Home

Wat ‘Terug met Dutchbat’ zo goed maakt: de ruimte voor woede bij de Srebrenica-nabestaanden

Dat het holle ‘Nooit meer’ nogal aan inflatie onderhevig is, dat hoef ik vast niet uit te leggen, het journaal vertelt ons al bijna twee jaar lang (!) iets heel anders. Afgelopen vrijdag keek ik naar het afsluitende deel van Terug met Dutchbat (EO), een tweeluik over de val van Srebrenica, dertig jaar geleden, en je vraagt je toch af: hoeveel van die ‘nooit meer’-aanleidingen hebben we nodig, voordat de les is geleerd.

In juli 1995 werden in de Bosnische stad Srebrenica meer dan achtduizend moslimmannen vermoord door Servische soldaten. De eerste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog, die voorkomen had kunnen worden door de Nederlandse militairen van Dutchbat III, die in Bosnië waren gelegerd om de veiligheid te waarborgen.

In Terug met Dutchbat volgt regisseur Jos de Jager vijf van deze veteranen die deelnemen aan een zogenoemde terugkeerreis, voor afsluiting en heling. Want hoe pak je je leven weer op als je niet bij machte bent geweest iets aan die massale moordpartij te doen, als je hebt toegekeken? Het ‘nooit meer’ is in deze documentaire vooral ‘hadden we niet moeten ingrijpen?’, een schuldgevoel zo immens dat het alleen in tranen naar buiten komt. Wat een rauwe openingsscène, waarin de veteranen stuk voor stuk hun emoties toelaten (meer huilende mannen in beeld, graag!).

‘Het is heftig, maar het moet’, zegt Kevin, die PTSS opliep nadat hij was gegijzeld door de Bosnisch-Servische troepen. Hij bezoekt de plek waar hij heeft vastgezeten. Bij vrijlating zagen hij en de andere gegijzelden een container vol met lijken. Het was te laat. ‘Als huisvuil’, vertelt Kevin, schuddend van paniek.

Wat Terug met Dutchbat zo goed maakt: de ruimte voor woede, voor wrok. Juist bij de Bosniërs. Even was ik bang dat de Srebrenica-nabestaanden, met wie de veteranen in gesprek gaan, enkel zouden worden opgevoerd om de andere partij een goed gevoel te geven, om te zeggen: we vergeven het jullie, laten we vooruitkijken.

Maar voor de nabestaanden is er geen vooruit, de genocide is nog alomtegenwoordig. In een van de hallen in de enclave ontmoeten ze elkaar, op van die uniforme, plastic tuinstoelen moet dertig jaar aan zeer worden uitgesproken.

‘We dachten dat jullie ons bescherming gaven. Jullie hebben ons verraden. Jullie regering en de Navo.’

Het is kinderachtig om leed met leed te vergelijken, maar ergens steekt het, veteraan Bianca die haar dochter heeft meegenomen naar het gesprek met nabestaande Nura, van wie de zoon waarschijnlijk is vermoord.

‘U weet hoeveel mensen hier vermoord zijn en hoeveel mensen er juist uit deze hal zijn afgevoerd’, begint Nura. ‘U bevond zich ook onder die soldaten. U weet zeker nog wat hier toen gebeurde. We hebben jullie altijd om hulp gevraagd.’

Nura weet dat de aanstichters van oorlogen politici zijn. Ze beschuldigt Bianca nergens van. Maar toch is het er, dat ‘hadden jullie niet’.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next