Home

Ivo de Wijs heeft genoeg prikkelende teksten geschreven om te kunnen zeggen: ‘Ik ben een bejaarde die zichzelf bezighoudt’

Hij is onlangs 80 jaar geworden en hoewel de schrijfgekte hem niet meer komt vermoeien, kan zijn einde hem niet boeien. Hij blijft – in eigen woorden – een onrustig, ongeduldig baasje. Nog altijd schrijft hij, zonder spijt, tegenwoordig met meer kalmte en aandacht.

is journalist en programmamaker. Hij schrijft interviews voor de Volkskrant.

Ivo de Wijs bewaart nog steeds het babyboek dat zijn moeder bijhield. ‘Memoires’ staat er op de zwarte kaft. Plechtig leest hij een fragment voor, tachtig jaar geleden genoteerd in het fijne handschrift van zijn moeder. ‘Hier moet ik altijd vreselijk van huilen: ‘Op vrijdagmiddag 13 juli 1945, een mooie zomerdag, werd ons eerste kind geboren. Een zoon van zes pond precies, hij schreide meteen en met dit eerste teken van leven kwam het grote geluk ons huisje binnen. Het bracht ons de grootste vreugde van ons leven, ons kind Ivo.’’

Ja, het ontroert hem nu weer. Onmiskenbaar het sentiment van ouder worden, van tranen die steeds losser komen te zitten.

Hij is inmiddels al veel ouder dan zijn ouders waren. Zijn vader werd maar 63, en zijn moeder 71. Terwijl hij zelf allerlei mankementen heeft gehad. Van hartklachten tot darmkanker. ‘En vorig jaar was het nog mis met de onderkant, met de hele afwatering. Toen hebben ze er een nier uitgehaald. Maar met één nier kun je prima leven, hoor.’

Zo lang mogelijk rekken

Ivo de Wijs was jarenlang een van de meest toonbepalende tekstschrijvers en cabaretiers van Nederland. Op 13 juli is hij 80 geworden. Echt een raar idee. 80 is iets voor oude mannetjes. Maar het leven bevalt hem nog altijd zeer. Aan doodgaan denkt hij in elk geval nog niet. ‘Ik ga het toch zo lang mogelijk rekken, dat bestaan hier. Niet alles werkt meer goed mee. Ook mijn vrouw zou gezonder moeten zijn. Maar ik heb het nog steeds erg naar mijn zin.’

De Wijs begon zijn carrière als leraar Nederlands. In die jaren begon hij ook met de eerste cabaretoptredens. Tijdens zijn studie kwam hij medestudent Pieter Nieuwint tegen. ‘Hij was de man die mij kon laten zingen, die goed kon componeren.’ Voor ze het wisten hadden ze samen een cabaretgroepje: Kabaret Ivo de Wijs. ‘Toen kwam er een andere richting in mijn bestaan. We hebben dat vijf jaar gedaan als amateur, tien jaar als beroeps.’

Kabaret Ivo de Wijs paste naadloos in de traditie van de jaren zeventig; met veel meerstemmig gezongen ensemblenummers, met fonkelende teksten en trefzekere beelden. Soms waren er daar maar een paar woorden voor nodig. Zoals in het lied De snelwegkat (‘je rijdt ’m op de snelweg plat’). Hun nummer Discriminatie bevatte zelfs een strofe die regelrecht klassiek zou worden.

En wie krijgt er weer de schuld?/ De debiele homofiele joodse neger met een bult.

‘Dat zou je nu nooit meer schrijven. Al is het nog steeds een goede tekst.’

Veertienhonderd liedteksten

Na Kabaret Ivo de Wijs schreef hij jarenlang voor anderen: van Jasperina de Jong, Paul de Leeuw en Lenette van Dongen tot Youp van ’t Hek, Jenny Arean en het Kinderen voor Kinderen-koor. In totaal schreef hij zo’n veertienhonderd liedteksten. En hij maakte oneindig veel gedichten; in de twintig jaar dat hij het radioprogramma Vroege vogels presenteerde, maakte hij voor elke uitzending minstens één vers.

Al kon hij nooit echt van de pen leven. ‘Dan moet je in Nederland Harry Mulisch, Maarten ’t Hart of Leni Saris heten. Ik heb heel veel gemaakt, maar er heeft nooit een bestseller tussen gezeten. Ik heb er altijd radio- en televisiewerk naast gedaan. Achteraf maar goed ook, want ik zag veel mensen die van de pen moesten leven in de kroeg verdwijnen. Die raakten allemaal aan de drank. Want als je alleen maar schrijft is dat een enorm eenzaam bestaan.’

Schrijft een goed vers zichzelf? Of moet je er veel energie in stoppen?

‘Als je jong bent, overkomt de poëzie je. Ik vind in oude schriftjes nog weleens krabbels terug waarvan ik denk: welke gek heeft dit geschreven? Maar die gek was ik. Kennelijk kwam die gekte mij toen gewoon aanwaaien. Dat houdt op een dag op. Gaandeweg word je traditioneler, rationeler. Ouder en saaier misschien ook wel. Dan overkomt het je minder.’

Is er een gouden regel bij het schrijven van een lied?

‘Zeker. Je moet van achter naar voren schrijven. Je moet weten waar je naartoe schrijft: naar de wegwezer, de doekvaller. Zoals: ‘ben je belazerd, ben je bedonderd’ uit Tearoom Tango van cabaretier Wim Sonneveld. Vaak hoor je bij beginnende poëten een eerste zin waarvan je denkt: dat is een mooie start. Maar daarna gaat het nergens naartoe en wordt het een wat saaie opsomming.’

Hij schrijft zelden meer in opdracht. ‘Het huidige cabaret zingt niet zo erg. De mensen die nog zingen en die ik leuk vind, Jan Beuving en Yentl en de Boer, maken bovendien zelf hun materiaal.’

Of anders Claudia de Breij?

‘Zingt ook, ja. Zij heeft dat merkwaardige nummer Mag ik dan bij jou? Ik begrijp wel dat dat scoort, want de gedachte is wel aardig. Maar ‘mag ik dan bij jou?’, ‘kom jij dan bij mij?’... dat kán niet. Of je zit hier bij elkaar, of je zit daar bij elkaar. Maar niet op twee plekken tegelijk.’

Moet je daar niet een beetje poëtisch overheen luisteren?

‘Ik denk het niet. Het moet wel een beetje kloppen. Verder is het een mooi nummer.’

Als je zoveel hebt gemaakt als jij, ga je natuurlijk ook in je eigen schaduw schrijven.

‘Dat was het geval bij Vroege vogels. Ik begon elke uitzending met een nieuw gedicht. Veel van die gedichten zijn door de gang van het jaar verplichte nummers: er moest een kerstgedicht zijn, een lentegedicht, een vakantiegedicht, een Moederdaggedicht. Mijn vrouw Elleke zei weleens: ‘Ivo, dat kerstgedicht heb je wel eens beter geschreven’. De kerstmaterie is dan toch een beetje op.’

Dus schrijven is moeilijker naarmate je meer gemaakt hebt?

‘Echt makkelijk heb ik het nooit gevonden. Al blijft schrijven een heel fijne bezigheid. De enige momenten waarop ik een beetje geduld heb in mijn leven zijn de momenten waarop ik schrijf. Verder ben ik een onrustig, ongeduldig baasje.’

Ga je er echt voor zitten?

‘Zeker. Ik zeg altijd: katten en kinderen de kamer uit. Een goed moment is 12 uur ’s nachts. ‘De Muze komt precies om 12 uur’, heb ik wel eens geschreven. De wereld is ’s nachts zo heerlijk rustig. De telefoon gaat niet meer, mijn vrouw is naar bed. Dan treedt er een zekere rust in. Bovendien voel je ’s nachts een lichte druk. Ik leerde van Jules de Corte dat je nooit naar bed moet gaan als het nog niet af is. Anders lig je maar te malen. Dus als je nog wilt slapen, moet je wel een beetje doorzetten.’

Cabaretnummers waren vroeger vaak enorm lang. Guus Vleugel maakte wel nummers van acht coupletten.

Mijn teksten waren vroeger ook langer. Ik werkte toen op grotere vellen, nu op A4’tjes. Dat is beter. Toen Jasperina de Jong ooit een overzichtsprogramma deed, zei ze: ‘ik wil ook flink wat van Vleugel doen’. Terecht natuurlijk, want die heeft veel van haar grote hits geschreven. ‘Maar ik ga ze wel allemaal inkorten’, zei ik toen. Vond ze prima. Er heeft geen haan naar gekraaid.’

Had je dat gedurfd toen hij nog leefde?

‘Dat had ik nooit gedaan zonder overleg natuurlijk.’

Wat vind je echt een geslaagd nummer van jezelf?

De seizoenen (dat hij schreef voor Jasperina de Jong en Lieuwe Visser, CV) is goed gelukt. ‘De seizoenen komen terug, de jaren niet’ blijft een mooie zin. En toch wil je die niet steeds laten terugkomen. Dat is saai. Dus van de herfst heb ik iets langers gemaakt. En dan komt aan het eind weer de vaste structuur terug. Met een extra slotregel. ‘Er zal bloesem komen die je niet meer ziet’. Ook een beeld dat goed is. Herkenbaar en niet te ingewikkeld.’

Heb je ook wel eens iets gemaakt waarvan je achteraf dacht: dit was helemaal niet goed?

Hij begint te lachen, met gierende uithalen. ‘Ja natúúrlijk! Ik heb ooit voor Jasperina een programma geschreven dat Thuis best heette. Ik mocht dat hele programma schrijven, maar dat kon ik nog helemaal niet. Er zaten een paar nummers in die wel leuk waren, maar er waren ook veel nummers bij waar ik langer over na had moeten denken. Jasperina in een wielren-outfit op een racefiets – in een lied dat Sprint heette – was een leuk gezicht, maar het lied leidde nergens heen: de finish kwam maar niet in zicht. Dat is een programma waar ik bepaald niet trots op ben. Als je achterom kijkt zie je toppen en dalen. Je hoopt natuurlijk dat je alleen maar toppen schrijft, maar je blijkt je leven lang aan een berglandschap gewerkt te hebben.’

Wat blijft er over van die teksten?

‘Dat weet je niet. Bij heel grote talenten als Willem Wilmink en Drs. P zie je dat hun werk nog weleens wordt schoongekrabd. Daar gebeurt dan weer iets mee. Ik zit in het Heen- en Weerschap, dat het werk van Drs. P beheert. We doen ons best om zijn werk onder de aandacht te houden.’

De Wijs heeft net nog een korte Drs. P-tournee achter de rug, die hij presenteerde. Toch best vermoeiend. ‘De presentator moet altijd een beetje in de coulissen staan en kijken of het wel goed afloopt.’ En ja, net die ene keer dat een van de acteurs zijn tekst kwijtraakte was hij in de kleedkamer. ‘Daar had ik enorm de pest over in. Want ik had die tekst wel geweten.’

Drs. P was een absolute grootheid in het tekstdichtersvak. Niet voor niets is er onlangs een brug in Weesp naar hem vernoemd. Omdat hij de enige was die wist te rijmen op ‘Weesp’.

Hep is niep liperair, wap u hier leesp/ Maar rijmp dan poch maar smeppeloos op Weesp

‘Op light verse-gebied is zijn bundel Antarctica een hoogtepunt. Hij neemt steeds twee bestaande regels en voegt er dan zelf iets aan toe. Hij begint bijvoorbeeld met beroemde regels van de dichter Kloos.

Ik ben een god in diepst mijn gedachten./ En zit in het binnenst van mijn ziel ten troon./ Maar verder ben ik helemaal gewoon/ Met haaruitval en spijsverteringsklachten.

De Wijs grijnst, van oor tot oor. ‘Dat vind ik geniaal. Hij was een Zwitser, maar als ik een Nederlands taalprobleem had, dan belde ik hem op: Heinz, hoe zit dat in elkaar? Hij was nog opgeleid in de naamvallen. Die heb ik natuurlijk niet meer gehad. Ik erger me nog steeds als mensen ‘wiens’ en ‘wier’ door elkaar halen. ‘Die vrouw wiens vader...’ Nee, nee, nee! Die vrouw wíér vader! Ik blijf een oude leraar Nederlands.’

Of is dat gewoon de taal die verandert?

‘Het is ook wel de taal die verandert. Daar moeten we ons bij neerleggen. ‘Dat’ is als voornaamwoord eigenlijk verlaten. Dus het kabinet die, het elftal die... Zoiets krast in mijn oor. Maar ik maak me er niet meer druk over, want hier is geen redden meer aan.’

Hij mist de hectiek van zijn vroegere bestaan helemaal niet. ‘Ik ben natuurlijk gewoon een bejaarde die zichzelf bezighoudt.’ Hij staat op, pakt een doos uit een kast en haalt daar een stapel geplastificeerde ansichtkaarten uit.

Het zijn zelfgemaakte kaarten, vaak met een dierenfoto en een bijpassend gedicht. Hij begon er ooit mee voor zijn kleinkinderen: die stuurde hij drie keer per week een vervolgverhaal met tekst en illustraties. Nu stuurt De Wijs vrolijke kaarten naar mensen die in zijn ogen een steuntje in de rug kunnen gebruiken. ‘Deze is voor een meisje met anorexia. Haar grootmoeder vroeg me of ik haar af en toe iets wil sturen. Dus dat doe ik.’

En hier is een kaart voor zijn neef en zijn nicht, met een foto van hun moeder, De Wijs’ overleden zus Amei. ‘Ze waren heel jong toen hun moeder op haar 36ste stierf. Op een dag zeiden ze: ‘We hebben eigenlijk bijna geen herinneringen aan onze moeder.’ Dat vond ik verschrikkelijk. Ik heb alle foto’s van mijn zusje gezocht die ik maar kon vinden. Dus nu stuur ik ze twee keer per week een kaart, met een foto of een herinnering.’

‘Met het ouder worden word je steeds minder een wezen van de dag. Aanvankelijk zit je elke dag in die krant te kijken of er iets bij is wat je zou kunnen gebruiken. Als ik jonger was zou ik nu vast over Trump hebben geschreven. Terwijl ik nu denk: nee, vooral níét over Trump schrijven. Dat doet iedereen al. Je merkt naarmate je ouder wordt wel dat je behoefte krijgt om wat zwaardere onderwerpen bij de kop te nemen. Je schrijft over je eigen situatie. Je weet wat je in het leven heeft meegezeten, en wat je tegengezeten heeft. En je schrijft een beetje over je kwalen. Maar ik ben nog steeds heel opgewekt. Ik heb echt geboft met mijn humeur.’

Over het einde denkt hij niet na. Geen seconde. ‘Als je eenmaal 80 bent, ben je omgeven door mensen die niks anders aan hun hoofd lijken te hebben dan hun eigen uitvaart. Daar doe ik niet aan mee. Ze zoeken het maar uit.’ Hij verzamelt nog wel steeds overlijdensadvertenties. Een interesse die ontstond door zijn leraarschap, vanuit zijn liefde voor taal. ‘Want er ontspoort van alles binnen die zwarte lijnen. Bijvoorbeeld die beroemde dubbele ontkenningen: ‘Er gaat geen dag voorbij dat je niet uit mijn gedachten bent’. Of van die intrigerende zinnen: ‘Wim is thuis in het kippenhok.’ Kennelijk ligt-ie daar dan opgebaard.’

Voor zichzelf heeft hij nog niets bedacht. En dat gaat-ie ook beslist niet doen. Niets heerlijker dan verdringen. Want die dood komt toch wel. Daar hoeft-ie niet mee bezig te zijn. ‘Mijn zin zou toch zijn: ‘hij had er nog helemaal geen zin in.’ In elk geval moet het iets zijn met een pakkende regel aan het eind.

In het leven zijn drie dingen/ Die de ergste bibberingen/ Door je donder laten ruisen/ Sterven, scheiden en verhuizen. Wie de moed niet wil verliezen/ Houdt zich dus aan mijn adviezen:/ Niet verhuizen en niet scheiden/ En vooral niet overlijden.

De favorieten van Ivo de Wijs

Rikkert Zuiderveld

Zwartkopmeeuw
Treurig feit: de zwartkopmeeuwen
demonstreren nu al eeuwen
tegen al die olievlekken
die uit mammoettankers lekken.
Alle meeuwen zingen mee:
‘We come over Shell some day.’

De Wijs: ‘Je ziet zijn naam nooit ergens opduiken, omdat de Heere God er altijd tussenzit. Maar zijn pen is voortreffelijk. Zuiderveld blaast zijn partij op niveau mee. Die laatste zin is meesterlijk. Die zou ik graag bedacht willen hebben.’

Paul Jacobs

Alhoewel
Het is een ernstig mankement
Als je van ieder argument
Meteen de beide kanten ziet
Hoewel, zo erg is ’t ook weer niet

‘Van dit vers kun je zeggen dat het dus een kleine technische onvolkomenheid kent, omdat het twee keer op ‘ment’ rijmt. Maar de plot is wel weer erg leuk. Echt goed bedacht.’

Annie M.G. Schmidt

Wandeling
Ter hoogte van het Koningsplein
Was onze liefde engelrein
Maar bij de Munt werd het al minder
Mon Dieu, als ik het niet verhinder
Hoe zal ’t dan bij de Amstel zijn?

‘Annie Schmidt heeft eigenlijk te weinig light verse geschreven. Ze maakte vooral langere liedjes. Ik wil haar hier graag noemen omdat ze een voorbeeld voor me is geweest. Drs. P en ik zouden Annie ooit met de auto ophalen. We waren te vroeg, dus we hebben eerst voor de deur geparkeerd. Toen hebben we met z’n tweeën ademloos zitten toekijken hoe Annie Schmidt de vuilnisbak nog even buiten zette.’

Jan Boerstoel

Filosofie
Ik ken het klappen van de zweep
Ik ken de regels van het spel
Ik ken de zin van het bestaan
Maar als ik drink, dan gaat het wel

‘Dit komt uit die bundeling met kroegverzen van hem: Drinken doet een beetje zeer. Ik las dat en dacht: ja, dat wil ik zelf wel voordragen. We hebben met Kabaret Ivo de Wijs regelmatig werk van hem gekocht. Het is een beetje wringende humor. Ik kom nooit in cafés, dus ik weet niet precies hoe het daar toegaat, maar ik kan het wel een beetje ruiken aan de hand van die versjes van Boerstoel. Een echte vakman, die prachtig werk maakt. Terecht bekroond met prijzen.’

Kees Stip

Op een eendagsvlieg
Ach’, sprak een eendagsvlieg in Doorn,
‘hoe heerlijk is het ochtendgloren
en hoe verrukkelijk het uur
waarop het laaiend zonnevuur
verstild ter kimme wordt gedreven!
Men moest twee dagen kunnen leven.’

‘Kees Stip was een absolute grootheid. De grootste van allemaal. Dit gedicht is niet alleen leuk, het biedt ook troost. Een mens leeft 80 jaar, en zo’n vlieg verdomme maar één dag.’

Ivo de Wijs

Aan de vrouwtjes
Toe, bespaar mij het gehaspel
Van het voorspel en het naspel

Een keuze uit zijn eigen werk wil De Wijs eigenlijk niet maken. Waarom zou hij? ‘Maar als het dan toch moet, dan deze maar.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next