Home

Schrijver Maurits de Bruijn: ‘Als deze genocide al niet erg genoeg is om mensen iets te laten inzien, dan bestaat er helemaal geen erg genoeg’

Met zijn boek Geweten probeert schrijver Maurits de Bruijn te ontrafelen wat het betekent om als zoon van een Holocaustoverlevende getuige te zijn van het onmetelijke leed dat de Palestijnen wordt aangedaan.

Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.

Met Geweten. Over Israël en Palestina schreef Maurits de Bruijn (41) een aanklacht in de vorm van een getuigenis, over wat zich voor zijn oog en dat van de wereld voltrekt: de vernietiging van Gaza en de uitroeiing van zijn bewoners door Israël, terwijl niemand ingrijpt. Nu al bijna twee jaar lang.

Geweten is een persoonlijk relaas over de onderling verbonden geschiedenissen van het Palestijnse volk en zijn eigen geschiedenis, als Joodse Nederlander en nazaat van de Holocaust. In het boek weeft De Bruijn alle lijnen tot een vanzelfsprekend en onvermijdelijk geheel, dat te lezen is als een oproep aan de lezer om zich niet te verschuilen achter onwetendheid.

‘Wat ik weet’, schrijft De Bruijn, ‘is dat een genocide schatten aan verhalen verwoest, want dat is precies wat mensen zijn, vaten vol cultuur, huid om kennis heen gespannen. Het grote verschil met nu is, met deze genocide, dat iedereen alles weet. Het staat immers allemaal op internet.’

Het omslag van Geweten toont het patroon van de keffiyeh, de Palestijnse sjaal, het patroon is dat van een vissersnet, vermoedelijk, al zou je er ook prikkeldraad of omrastering in kunnen zien. Het delicate vlechtwerk rafelt aan de randen en heeft gaten – symboliek voor wat De Bruijn heeft pogen te schrijven.

Biografie
Maurits de Bruijn (1984) studeerde af aan de Rietveld Academie. Hij schreef onder meer Broer (2012), over zijn verdwenen broer en Ook mijn Holocaust (2020). Met Randy Vermeulen maakte hij de podcast En niemand bleef onaangeraakt (2024), over de aidsepidemie in de jaren tachtig. Zijn roman Man maakt stuk stond dit jaar op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs.

Zijn vertrekpunt in het boek is de Holocaust, een onlosmakelijk onderdeel van wie hij is: een Joodse Nederlander wiens moeder de oorlog als baby overleefde omdat haar ouders haar kort na haar geboorte onderbrachten bij een gereformeerd echtpaar in Maasland. Niet lang daarna werden De Bruijns grootouders met hun twee andere dochters afgevoerd naar vernietigingskamp Sobibor, waar ze werden vermoord.

Als kind leerde De Bruijn, de jongste van vier broers, die gruwelijke geschiedenis kennen, die in hem ging wonen en die niet alleen zijn moeder maar ook hém met een sluimerende angst opzadelde. Als mensen als zijn grootouders en hun twee dochters zomaar vermoord konden worden, kon het ooit toch weer gebeuren?

Met wantrouwen bezag hij de bezwering ‘Nooit meer’. Bedoeld als geruststelling, tegengif en gelofte ineen. Dan was er nog dat door Duitsers beleden excuus: we hebben het niet geweten. Implicerend dat, hadden we het wel geweten, die massavernietiging natuurlijk nooit had kunnen plaatsvinden.

Zijn instinct wist beter.

Wat in Gaza gebeurt, toont volgens De Bruijn niet alleen ‘de onwaarheid van de zo vaak herhaalde zinsnedes’ zegt hij, kaarsrecht gezeten, geconcentreerde blik in de zachte ogen, in een Amsterdams café nabij zijn huis in het westen van de stad achter een glas limonade. Maar ook hoe het destijds heeft kunnen gebeuren dat zijn familieleden samen met al die anderen zijn vermoord, terwijl omstanders ‘gewoon’ doorleefden. ‘Joden werden gedemoniseerd zoals Palestijnen nu worden ontmenselijkt. In mijn boek heb ik geprobeerd te ontrafelen wat het betekent om als zoon van een Holocaustoverlevende kennis te nemen van al dit leed.’

De Bruijn spreekt zich al langer (sinds hij als kunstacademiestudent in 2008 een periode in Israël verbleef) uit tegen ‘de Israëlische onderdrukking van Palestijnen, de illegale bezetting van Palestijns grondgebied en alle geweld dat daaruit voortvloeit’. Het geweld dat Israël in reactie op de terreuraanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 over Gaza uitstortte, zette definitief alles op scherp. Het bevestigde wat hij al wist: ‘Het bestaan van de huidige staat Israël is gegrondvest op de onderdrukking van de Palestijnen.’

Je schrijft dat het je tegenstaat om je Joodse identiteit en de nalatenschap van de Holocaust op te voeren, ‘omdat het een shtick dreigt te worden, een truc’. Voelt dat echt zo?

‘Ik heb daarover veel nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik niet anders kan. Omdat de moord op mijn grootouders en hun twee dochters wordt gebruikt om de massaslachting in Gaza te vergoelijken. En daarmee wordt hun nalatenschap verkwanseld, en precies voor die erfenis voel ik me verantwoordelijk. Uit die bron komt mijn activisme voort, om die reden bestijg ik de barricades.’

Met zijn even kwetsbare als strijdvaardige stem dwingt De Bruijn het af om gelezen te worden. Wie eerder een boek van hem las, zoals zijn non-fictieboek Ook mijn Holocaust (2020), of luisterde naar de wonderschone podcast En niemand bleef onaangeraakt (over de gevolgen van de aidsepidemie in Nederland), weet dat De Bruijn een groot talent heeft om leed te verpakken in schoonheid, waardoor het verteerbaar blijft.

Het is een hete dag, die zich buiten zojuist ontlaadt in een tropische regenbui, als De Bruijn halverwege het interview vertelt dat het geen boek over oorlog maar over seksueel misbruik was dat hem aan het denken zette over omstanderschap: Het hele dorp wist het, van journalist Rinke Verkerk. Elk onrecht kent drie partijen. Daders, slachtoffers én omstanders. Een dader vraagt niet veel van omstanders, hij vraagt alleen maar om weg te kijken. Het slachtoffer heeft een veel ingewikkelder, actief verzoek. Namelijk: grijp in. Dit mechanisme wreekt zich ook met Israël en de Palestijnen.’

Je noemt jezelf antizionist, wat betekent dat voor jou?

‘Dat ik me keer tegen de racistische, annexerende, gewelddadige en genocidale daden waar het zionisme nu toe leidt. Volgens mij is nationalisme, het zionistische beginsel, het idee dat een groep mensen met een gedeelde etnische of culturele identiteit recht heeft op een eigen staat, niet het antwoord op antisemitisme.

‘Ik begrijp het sentiment wel: wat als er een land bestond waar Joden nu eens niet een minderheid vormen, die moet assimileren, die gediscrimineerd of verdreven wordt, maar de meerderheid. Alleen is de uitwerking daarvan per definitie koloniaal. De vroege zionisten noemden zich ook gewoon zo: kolonisten.’

Israël ‘koloniaal’ noemen, roept vaak weerstand op.

‘Omdat we koloniaal inmiddels als iets negatiefs zien. En terecht. Mijn boek gaat in wezen over hoe het zionisme zich nu wreekt. Maar in de kern komt dat allemaal voort uit het koloniale project Israël: we gaan een land stichten in ‘Zion’, we verdrijven daar de inheemse bevolking, en dat niet alleen, we gaan ook hun geschiedenis uitwissen en we gaan er een nieuwe geschiedenis voor in de plaats brengen.

‘Als we naar Israël kijken als een koloniaal project met als missie het beschermen van de Joden, is het onvermijdelijk dat de muren rond dat land steeds hoger moeten worden, en de prijs die de inheemse bevolking, de Palestijnen, moet betalen ook.

‘Ik vind het belangrijk om te vermelden dat zolang het zionisme bestaat, er ook Joods antizionisme is geweest. Ook sommige orthodoxe Joden zijn antizionistisch, zij zeggen: de messias zal ons het land geven, afdwingen met geweld is niet hoe het paradijs eruit kan zien. Mijn antizionisme komt voort uit pacifistische beweegredenen. Ik ben pacifist.’

Voor sommige mensen staat kritiek op Israël gelijk aan de stelling dat Israël dus maar niet zou moeten bestaan. Begrijp je dat?

‘Het is niet aan mij of een land wel of niet moet bestaan. Israël bestaat. De vraag is: hoe verhoud je je tot dat Israëlische project, tot dat land? Volgt daaruit dat al het Israëlische staatsgeweld dat daarmee gepaard gaat geoorloofd is als ‘zelfverdediging’?

‘Dat uitgangspunt vind ik niet te rechtvaardigen. En toch is dat het dominante narratief in Nederland. Als ik iets geleerd heb binnen mijn strijd voor rechtvaardigheid, dan is het wel dat wat je ook inbrengt tegen de Israëlische staat en hoe die nu functioneert, of tegen het zionisme – er is altijd een weerwoord. Hoe irrationeel of feitenvrij ook.

‘Of het weerwoord is terug te voeren op moslimhaat: de Palestijnen zijn in wezen onbetrouwbaar. Ze zijn niet zoals jij en ik, ze zijn gelijk te stellen aan Hamas, ze willen ons allemaal dood hebben. Ze willen de hele westerse wereldorde ontwrichten. Als dat iemands uitgangspunt is, ga daar dan maar eens mee redetwisten.’

Dan: ‘Een hardnekkig misverstand is trouwens dat je polariseert als je je uitspreekt tegen fundamenteel onrecht. Dat klopt niet. Polarisatie is het vergroten van tegenstellingen en het wij-zij-denken aanwakkeren. Opkomen voor mensenrechten en gelijkwaardigheid is geen polarisatie, maar juist het trekken van een duidelijke lijn bij fundamentele waarden. Zodat iedereen kan meedoen.

‘Daarom waak ik ook voor het korset van verbinder of bruggenbouwer, omdat het suggereert dat waar het Israël en Palestina betreft je op een gerechtvaardigd midden kunt uitkomen: een beetje genocide is wel goed. Daarin bestaat volgens mij geen neutrale positie. Om dan tegen mensen te zeggen dat ze polariseren vind ik een vorm van gaslighting. Want de realiteit is: er is een onderdrukker en een onderdrukt volk, dat zijn de tegenpolen. Als je die realiteit ontkent, hoe kun je dan verwachten dat mensen geen gepolariseerd gesprek voeren? Dat mensen niet woedend zijn? Want het is nogal wat, wat we moeten aanschouwen en wat met de ruggensteun van onze regering gebeurt.’

In februari reisde De Bruijn, op uitnodiging van een ngo, met enkele andere Israël-kritische Joodse activisten naar Israël. Hij hoopte ‘een levendige tegenstem tegen de Israëlische regering te vinden en bewustzijn over de genocide in Gaza’, maar trof die niet aan. Veel kritiek beperkt zich tot Netanyahu, protesten die er zijn, zijn niet breed gedragen. De progressiviteit lijkt uit het land weggeknepen. ‘Israeliërs die mij ooit de ogen openden voor Palestijns leed, zijn verrechtst of vertrokken.’ Tel Aviv, de stad die hij ooit sensueel vond, met een aan arrogantie grenzende bravoure, oogt ‘als een gebutste granaatappel’.

Hoe was het om daar als buitenstaander nu rond te lopen?

‘Mensen lijken gevangen in een soort collectieve psychose van rouw. Het trauma van 7 oktober wordt zo ontzettend gecultiveerd en uitgedragen, er is geen ontkomen aan. Die massale rouw, die aandacht voor de gegijzelden, voor slachtoffers en nabestaanden van de aanslagen van Hamas, zou niet zo in het oog springen als er ook oog was voor wat hun leger in Gaza aanricht. De totale afwezigheid daarvan, de selectiviteit, dat is wat me trof.

‘De foto’s, de gele linten, elk plein, elke fontein, alles is verworden tot monument. Mensen zijn gepantserd in hun verdriet, het is geharnaste, bewapende pijn. Een pijn waaraan je niet mag tornen. Terwijl: dat wil ik ook helemaal niet. Want 7 oktober is gebeurd en is verschrikkelijk. Maar het exclusieve recht op pijn en trauma en daarmee op vergelding en zelfverdediging wordt aangegrepen om deze waanzinnige oorlog te rechtvaardigen.’

Tegen een Israëlische kennis die aanvoert dat Palestijnen geen rechten verdienen onder Hamas, zonder goed leiderschap, zegt De Bruijn ‘dat Palestijnen, ook op de Westoever, zo hard bezig zijn met dagelijks overleven dat er geen serieuze politieke beweging kan ontstaan; dat onder bezetting niets kan groeien; dat zonder mensenrechten niets kan bestaan; dat Gaza al ruim voor de genocide de grootste openluchtgevangenis ter wereld was’.

Het woord zionisme wordt in Israël helemaal niet gebezigd, zegt De Bruijn. Omdat het aan de basis van alles staat. ‘Je mag het ook geen ideologie noemen, want dan is het te ondermijnen. Israëliërs zeggen letterlijk: zionisme bestaat hier helemaal niet, dat is iets Europees. Israël stelt kritiek op Israël, op zionisme, gelijk aan antisemitisme. Zodra je Joden hun recht op zelfbeschikking afneemt, dan wil je dus dat Joden onbeschermd zijn en dat is antisemitisch. Diezelfde Israëlische staatspropaganda komt uit de mond van onze regeringsleiders.’

Als VVD-leider Dilan Yesilgöz Douwe Bob ‘onversneden Jodenhaat’ verwijt, bijvoorbeeld.

‘Precies.’

Jij schreef een opiniestuk voor De Correspondent in reactie op haar uitspraken, waarin je schrijft dat het echte gevaar voor Joden wereldwijd niet van antizionisten komt, maar van mensen als Yesilgöz. Leg eens uit.

‘Omdat zij vertroebelen wat antisemitisme daadwerkelijk is. Want die Hitlergroet onlangs, bij een ‘protest’ (maakt aanhalingstekens in de lucht) tegen een azc, of die van Elon Musk – zulke dingen worden door politici als Yesilgöz nooit aangegrepen om te spreken van antisemitisme. En dus kunnen fascisten anno 2025 zomaar veinzen hoeder te zijn van een Joodse minderheid.

‘Volgens mij waren de woorden van Douwe Bob heel duidelijk. Hij zei: ik heb niks tegen Joden, ik hou van Joden, maar ik ben tegen het zionisme.

‘Als je de belangen van de Israëlische staat continu gelijkstelt aan de belangen van Joden wereldwijd, een argument direct afkomstig uit het draaiboek van Netanyahu, dan zeg je ook dat Joden dit gewelddadige genocidale systeem allemaal steunen, dat zij dit willen. Je maakt Joden daarmee kwetsbaar en tot een homogene groep, ‘de Joodse gemeenschap’, terwijl die in en buiten Nederland net als elke minderheid rijkgeschakeerd is.’

Hoe bezie jij de redenering dat Nederland de morele plicht heeft om de Joden in Israël te beschermen, omdat we het in WOII zo genadeloos hebben laten afweten?

Maar waarom zouden we Palestijnen niet moeten beschermen? Wat ontslaat ons van die verantwoordelijkheid?’

In de jaren voor 2023 voelde De Bruijn zich als activist voor Palestijnse mensenrechten regelmatig een roepende in de woestijn, nieuwsbrieven schrijvend voor een mensenrechtenorganisatie, die door ‘een handjevol mensen’ werd gelezen. Over het rücksichtslose vernietigen van Palestijnse woningen, het in brand steken van olijfboomgaarden, het schrikbarende aantal Palestijnen dat werd gearresteerd en zonder proces in de gevangenis belandde, onder wie kinderen, de vele checkpoints, het ontnemen van toegang tot water, het dagelijkse getreiter door kolonisten.

Inmiddels ontwaart hij een groeiende golf van verzet.

‘Steeds meer Nederlanders beginnen zich te realiseren dat wat wij weten van Israël en hoe wij erover denken eigenlijk propaganda is. Ik zit natuurlijk deels in mijn eigen echokamer, maar ik zie veel mensen de geschiedenis induiken om te kijken wat dat andere verhaal is, dat is gemarginaliseerd en uitgewist. Er is een bredere protestbeweging, kijk alleen al naar de twee de Rode Lijn-demonstraties, de grootste demonstraties in twintig jaar tijd.’

Terwijl de Gazastrook wordt verwoest, is er nog een tweede front: de Westelijke Jordaanoever. Israël heeft er het afgelopen jaar zo’n veertigduizend Palestijnen met grof geweld uit hun huizen verdreven.

De Bruijn was in februari op de Westoever, op plekken die ook zijn vastgelegd in de prijswinnende documentaire No Other Land. Hij spreekt een Palestijnse man die zegt: ‘We hebben ons nog nooit zo alleen gevoeld.’

Hij verbleef in het Palestijnse Oost-Jeruzalem. Met ngo Breaking the Silence bezocht De Bruijn Palestijnen in Hebron, waar de bezetting, de apartheid zich op haar meest zichtbare, dystopische manier wreekt. Straten ‘steriel’ gemaakt, Palestijn-vrij, alsof het geen mensen, maar ongedierte betreft. De in 2004 opgerichte organisatie van ex-soldaten van het Israelische leger heeft als uitgangspunt: als we getuigen van de wandaden van ons leger, dan keert iedereen zich vanzelf tegen de bezetting. De Palestijnen die De Bruijn spreekt, zeggen het ook: getuig, vertel mijn verhaal.

Al is er één die zegt wat raakt aan de kern van De Bruijns boek: ‘Als de wereld een geweten had, was het meteen gestopt.’

Je citeert de Brits-Palestijnse schrijver Arwa Mahdawi, die zich afvraagt wanneer wandaden tegen Palestijnen ooit ‘erg genoeg’ zullen zijn om de steun aan Israël te verbreken. Beelden van verkrachtingen, martelingen, vermoorde kinderen: niets lijkt genoeg. Hoe kan dat?

‘Omdat de beelden van het leed landen in een frame waarin Palestijnen blijkbaar geen mensenrechten of bescherming verdienen. Edward Said (de Palestijnse schrijver en cultuurwetenschapper, red.) schreef in 1984 al dat feiten nooit ‘voor zich’ spreken. Ze moeten worden geabsorbeerd in een cultuur die ze verwelkomt, die ervoor openstaat. Als feiten in strijd zijn met het sociale weefsel van de samenleving, zullen ze niet landen.

‘Wie in Nederland feiten over Palestina verkondigt, stuit op weerstand, uitsluiting, haat, op een zionistisch perspectief dat geen weerwoord verdraagt. En dat ertoe leidt dat we genocide actief faciliteren, door wapens en geld te sturen, en passief, door een klimaat te scheppen waarin het uitroeien van Palestijnen ongestraft kan doorgaan.

‘Uit peilingen blijkt dat de onvoorwaardelijke steun die we Israël bieden door veel Nederlanders niet meer ondersteund wordt. Mensen noemen het een genocide, ze willen dat het stopt.’

Vooralsnog hebben de Palestijnen weinig aan het verschuivende westerse sentiment.

‘Toch is het wezenlijk. Want wat ik denk en absoluut geloof: als je het eenmaal ziet, en dat geldt voor alle vormen van onrecht, voor racisme, seksisme, dan kun je het nooit meer niet zien. Je kunt niet terugkeren naar een oud normaal.

Korte stilte. ‘Tegelijkertijd, als deze genocide al niet erg genoeg is om mensen iets in te laten zien, dan bestaat er helemaal geen erg genoeg.’

Toch eindig je je boek met de Palestijnse boekhandelaar uit Oost-Jeruzalem die gelooft dat de oorlog tegen racisme, onderdrukking en dehumanisering te winnen valt met boeken.

Glimlacht: ‘Als een Palestijn dat tegen mij zegt, wie ben ik dan om te zeggen dat er geen hoop is?’

Maurits de Bruijn: Geweten. Over Israël en Palestina. Das Mag; 245 pagina’s; € 22,99.

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next