De Mont Ventoux is meer dan een iconische wielerberg. Met zijn beklimming zette Francesco Petrarca in 1336 de eerste stappen uit de donkere, kleingeestige middeleeuwen. Waarom oefent de berg al eeuwenlang zo’n aantrekkingskracht op ons uit?
is sportverslaggever van de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, atletiek en roeien.
Vergeet de bloemen bij het monument voor Tommy Simpson. Vergeet ook even de ontredderde fietsloos rennende Chris Froome in de Tour van 2016. Vergeet het maanlandschap dat zich vanaf Chalet Reynard ontvouwt en waar de midlifecrisisklimmers op hun blinkend gepoetste racefietsen bijna dagelijks doorheen slingeren. De Mont Ventoux is zoveel meer dan een wielerpelgrimsoord.
De top ligt lonkend in het lage landschap. Dat was al zo voor de uitvinding van de tweewieler. Volgens sommigen wordt met de beklimming van de Mont Ventoux door Francesco Petrarca afscheid genomen van de middeleeuwen omdat de dichter ‘louter uit begeerte om zijn bijzondere hoogte nader in ogenschouw te nemen’ op 26 april 1336 de berg bestijgt.
In een brief aan zijn voormalig biechtvader Francesco Dionigi da Borgo San Sepolcro schrijft Petrarca over zijn tocht naar de top, die hij samen met zijn broer Gherardo ondernomen heeft. Eenmaal boven is hij diep onder de indruk van het uitzicht. ‘Eerst stond ik daar als een verdwaasde, overweldigd door de ongewone atmosfeer en het onbelemmerde uitzicht.’
De weidsheid op 1.912 meter boven zeeniveau verleidt de dan 32-jarige dichter tot introspectie. Hij mijmert over het leven en over de vrouw die hij begeert, maar die onbereikbaar is. ‘De berg had ik tot tevredenheid gezien. Nu richtte ik mijn inwendige blik op mijzelf, en vanaf dat moment heeft niemand mij nog een woord horen zeggen, totdat we bij de voet van de berg waren gekomen.’
In de eeuwen erna werd deze brief gezien als het startsein van de renaissance. Die introspectie, het op zichzelf gericht zijn, dat was iets nieuws. Net als zijn voettocht naar de top. Voor het eerst sinds de oudheid had er weer iemand puur voor zijn eigen plezier een berg beklommen, oordeelden dichters, denkers en historici in de eeuwen erna. De 19de-eeuwse Zwitserse historicus Jacob Burckhardt noemde Petrarca ‘een van de vroegste volledig moderne mensen’.
Het idee dat Petrarca bijna eigenhandig de cultuurgeschiedenis op een andere koers heeft gezet leefde ook in Nederland. Verrukt schrijft Louis Couperus in 1910 hoe hij tijdens een nachtelijke reis naar Avignon de berg ziet afsteken tegen de ‘droomerigen’ nachtelijke hemel. ‘De Mont-Ventoux! Ik had hem bijna vergeten, dien bijna hoogsten berg van Frankrijk!’
Voor Couperus was Petrarca een jeugdheld. Hij las zijn werk toen hij nog jong was en noemt hem de ‘eerste Mensch, die tot mij trad uit de diepe diepte van het verleden’. Petrarca maakte zich los als individu ‘in een eeuw van sombere wereldwoeling, waarin een nevel van duisternis zich scheen op te hoopen over den menschelijken geest’.
De Italiaan schreef eerlijk over zijn innerlijke strijd, zijn zwakheden en zijn lage instincten, schreef Couperus. Daarom was de Haagse schrijver zo verheugd om vanuit zijn koets die hoge berg te zien, waarover hij had gelezen bij Petrarca. Het was voor hem een symbool van de ontworsteling aan de donkere, kleingeestige middeleeuwen.
In dezelfde periode als Couperus bombardeerden bergbeklimmers Petrarca tot hun oervader, werd hij gezien als de eerste ‘toerist’. Maar tegenwoordig wordt betwijfeld dat Petrarca zijn tocht daadwerkelijk heeft ondernomen. Hij kende de Mont Ventoux wel, woonde in 1336 in Avignon, en vanaf 1338 nog wat dichter bij de berg in Fontaine-de-Vaucluse. Maar hoogstwaarschijnlijk heeft de Italiaan helemaal niet boven het wolkendek gestaan en de Alpen gezien, en heeft hij de beklimming beschreven in zijn brief verzonnen. Couperus en velen met hem hebben fictie voor werkelijkheid aangezien.
Alleen al de datering van zijn brief had argwaan moeten wekken. Zijn tocht zou in 1336 hebben plaatsgevonden, maar de brief is gepubliceerd en volgens onderzoekers ook pas geschreven in 1350. Zijn biechtvader is dan al tien jaar dood.
Ook vorm en inhoud wijzen op fictie. Petrarca, niet bang om te pronken met zijn literaire vermogens en kennis van de klassieken, bouwt zijn brief op als een christelijke allegorie. Zo kiest zijn broer de snelste, maar ogenschijnlijk zwaarste route naar de top, terwijl Petrarca zelf gemakkelijkere wegen zoekt en telkens moet terugkeren op zijn schreden om te concluderen dat die hem niet verder hebben gebracht.
Hij schrijft in de traditie van kerkvader Augustinus, van wie de diepgelovige Petrarca een zakboekje naar de top heeft meegenomen, dat zomaar ergens openslaat en de volgende, bijna duizend jaar eerder opgeschreven woorden leest: ‘En de mensen gaan om te bewonderen de hoogten van de bergen en de machtige golven van de zee en de brede stromen van de rivieren en de gang van de oceaan en de omloop van de hemellichamen en zij verlaten zichzelf.’
De tocht van Petrarca groeit van pennenvrucht tot mythe en de Mont Ventoux groeide tot mythische proporties mee. Niet alleen voor wielrenners en bergbeklimmers, maar ook voor kunstenaars en wetenschappers. De berg werd studie-object, inspiratiebron. Zij zagen daarbij overigens iets heel anders dan de Italiaan. Want hoewel de bijnaam nu de Kale Berg luidt, was Mont Ventoux oorspronkelijk bebost. En het is de mens die hem heeft uitgekleed.
Boskap en branden hadden al voor Petrarca plaatsgevonden, in de Romeinse tijd. Maar het ontbossen versnelde na de middeleeuwen. Voor de scheepsindustrie in Marseille werd de berg volledig ontkleed. In de 19de eeuw werd een poging tot herbebossing ondernomen. Daarom kunnen sinds het debuut van de Mont Ventoux in de Tour van 1951 de renners tot aan Chalet Reynard nog van een beetje schaduw genieten. Op de hoogstgelegen delen wilde niets meer groeien en heeft de wind vrij spel. Het maanlandschap is geen schoonheidsvlek, het is een litteken. Het pijnlijke gevolg van menselijke destructie.
Nog altijd functioneert de berg als een thermometer van het menselijk ingrijpen in de natuur. De huidige klimaatverandering is aan de Mont Ventoux af te lezen. Bepaalde planten en dieren zijn door stijgende temperaturen steeds hoger te vinden, maar tegelijkertijd leidt toenemende droogte tot flinke bosbranden. De kwetsbaarheid van het ecosysteem is groot.
Paul Chauchard had daar in 1902 geen idee van. Hij scheurde dat jaar in 27 minuten van Bédoin naar de top. Een tijd waar zelfs de beste wielerprofs slechts van kunnen dromen, maar de Fransman deed het dan ook gemotoriseerd. In dat jaar werd de eerste autorace naar de top georganiseerd en bereikte ook de eerste fietser de top: Adrien Benoît. Tenminste, hij is de eerste van wie de beklimming is vastgelegd.
Precies dat is de kern van de mythe. De vastlegging. Petrarca was inderdaad een van de eerste schrijvers sinds de Romeinse tijd die een wandeltocht naar een bergtop vastlegde en publiceerde. Maar dat betekent niet dat er in die tussentijd niemand puur voor de lol, het plezier of ontzag voor de natuur bergen bedwong. Wel dat degenen die dat deden of de middelen niet hadden om hun ervaringen op schrift te stellen of het zo gewoon vonden om op een bergtop te staan dat het – letterlijk – niet om over naar huis te schrijven was.
Elke mens is nieuwsgierig, kent een zekere mate van ontdekkingszucht. Dat is onafhankelijk van het tijdsgewricht. En onafhankelijk van sociale klasse, hoewel in de romantiek nog het idee bestaat dat het genieten van natuurlijke schoonheid was voorbehouden aan de elite. Een idee dat in 1939 door de historicus Johan Huizinga wordt weerlegd in zijn boek Homo ludens. Het spel, iets doen puur voor het plezier, is een wezenlijke karaktertrek van ieder mens.
Wat wel is veranderd in de laatste eeuwen is hoe de mens omgaat met dat wezenlijke verlangen om lol te trappen, om te spelen. In de 19de eeuw wordt het vrije spel zo ver ingekaderd dat het sport gaat heten. Met scheidsrechters, regels en gele kaarten voor wie zich daaraan onttrekt. Wie het hardst kon lopen werd competitie, het halen van de top geen manier om de overrompelende schoonheid op grote hoogte te ervaren, maar een doel op zich.
Inmiddels is het vastleggen van onze ervaringen alleen niet genoeg, lijkt het vooral te gaan om het delen ervan. Als Adrien Benoît in 1902 een mobiel in zijn zak had gehad, had hij een selfie gemaakt op de top, zwetend naast zijn vélo zoals zoveel wielerliefhebbers dat nu ook doen. Petrarca had in 1336 zichzelf in een afbeelding gefotoshopt om anderen van de waarheid van zijn klim te overtuigen en die op Instagram geplaatst. Of AI gebruikt. Dat is pas een volledig moderne mens!
Anders dan Petrarca kan Tadej Pogacar ons niet voor de gek houden. Hij zal dinsdag toch echt die berg op moeten. En niet louter om van het uitzicht te genieten.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant