In een historische openbare zitting doet de hoogste Franse rechter vandaag uitspraak over de geldigheid van een lopend arrestatiebevel tegen de voormalige Syrische president Bashar al-Assad. De beslissing kan verstrekkende gevolgen hebben voor de manier waarop de internationale gemeenschap omgaat met (voormalige) staatshoofden die worden verdacht van oorlogsmisdaden.
is nieuwsverslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft met name over onderwijs.
Centraal in de zaak staat de vraag of Assad als staatshoofd immuniteit genoot. Als de rechter oordeelt dat dit niet het geval is, blijft het Franse arrestatiebevel juridisch geldig. Daarmee zou de weg worden vrijgemaakt voor een proces bij verstek vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij het gebruik van chemische wapens in Ghouta (2013) en Douma (2018).
Volgens onder meer de Verenigde Naties kwamen bij de aanval op Ghouta meer dan duizend burgers om het leven. De voormalige regering van Assad ontkent elke betrokkenheid, maar onderzoeken van de VN, OPCW en mensenrechtenorganisaties wijzen erop dat alleen het Syrische leger destijds beschikte over sarin, een zenuwgas, en de middelen om het in te zetten.
Mensenrechtenorganisaties beschouwen de zaak als een unieke kans om gerechtigheid af te dwingen, niet alleen voor Syrische slachtoffers, maar ook voor slachtoffers van grootschalige internationale misdrijven elders. Bevestiging van het arrestatiebevel zou een krachtig precedent scheppen voor de vervolging van andere leiders die worden verdacht van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, van Soedan tot Rusland.
Historische overwinning
De zaak kwam tot stand op initiatief van Syrische en internationale mensenrechtenorganisaties, waaronder het Syrian Center for Media and Freedom of Expression (SCM) en het Open Society Justice Initiative, die in samenwerking met Europese aanklagers bewijsmateriaal verzamelden. SCM-directeur Mazen Darwish noemt het feit dat er überhaupt een zaak is tegenover Reuters en AP News ‘een historische overwinning, niet alleen voor slachtoffers in Syrië, maar wereldwijd.’
Volgens de Franse advocaat Jeanne Sulzer, tevens medeaanklager in de zaak, genoot Assad tot voor kort relatief veel bescherming onder het internationaal recht. Staatshoofden konden niet worden vervolgd voor daden tijdens hun ambtstermijn, een regel die oorspronkelijk bedoeld was om internationale diplomatie mogelijk te maken. ‘Die vorm van immuniteit is bijna een taboe’, zegt Sulzer tegen AP. ‘Je moet wachten tot de persoon niet meer in functie is om te kunnen vervolgen.’
Immuniteit
De Franse justitie beroept zich op het principe van universele jurisdictie, dat nationale rechtbanken toestaat om ernstige internationale misdrijven te vervolgen, ongeacht waar die zijn gepleegd of wie erbij betrokken was. In deze zaak luidt de aanklacht tegen Assad: medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, vanwege het gebruik van chemische wapens.
Volgens het Openbaar Ministerie behoudt een president formeel immuniteit voor handelingen die tijdens zijn ambtstermijn zijn verricht. Mensenrechtenadvocaten betogen echter dat deze bescherming niet mag gelden voor uitzonderlijk ernstige misdrijven, die vallen onder het zogeheten jus cogens: fundamentele normen van het internationaal recht waaraan geen staat zich mag onttrekken. Daarbij speelt mee dat Frankrijk Assad sinds 2012 niet langer als legitiem leider erkent.
Groeiende druk
De zaak bouwt voort op eerdere stappen van de Franse justitie. In mei 2024 veroordeelde een Franse rechtbank drie Syrische functionarissen bij verstek tot levenslang voor misdaden tegen de menselijkheid, waaronder de verdwijning, foltering en moord op de Frans-Syrische student Patrick Dabbagh en zijn vader Mazen. Assad werd toen expliciet genoemd als eindverantwoordelijke, maar stond niet terecht. In de huidige zaak is hij wel persoonlijk aangeklaagd.
Ook elders in Europa groeit de juridische druk. In Duitsland werd in 2022 de Syrische ex-kolonel Anwar R. tot levenslang veroordeeld wegens misdaden tegen de menselijkheid in een gevangenis in Damascus. Het was het eerste proces ter wereld waarin Syrische staatsmisdaden via universele jurisdictie werden behandeld. In Zweden, Noorwegen en Oostenrijk lopen vergelijkbare onderzoeken, gebaseerd op getuigenverklaringen van Syrische vluchtelingen.
Een bevestiging van het Franse arrestatiebevel zou ook buiten Europa juridische impact kunnen hebben. Omdat Syrië geen partij is bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag, kan Assad daar alleen worden vervolgd als de VN-Veiligheidsraad de zaak formeel verwijst, een stap die in 2014 werd geblokkeerd door veto’s van Rusland en China. Juist daarom geldt de Franse zaak als een belangrijk alternatief juridisch traject.
Nederland
Ook andere juridische wegen worden bewandeld. In 2020 hebben Nederland en Canada Syrië aangeklaagd bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) wegens vermeende schendingen van het VN-Verdrag tegen foltering. Hoewel het ICJ geen individuen berecht, vormt de procedure een belangrijke aanvulling op internationale pogingen om gerechtigheid af te dwingen.
Syrië werd ruim vijftig jaar lang geregeerd door de familie al-Assad: eerst door Hafez al-Assad, die via een militaire coup aan de macht kwam in 1970, en vanaf 2000 door zijn zoon Bashar. Tijdens de Arabische Lente in 2011 braken protesten uit tegen het autoritaire bewind. Die escaleerden snel tot een bloedige burgeroorlog die volgens het Syrian Observatory for Human Rights aan meer dan 500 duizend mensen het leven kostte. Miljoenen Syriërs sloegen op de vlucht.
Na een langdurige opmars van rebellen werd Assad eind 2024 afgezet. Sindsdien verblijft hij in ballingschap in Rusland.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant