja, ik heb alles moeten leren. Ik was een verbaasd molletje, dat van onder de grond vandaan kwam. Maar ik ben heel nederig hoor. Ik vind nog steeds dat ik maar een boerenlul ben.’
‘Dat valt onder het kopje ‘op het goede moment op de juiste plaats zijn’. Ik had het chateau in september gekocht en daarmee kocht ik ook de oogst van dat jaar, en dit chateau maakte vieze wijn. Dus ik zat opgezadeld met 80 duizend flessen vieze wijn. Uiteindelijk heb ik die in Engeland verkocht aan Sainsbury’s. Daarna heb ik een andere wijnmaker in dienst genomen en zijn we rosé gaan maken.
‘Ik noemde het La Tulipe en ik vroeg Jan Cremer om een tulp te schilderen voor op het etiket, in ruil voor een percentage van de opbrengst. Het lukte me om een afspraak te krijgen bij Albert Heijn, dus ik kwam daar met mijn rosé. Niemand drinkt meer rosé, zei die man. Precies! Daarom is het zo’n goed idee! Maar toen ik Jan Cremer vertelde dat La Tulipe bij Albert Heijn verkocht zou worden, trok hij zich terug, want daar wilde hij als kunstenaar niet liggen. Ik kocht kwasten en verf, dat kon niet moeilijk wezen. Uiteindelijk heeft Klaas, die toen 6 was, iets in elkaar geklodderd.’
‘Ja, zo is het gegaan. Maar Jan Cremer zei dat ik plagiaat had gepleegd. Dat werd een rel, wat een geschenk uit de hemel was, want we wonnen het kortgeding en mijn etiket stond op de voorpagina van De Telegraaf. Kon niet beter. Cremer is altijd boos op me gebleven. Jammer, want ik respecteerde hem zeer.’
‘Ik maak televisie, schrijf boeken en verzin ideetjes. Dat is alleen maar leuk. En zodra iets niet leuk is, bijvoorbeeld een gesprek met de boekhouder, schuif ik het af op iemand anders. Ik vind vergaderen hinderlijk. Als ik een goed idee heb, wil ik dat iedereen het een goed idee vindt. Mensen moeten dan geen vragen gaan stellen over geld. Lazer toch op! Zie je dan niet dat het gewoon een goed idee is? Dat is het natuurlijk niet altijd, maar zo voel ik dat dan.’
‘Wijn met de merknaam Slurp, dat vond iedereen een kutidee. Lekkere wijn, verkocht voor de laagst denkbare prijs. Dat was het concept, dus het moest een simpele naam hebben: Slurp! Het paste niet in de wijnwereld, vond men, maar ik heb doorgezet. Net als met onze Bordogne-wijn. Daarvoor moesten we hier, in de Bordeaux, pinot noir-druiven planten en dat mag officieel niet. Iedereen was tegen, maar ik wilde zien wat er zou gebeuren als we het zouden doen. Nou, we kregen een behoorlijk lekkere wijn. Ze moeten er alleen niet achter komen, dan krijg je boetes en gaan ze je hele bedrijf doorlichten om te kijken wat je nog meer aan het konkelfoezen bent. Heel gevaarlijk. Je kunt ook gedegradeerd worden tot ‘vin de table’. Tafelwijn, hallo zeg.’
‘Omdat ik houd van stiekem geheime dingen doen. We zijn inderdaad betrapt, dus nu doen we het niet meer. We maken die wijn nu in de Languedoc, bij een bevriende wijnboer. Nog steeds een succes. Waar het om gaat, is dat ik graag out of the box denk, en dat ik nogal overtuigd ben van mezelf. Dat is niet altijd goed, want je moet kritisch naar jezelf blijven kijken.’
‘Het is de basis van elk succes. Dat je denkt: haha, dit doe ik makkelijk. Als je het gaat doen, ontdek je dat je het helemaal niet kan, maar dan ben je al begonnen, dus dan moet je door.’
‘Mijn vader had een eindeloos, op niets stoelend vertrouwen in mij. Verbijsterend. Want ik bakte er niets van, ik wilde niet deugen en toch bleef hij zeggen: Ilja komt er wel. Ik ben in de tweede van school getrapt, maar dat vond ik prima, want ik wilde drummer worden. Mijn vader vond dat ik moest gaan werken, dus dat deed ik, bij een drukkerij. Niets aan. Dat je ergens moet zijn, van negen tot zes. Toen wist ik: als dit werken is, wil ik nooit meer werken.’
‘Nee, toevallig. In de rock-’n-roll-tijd, ik was 19 ofzo, liet ik een baard staan. Je gaat je scheren, en denkt: wat als ik dat stukkie laat zitten? En wat als ik die punten nu eens helemaal laat doorgroeien?’
‘Stiekem is het inderdaad een baard. Maar dat wil ik niet. Ik wil dat het een snor is, zoals Confucius, zo’n lange. We noemen het een snor.’
‘Noodgedwongen. Ik dreigde 60 te worden en ik had toen een boekhouder van 60. Omdat ik geen boekhouder wilde worden, zei ik: ik doe het gewoon niet, ik blijf 59. Vanaf dat moment heb ik mijn verjaardag nooit meer gevierd. Als je 59 bent, merk je dat je lichaam een beetje begint in te storten. Je kunt niet meer elke dag een halve fles wijn drinken. Buitengewoon vervelend.’
‘Dan zou ik elke dag een heel lekkere halve fles wijn drinken. Sancerre, Chablis, Bourgogne, Bordeaux, Ripasso della Valpolicella. Ik vind dat zo lekker! Ach, ach, ach, wat vind ik dat lekker. Je proeft de eeuwen geschiedenis, de hamerslagen van de hoefsmid op het aambeeld, de steigerende paarden op de binnenplaats van het kasteel, de lange gangen vol barriques. Prachtig, prachtig, prachtig.’
‘Ja, want om wijn te maken heb je mensen nodig, en apparatuur, en druiven. In een andere volgorde. Je moet de wijn vinifiëren in goede apparatuur, het moet rusten in eikenhouten vaten. Dat kost allemaal geld. Dan moet er een fles omheen, met een etiket en een kurk of capsule. En accijns. En transport. Daarom kan wijn van 2 euro 50 never nooit lekker zijn. Impossible. Vanaf 5 euro zou je drinkbare wijn kunnen kopen, maar dat is nog niet altijd lekkere wijn.’
‘Een tientje heb je daar echt voor nodig. Dat is een ondergrens.’
‘Ja. Wij slagen erin om voor die prijs een goede wijn te maken. Je hebt hem gisteren gedronken. Lekker.’
‘Dat klopt. Mijn wijn voldeed aan de heersende normen, het was goede wijn, maar het was mijn smaak niet, want ik houd niet van wijn met een houten ondertoon. De eerste paar jaar was mijn wijn doortrokken van eikenhout. Gelukkig hebben we nu een fantastische, Amerikaanse, vrouwelijke wijnmaker, die niet alleen lief is, maar ook verstand heeft van pinot noir. Stoer wijf, een knaller. Ze kan ook nog op een trekker rijden. Groot voordeel is dat ze vrij zacht praat en ik haar niet versta. Door mijn carrière in de rockmuziek heb ik een beetje tinnitus opgelopen, dus ik versta slechts 70 procent van wat zij zegt, wat in gesprekken met vrouwen meestal gunstig uitpakt. En als ik echt zeker wil weten wat ze heeft gezegd, vraag ik het aan Klaas.’
‘Je moet vrouwen niet al te goed verstaan, vind ik. Anders raak je maar in de war. Wacht even, ik moet een klein telefoontje doen.’
Hij pakt zijn iPhone erbij, laat hem overgaan op speaker.
Stem van Caroline: ‘Schatje!’
‘O, liefje, heb jij misschien nog een kopje koffie voor Sara? En voor mij ook.’
‘Soms heb ook ik een dag waarop dingen niet willen lukken, natuurlijk. Maar ik vind alles kostbaar. Ik zit hier, kijk naar jouw ietwat bleke beentjes, naar jouw twinkelende oogjes, jouw haartjes. Misschien zitten we hier ooit nog eens, maar nooit meer zo, op deze manier. Dus daar geniet ik van. Ik zit hier toch maar mooi met jou, met op de achtergrond mooi wuivende paarse bloemetjes in de kleur van jouw blouse.’
‘Ach, wat is het allemaal mooi. Verbijsterend mooi.’
‘Waarschijnlijk niet. Hij is 5.000 keer ondertekend, stelt niks voor. Dat houdt me nederig.’
‘Nee, geen idee. Ik heb ook Gorts Wijnkwartier gemaakt, dat kostte niets, en ik verzon het ter plekke. Niet te veel wijn drinken, zei ik in latere afleveringen, want wijn kan schadelijk zijn. Eén glaasje per dag. Maar toch, het moest weg, vanwege de wijn. Want wijn is slecht, vindt de NPO. Een journalist schreef bovendien dat ik mezelf verrijkte door mijn wijn te promoten via dat programma. Daar kun je op allerlei manieren tegenaan kijken, maar ik vond dat een vervelende kutopmerking, die desondanks, vermoed ik, is geland bij de NPO.’
‘Ik schrijf geen boeken om mijn wijn te promoten. Ik schrijf ook geen wijnboeken, ik schrijf romans die over de wijnwereld gaan. In zekere zin is dat marktdenken. Mensen associëren mij met wijn, dus schrijf ik boeken die daaraan raken.’
Dan is het tijd voor de wijnboerenlunch, in gezelschap van de fotograaf. Alles wordt uit de kast getrokken. Op tafel staan garnalen, tomatensalade, drie soorten kaas, omelet, tabouleh met courgette, vier soorten brood, zalmquiche, Gort & Gort-borden, Gort & Gort-glazen en het complete assortiment aan Gort & Gort-wijnen. Caroline moet de iPhone erbij pakken en hem filmen als hij een fles alcoholvrije bubbeltjesrosé opentrekt. Hij presenteert de fles, met het etiket naar de camera toegedraaid: ‘Dit is GoGo Zero, de enige alcoholvrije wijn die te hachelen is, en ik laat nu even zien hoe je die moet openmaken. Namelijk door eerst te schudden, want champagne is als het leven zelf: het moet knallen! Hartelijk santé!’
Telefoon uit, er valt een stilte. Gort schenkt de glazen vol. ‘Bon. Nou, op ons. Prachtige lunch, maar wat zit er op die omelet?’
Caroline: ‘Een beetje paprikapoeder.’
Gort, quasikritisch: ‘Jammer. Nobody’s perfect, zullen we maar zeggen.’
Voor de foto’s kleedt Gort zich even om: T-shirt en korte joggingbroek worden verruild voor een Levi’s-spijkerbroek, gerepareerd met talloze lapjes, een giletje en een overhemd met korte mouwen. Al zijn kleding koopt hij op de rommelmarkt. Op zijn hoofd het bekende alpinopetje, uit de achterzak piept een rode boerenzakdoek. ‘Anders ben ik geen wijnboer.’
Bij de rondleiding lopen we langs een schilderij in de bibliotheek, Napoleon die op zijn steigerende paard de Alpen oversteekt, maar dan met het gezicht van Gort. Een cadeautje van Klaas. ‘Dat heeft hij laten maken om mij te pesten. Dit is zijn voorstelling van mij: een woesteling die headfirst overal induikt. Klaas is het tegendeel. Die gaat eerst nadenken, uitrekenen, afwegen, kan het wel, kan het niet. Klaas heeft ook niks met sociale media. Hij pest mij met mijn ijdelheid, met dat ik zo nodig moet.’
‘Een wanhoopsdaad. Ik had publiciteit nodig. Toen stond ik onder de douche, en ineens: paf. Ik ging mijn neus verzekeren, zoals Marlene Dietrich ooit haar benen had verzekerd. Ik kende een reclameman en die werkte voor AXA, een verzekeringsbedrijf. Mijn neus werd doorgelicht in het ziekenhuis. Nou, Gorts neus was toppo! Voor ik het persbericht had geschreven, had het ANP het al opgepikt. Nederlandse wijnboer verzekert neus voor 5 miljoen euro. Het ging de wereld over.’
‘Nee, dat was een impuls. Ik was woedend, omdat uit dat stukje dedain sprak voor de gewone mens. Als iemand mijn boek pulp vindt is dat prima, maar niet mijn lezer afzeiken. Dat gaan we niet doen, vriend. Dus toen heb ik een advertentie geplaatst en mezelf vijf sterren gegeven.’
‘Ja. Ik heb Ribbens nog weleens een mailtje gestuurd: sorry, ik gierde een beetje uit de bocht, zullen we een kopje koffie drinken? Dat wilde hij niet. Nou, oké.’
‘Grofweg wel. Ik vind vrouwen over het algemeen ook intelligenter, leuker, mooier en prettiger dan mannen. Ik vind mannen eigenlijk geen zak aan, enkele uitzonderingen daargelaten. Maar inderdaad, ik ben zelf die impulsieve man die overal met twee benen in springt.’
‘Dat is een goeie vraag. Misschien van boekenbloggers, of zo.’
‘O, oké.’
‘Zeker. De grote mannen hebben op voorhand al gewonnen. Die krijgen altijd de mooiste vrouwtjes. Kleine mannen moeten vechten om mooie vrouwtjes te krijgen. Het schijnt dat Napoleon helemaal niet zo klein was. Die was 1 meter 70, net als ik.’
‘Ik viel helemaal niet op dat type. Zij was een stoere meid met een parachutebroek en lompe schoenen. Ik val op een mooie blonde stoot met grote borsten. Maar zij banjerde mijn leven in en ik vond haar fantastisch. Zo slim, lief en toegewijd. Met name die intelligentie, daar viel ik op. Een domme vrouw kan nog zulke grote borsten hebben, daar is niets aan. Ik vind intelligente vrouwen machtig sexy. En Caroline is ongelooflijk intelligent. Dan zegt zij iets, en dan wil ik ertegenin gaan, omdat ik dat nu eenmaal altijd doe. Maar zij heeft bijna altijd gelijk. Ik was ooit een klootzak, een impulsieve eikel, zoals alle mannen. Niet verder denken dan je lul lang is. Dat veranderde toen ik haar leerde kennen, 22 jaar geleden. Zij heeft me met een banaan uit de boom gelokt en tam gemaakt.’
‘Zou kunnen, maar ik hou ervan om dat niet te vinden. Zíj heeft mij tam gemaakt.’
Je moet nooit bang zijn, wil hij nog graag zeggen. Je nooit laten weerhouden door de boekhouder. ‘Als je een goed idee hebt, en de boekhouder gaat zeggen dat het niet winstgevend is, dan zeg jij: nou en? Nooit luisteren naar nee-zeggers als je ergens in gelooft. Als ik iets leuk vind, vind ik iets leuk. En dan doe ik het ook. Headfirst.’
5 januari 1951 Geboren in Amersfoort
1967-1971 Drummer in After Tea
1980 Produceert Don’t Come Stoned And Don’t Tell Trude voor Max ’n Specs
1980 Begint als reclamecomponist
1994 Koopt chateau in Saint-Romain-La-Virvée, begint met wijn produceren
1995 Brengt wijn uit onder merknaam La Tulipe
2001 Verkoopt Gort Sound & Music
2004 Eerste boek Leven als Gort in Frankrijk
2012-2014 Wijn aan Gort voor Omroep Max
2014-2016 Gort à la Carte voor Omroep Max
2017-2024 Gort over de Grens voor AVROTROS
2018-2021 Gorts Wijnkwartier voor AVROTROS
2020 La Tulipe en Slurp overgedragen aan het Franse bedrijf Cordier, naamsverandering naar Gort & Gort
2021 Zoon Klaas krijgt de leiding over het wijnbedrijf en het chateau
2025 Twaalfde roman Chateau Migraine
Gort is in 2020 getrouwd met Caroline d’Hollosy. Uit twee eerdere relaties heeft hij een dochter, Bo, en een zoon, Klaas.
‘Gewoon schijt hebben aan alles. Die Fransen verstaan je echt wel, ze doen maar alsof van niet. Dat is hun aangeboren minderwaardigheidscomplex.’
Het leven: wat dachten we, wie waren we en hoe is het allemaal zo gekomen? Wijnboer Ilja Gort is altijd ambitieus geweest, maar alleen in de dingen die hij leuk vindt. En dat blijkt ook uit zijn fotoalbum.
Een Portugeser drankje dan port bestaat niet. Maar onder de wijnboeren is de nood zo hoog dat ze woensdag een grote demonstratie houden. Jongeren halen hun neus op voor de zoete wijn en intussen kopen enorme porthuizen het land. ‘Het zijn net schorpioenen.’
Source: Volkskrant