Waar arbeidsmigranten zijn, zijn pandjesbazen nooit ver weg. In Roosendaal wonen duizenden niet-geregistreerde werkkrachten achter de afgeplakte ramen van ‘pauperpanden’. De gemeente is in het geweer gekomen, maar de vraag is wie de macht heeft: het bestuur of de huisjesmelkers.
Door Jan Tromp
Fotografie Linelle Deunk
We moeten het dringend hebben over de Molenstraat – verkrot, verramsjt en verpauperd. Met zijn statige, 19de-eeuwse woonhuizen vormde de straat lange tijd de herinnering aan een rijke, rooms-katholieke elite. Met al haar winkels was zij de opgewekte en bedrijvige levensader van de oude binnenstad van Roosendaal. Maar nu zijn tal van panden gebarricadeerd, als na een veldslag tussen krakers en mobiele eenheid.
Vale markiezen aan verveloze kozijnen, daklijsten waar de rot in zit, muren vol schimmel en gaten. Overal rolluiken en dichtgetimmerde etalages. En voor de bovenramen vale lappen als permanent gesloten gordijnen of, eenvoudiger, vensterglas dat met krantenpapier is afgeplakt. Het worden ‘pauperpanden’ genoemd.
Achter deze verkrotting wordt geleefd. ‘Kloppen’ staat hier en daar op het triplex. Of: ‘Tikken.’
Een schutting in de Hoogstraat, in het verlengde van de Molenstraat, met daarachter een binnenplaats vol afgedankt huisraad. Boven de naastgelegen, dichtgetimmerde winkel blijkt een jong echtpaar te wonen, in twee kale kamers. Twee peuters scharrelen rond een versleten bank.
De Bulgaar Sevjan Yasharov woont met zijn gezin in twee kale kamers, zonder vergunning.
De boa’s van de dienst Handhaving doen hun best de Bulgaarse man en vrouw op hun gemak te stellen. ‘No worries.’ De man die Sevjan Yasharov heet en in de glastuinbouw zegt te werken, is onderdanig. ‘Niet goed’, zegt hij. En: ‘Ik weet.’ Hij weet dat het pand geen woonvergunning heeft. Maar zijn kinderen, zegt hij, gaan in de buurt naar school. En zijn gezin moet toch ergens wonen.
Het zijn overwegend malafide pandjesbazen die de huisvesting regelen van Polen, Bulgaren, Roemenen en Litouwers. Voor een matras betaalt de arbeidsmigrant 600 in de maand, studiootjes lopen op tot 1.500 euro. Het komt voor dat matrassen om en om beslapen worden; de een staat op en gaat uit werken, de ander komt thuis en gaat op zijn beurt slapen. Op dezelfde matras. Het verschijnsel heeft een naam. Het heet het warm-bedsysteem.
In 2020 schreef oud-politicus Emile Roemer in een spraakmakend rapport over arbeidsmigratie: ‘Het gaat erom dat geen enkele arbeidsmigrant meer in een situatie kan komen waarin u of ik niet zelf zou willen belanden wanneer wij tijdelijk in een ander land gingen werken.’
Die voorbeeldige toestand is op veel plekken in Nederland nog ver te zoeken, en in Roosendaal in verhevigde mate. Jarenlang heeft de gemeente het verval laten sloffen. Al in 2008 troffen toezichthouders wel twintig matrassen aan in panden die bestemd waren voor vier mensen. Twintig matrassen, 2.500 euro per week.
Uit Drugsmonitor Roosendaal, een onderzoek van de criminoloog Edward van der Torre uit 2016: ‘Criminelen investeren in Roosendaals vastgoed. Er komen subjecten in beeld die alleen al in Roosendaal tientallen panden in bezit hebben.’
Google vermeldt dat Roosendaal dertig uitzendbureaus telt, de gemeente houdt het op ten minste zestig. De migranten worden aan het werk gezet in de haven van Antwerpen, de kassen van het Westland en vooral in de enorme dozen aan de randen van Roosendaal, in volcontinudiensten in distributiecentra van bedrijven als Primark en Lidl.
Officieel heeft Roosendaal 77 duizend inwoners. Op het gemeentehuis telt men daar ongeveer tienduizend niet-geregistreerde arbeidsmigranten bij op.
Roosendaal staat hoog op de lijst van ‘afgehaakt Nederland’. Lage scholing, lage inkomens; in sommige wijken sterven mensen wel zes jaar eerder dan gemiddeld in Nederland. Vertrouwen in de overheid is afwezig.
In de binnenstad van Roosendaal is door onachtzaamheid een schaduwwereld ontstaan van nagenoeg totale verkamering, met de arbeidsmigranten als kop-van-jut. Een beleidsambtenaar trekt achteraf de les: ‘Wees er snel bij als je een gebied ziet wegglijden. Geef als gemeentebestuur duidelijk aan wat je wilt. En vooral wat je niet wilt. Anders gaat het goed mis.’
Nu begint het gemeentebestuur zich te wapenen. De strijd gaat over een eenvoudige, maar cruciale vraag: wie is de baas in de stad, het openbaar bestuur of de pandjesbazen?
Officieel staan in Roosendaal 477 huizen geregistreerd voor kamerverhuur, maar de Dienst Handhaving hanteert een lijst van meer dan 1.500 panden. Voor wie er oog voor heeft, blijken de nu zo sjofele Molenstraat en enkele omliggende straten grotendeels verramsjt.
Tussen voormalige winkelpanden zijn smalle krochten zichtbaar, achter afgetrapte poorten of gewoon achter plankieren van resthout. De krochten zijn voor talloze arbeidsmigranten de doorgang naar verborgen achterhuizen en bovenwoningen.
Margot van Hummel, winkelier in de Molenstraat, wijst naar een pand aan de overkant: ‘Daar zat vroeger een keurig verzekeringskantoor, met een winkeldeur. Een nieuwe eigenaar heeft de zaak meteen dichtgetimmerd. Er wonen zo’n 25 man, allemaal arbeidsmigranten, die met z’n allen door dat smalle gangetje moeten. Het is levensgevaarlijk. Om de haverklap breekt brand uit in deze straat.’
Van Hummel is een vriendelijke vrouw, een eind in de zestig, en ze heeft een boekenparadijs in de Molenstraat, de Boekenwurm geheten. De stapels tweedehandsboeken liggen hoog en vorstelijk opgetast. Aan de wanden hangen lijstjes met wijsheden van weleer, zoals ‘een net huis en een vrolijk gezicht houden de man thuis’. De boekwinkel is ook afhaalpunt voor pakketpost, het is een sociaal trefpunt. Er is weinig dat Margot van Hummel ontgaat.
De boekenwinkel van Margot van Hummel, waar buurtbewoners ook pakketjes kunnen ophalen.
Ze schetst de achteruitgang van de Molenstraat: het drugstoerisme uit België en Noord-Frankrijk dat in de jaren tachtig Roosendaal veroverde, de enorme klandizie voor de coffeeshops, de straatdealers die uit elk portiek opdoken, het kroegvolk dat door brievenbussen piste en auto’s beschadigde, winkelstand die achteruitkachelde, en ten slotte huisjesmelkers, die hun kans schoon zagen en voor weinig geld winkelpanden overnamen die zij voor veel geld volstopten met arbeidsmigranten.
Ze zegt: ‘Het is heel triest. Als je mensen naar hier haalt, heb je voor ze te zorgen. Maar nu zijn ze handelswaar. Ik vind het schandalig. Dan kun je als regering wel heel nederig zeggen: ik bied mijn excuses aan voor het slavernijverleden, maar intussen sluit je je ogen voor de nieuwe slavernij. Het gaat gewoon door.’
De meeste arbeidsmigranten werken op basis van wekelijkse contracten. Aan het eind van elke week kunnen ze te horen krijgen dat ze de volgende week niet meer hoeven te verschijnen. Met hun werk verliezen ze dan ook hun zorgverzekering. En hun huisvesting.
Wat overblijft is een leven op straat. Je ziet veel zwervers in Roosendaal. Terugkeer naar het land van herkomst is voor de meesten geen keuze.
Barka Nederland is een stichting die zich inzet voor kwetsbare, vaak dakloze arbeidsmigranten, voornamelijk Polen. De medewerkers doen veel straatwerk, proberen contact te maken, vertrouwen te winnen.
Andrzej, zelf een Pool, is in Roosendaal de leider van een klein Barka-team. Hij is een korte, stevige man met dun, achterovergekamd haar. Hij zegt: ‘De mensen worden aangetrokken door de mythe van de westerse wereld: veel geld in korte tijd. Vaak hebben ze in Polen al problemen. Ze hebben hun familie beloofd dat ze rijk zullen terugkeren. Als dat mislukt, is er schaamte en is de weg terug afgesneden.’
Verslaving aan drank en drugs is dan niet ver weg. De boa’s van Roosendaal hebben er dagelijks mee te maken. Boa John zegt: ‘Je schrikt ervan hoe ze over straat gaan. Vervuild, verwaarloosd, ziek. Je ziet ze wegglijden.’
Op vroege ochtenden zijn op straat al een paar keer doden aangetroffen, arbeidsmigranten die overleden aan uitputting en onderkoeling.
Joost van Woelderen, een beweeglijke man met een oplettende oogopslag, kocht in 2021 met zijn partner een weliswaar uitgewoond, maar romantisch 19de-eeuws huis in de Molenstraat. Dat wil zeggen: aanvankelijk zegden ze de koop af, toen tot hen doordrong hoezeer de kamerverhuur de straat had verloederd.
Hij zegt: ‘We werden overdonderd. We kwamen mensen tegen die liepen te zwaaien met messen. Hier stond iemand te schreeuwen, daar kreeg een ander de ene voet niet meer voor de andere en sleepte de politie hem van straat. Drugsdealers reden af en aan. Ik hoorde het krijsen van een vrouw die mishandeld werd.’
Van Woelderen zegt dat het iets beter gaat nu het gemeentebestuur in het geweer lijkt te komen. Voor verhuur is een vergunning nodig, leegstand wordt aan banden gelegd, overbewoning is strafbaar. Sinds begin dit jaar rukt elke dag een pandbrigade uit om toe te zien op naleving van de regels.
Yenni Valencia woont in een voormalige schuur, die is omgebouwd tot piepklein appartement. Het is het achterhuis van een hoog pand aan de Molenstraat. Zij is Colombiaanse van geboorte en een jonge, alleenstaande moeder van twee kinderen.
In het voorhuis heeft een uitslaande brand gewoed, de chaos daar is imponerend. Bovenaan de trap liggen stapels blauwe brieven te wachten op betere tijden. Voor een achtergelaten brood op het aanrecht hoeft dat niet meer, het is inmiddels mosgroen uitgeslagen.
De gemeente heeft opdracht gegeven het pand te ontruimen in afwachting van renovatie door de eigenaar. Er is geen elektriciteit, geen warm water. Mevrouw Valencia weet dat ook zij moet vertrekken. Maar waarheen? Daarop is geen antwoord. Moeder en kinderen worden voorlopig ondergebracht op een camping in het naburige Rucphen. Zwaar beladen met boodschappentassen vol wasgoed gaan ze op weg.
Het pand is eigendom van een van de beleggingsmaatschappijen van Marcel van Hooijdonk. Zijn corebusiness zijn leegstaande panden. Op zijn website verklaart hij zijn belangstelling: ‘Een leegstaand pand is heel zonde. Ik hou niet van verspilling.’ Van Hooijdonk bezit honderden panden, vooral in Utrecht, Amsterdam en Breda.
De Colombiaanse Yenni Valencia en haar kinderen moeten hun piepkleine appartementje verlaten vanwege een brand in het voorhuis.
Waar arbeidsmigranten zijn, zijn pandjesbazen nooit ver weg. Ze koesteren een volwassen weerzin tegen overheden en bevechten deze tot aan de hoogste rechter. Breda bijvoorbeeld is in geschillen met Van Hooijdonk weliswaar drie keer door de Raad van State in het gelijk gesteld, maar heeft de pandjesbaas ook 1,5 miljoen schadevergoeding moeten betalen. Het onderstreept hoe hachelijk en ingewikkeld het steekspel is.
Zo assertief als Van Hooijdonk is in zijn beleggingen, zo schuw is hij in de publiciteit. Hij houdt zich stil. Op herhaalde verzoeken om een gesprek kwam geen antwoord.
De 'pandbrigade' inspecteert een woning waarin studio's zijn gebouwd voor arbeidsmigranten.
Burgemeester Mark Buijs van Roosendaal is een blonde vijftiger met een weemoedig gezicht. Voor hem geldt: zacht van buiten, hard van binnen. Hij zegt: ‘Het is juist dat kwetsbare mensen op straat komen te staan doordat wij panden sluiten. Maar het is onjuist de verantwoordelijkheid daarvoor bij het gemeentebestuur te leggen.
‘Verantwoordelijk zijn de uitzendbureaus die mensen gouden bergen beloven en de huisjesmelkers die arbeidsmigranten voor 125 euro per week per matras in onveilige, verkrotte panden stoppen. Als ik daar niet tegen optreed, weet ik één ding zeker: dan doe ik mee aan mensenhandel.’
Burgemeester Buijs droomt van een wedergeboorte van Roosendaal. Als Den Haag de plannen financieel steunt, zullen op het oude spoorwegterrein vijfduizend nieuwe woningen verrijzen. Tegelijk wil het gemeentebestuur in de oude binnenstad met aanschrijvingen en dwangsommen de macht terugveroveren op de pandjesbazen.
Men hanteert de tactiek van het schoolplein: de nare jongens opjagen, de hoek in drijven en pas weer met rust laten als ze plechtig beloven zich te gedragen. Concreet: er lekken geen dakgoten meer, er zijn aardlekschakelaars en correcte bedrading, er is geen overbewoning, er is daglicht in de woning, er zijn kortom allerlei voorzieningen die er nu niet zijn. De raad van Roosendaal heeft zich in juni als één man achter hun dagelijks bestuur geschaard.
Maar gaat het lukken? Margot van Hummel, de boekhandelaar uit de Molenstraat: ‘De burgemeester moet met de vuist op tafel slaan, maar niet alleen richting de pandjesbazen. Ook naar de ambtenarij die de verloedering veel te lang heeft laten voortgaan.’
Haar bijna-buurman Joost van Woelderen sluit zich daar voorzichtig bij aan: ‘Ik geloof heel graag dat het gemeentebestuur van goede wil is. Maar ik zie ook beleid dat zwabbert.’
Van Hummel: ‘En toch lijkt dit een krachtige burgemeester. Hij had de harde aanpak alleen nog maar aangekondigd en je zag de reactie. De eigenaar van een huis hier schuin aan de overkant gooide meteen al zijn matrassen de straat op. Nu staat zijn pand al een paar weken leeg.’
Burgemeester Buijs: ‘Wij steken spaken in het wiel en wij gaan daarmee door totdat die asociale pandjesbazen ophouden met hun praktijken. Maar het echte probleem ligt natuurlijk elders. De arbeidsmarkt wil goedkope krachten, de malafide uitzendbureaus en de pandjesbazen leveren die bij de vleet. Het kwaad ligt bij de door en door geflexibiliseerde arbeidsmarkt. Daarmee moeten we echt stoppen. Zeg ik, als VVD’er.’
Vrijwel nergens wonen zo veel arbeidsmigranten als in Den Haag. Dat heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid in kwetsbare buurten. Met een speciale aanpak probeert de hofstad uitbuiting, overbewoning en overlast aan te pakken. De Volkskrant keek mee. ‘Telkens als wij een stap vooruit zetten, zetten zij er twee opzij.’
Waarom accepteren we dat arbeidsmigranten in Nederland werken onder omstandigheden en blootstaan aan risico’s die voor Nederlanders onaanvaardbaar zouden zijn? Op zoek naar een antwoord reisde de Volkskrant in de voetsporen van twee jonge Roemenen.
Op Italiaanse akkers werken honderdduizenden zwaar onderbetaalde arbeidsmigranten. De organisatie NoCap, opgericht door een ex-tomatenplukker, maakt hen los van illegale koppelbazen en dwingt betere betaling af bij bedrijven.
Source: Volkskrant