World Press Photo bekroonde dit jaar, zonder het te weten, een fotograaf die voor het Russische staatspersbureau werkt. Maakt dat die foto slechter? En: wat telt bij fotojournalistiek het meest, het beeld, of de intentie van de fotograaf?
is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.
Aanvankelijk was ik aangenaam verrast dat bij World Press Photo een serie te zien is van een Russische fotograaf. Mikhail Tereshchenko heet hij. Zijn onderscheiden reportage over grootschalige protesten in de Georgische hoofdstad Tbilisi prijkt aan een wand in De Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Mooi, dacht ik, dat ook een Rús oog heeft voor een volk dat zich al decennialang tracht te ontworstelen aan de houdgreep van Rusland.
Een volk dat in november 2024 in Tbilisi hevig demonstreerde tegen de Moskougezinde regeringspartij Georgische Droom. Zo’n demonstratie is de nachtmerrie van Poetin-aanhangers, anti-lhbti’ers, anti-EU’ers. Een meerderheid van de Georgiërs verlangt juist naar aansluiting bij Europa.
Tereshchenko’s foto’s tonen hoe vastberaden de veelal jonge demonstranten zich met barricades, vuurwerk, megafoons, nationale vlaggen en de macht van het getal in de donkere nacht teweerstellen tegen de ordetroepen die zijn bewapend met traangas, waterkanonnen en rubberkogels. Die ordetroepen treden keihard op, ook tegen aanwezige journalisten, die worden afgetuigd en gearresteerd, hun apparatuur wordt vernield.
De krachtigste en aangrijpendste foto: een jonge vrouw met een skibril op het voorhoofd die water langs haar ogen spuit tegen het bijtende traangas.
Het protest riep herinneringen bij me op: op dezelfde plek, bij het parlementsgebouw, waar zij protesteerden, werd in april 1989 een demonstratie tegen Moskou en de communistische dictatuur met grof geweld door het Rode Leger onderdrukt. Rond de twintig doden, honderden gewonden. Een paar maanden na dat drama was ik in Tbilisi en realiseerde ik me bij de geïmproviseerde straatmonumentjes voor de doden van nabij wat de dictatuur aanrichtte.
Schrijnend, dacht ik in De Nieuwe Kerk, dat de strijd voor Georgische onafhankelijkheid 35 jaar en een vijfdaagse oorlog (in 2008) later dus nog steeds niet is gestreden.
En dat juist een Russische fotograaf zich tussen de demonstranten had gewaagd: prijzenswaardig. Het voelde als een bondgenoot in de strijd voor zelfbeschikking.
Maar wat bleek: Tereshchenko werkt voor staatspersbureau Tass, een oude bekende uit de communistische era en nu nog steeds his master’s voice in de onder Poetin gelijkgeschakelde media. Waren deze foto’s een blijk van Kremlineske toegeeflijkheid, om de wereld te tonen dat een kritische blik echt, heus wel mogelijk is? Had de censor van Tass zitten pitten? Of had de fotograaf na een hoogoplopende discussie met zijn meerderen het pleit heldhaftig in zijn voordeel, ten gunste van zijn fotojournalistieke geloofwaardigheid, beslecht?
De reacties uit Georgië waren in ieder geval woedend. Moest nu juist het werk van een Rus een prijs winnen, terwijl de Georgische pers eronder wordt gehouden?
World Press Photo voelde zich genoodzaakt te reageren: de jury, zo verklaarde de organisatie, maakt haar selecties op basis van anonimiteit. De inzending voldoet aan de criteria voor deelname aan de competitie, de ‘authenticiteit van de foto’s zelf en de gebeurtenissen die ze vastleggen’ staan niet ter discussie.
Een ongemakkelijk feit, erkende WPP, dat aanleiding vormt om de toekomstige deelname van staatsgecontroleerde agentschappen tegen het licht te houden. Maar Tereshchenko’s prijs werd niet teruggetrokken.
Het had niet veel gescheeld of Tereshchenko was aanwezig geweest bij de feestelijke prijsuitreikingen van WPP in Amsterdam in mei. Zijn uitnodiging werd echter ingetrokken nadat duidelijk werd dat hij in een interview eind maart had gesproken over ‘de bevrijding van Marioepol’. De Oekraïense stad werd door de Russen compleet aan gort gebombardeerd, en wordt nu door hen bezet gehouden.
Tereshchenko was zelf in Marioepol, tussen de verwoeste flatgebouwen, zo blijkt uit foto’s op zijn Instagramaccount. In zekere zin toonde hij in dat interview zijn ware gezicht.
Mijn pogingen om via zijn Instagramaccount uitleg te krijgen, strandden op zijn stilzwijgen.
Tereshchenko’s kennelijke sympathie voor de agressie van het Kremlin bood WPP een ontsnapping aan een dreigend fiasco bij de Award Ceremony. Zo voorkwam de organisatie dat hij in dezelfde Nieuwe Kerk (nota bene door prins Constantijn, beschermheer van WPP) in het zonnetje werd gezet. Daar werd twee jaar eerder nog de Oekraïense fotograaf Evgeniy Maloletka geëerd voor zijn foto van een stervende zwangere vrouw bij een door de Russen gebombardeerde kraamkliniek in Marioepol.
De kwestie Tereshchenko bleef me hinderen – een steentje in je schoen, zeg je dan.
Want waar was, bij mijn bezoek aan de tentoonstelling, míjn kritische blik gebleven? Hoe kon het dat ik aanvankelijk geen argwaan koesterde en – laat ik in dit verband maar niet zeggen: blind – uitging van de zuivere intenties van de fotograaf?
Op de site van WPP bekeek ik zijn foto’s nog eens. Tereshchenko begeeft zich in de straatgevechten tussen de demonstranten. Niet zonder risico, maar, realiseerde ik me nu, wie weet genoot hij als Tass-fotograaf de bescherming die andere collega’s moesten ontberen. Kon Tereshchenko zijn foto’s in the heat of the moment makkelijker maken omdat hij zich, anders dan anderen, geen zorgen hoefde te maken om wapenstokken en rubberkogels?
Misschien heeft hij zo oneerlijk voordeel gehad op de concurrentie, want ja, dat speelt in de fotojournalistiek nu eenmaal ook een rol.
Hoe zouden deze foto’s in Rusland zijn ontvangen, ervan uitgaande dat Tass ze daar heeft verspreid? Ik probeerde me te verplaatsen in een beeldredacteur in Moskou – laten we hem Antonov noemen – die bij dezelfde fotoserie, net als ik, aan het interpreteren slaat. Zo welwillend als ik Tereshchenko’s werk in de Nieuwe Kerk bekeek, zo welwillend keek Antonov er wellicht ook naar. Maar hij zag andere dingen.
Gevoed door jarenlange propaganda vanuit het Kremlin zag Antonov geen dappere strijders voor democratie, maar dwaallichten die zich voor het karretje van het vijandige Westen hebben laten spannen. Kijk maar naar die massa, verenigd onder de vlag van de vijand Georgië en de blauwe vlag met sterren van de niet minder vijandige Europese Unie.
Ordeverstoorders zag hij, die illegale blokkades opwerpen en zwaar vuurwerk afsteken. Waar de jonge vrouw met haar betraande gezicht mijn sympathie had, knarste Antonov juist de tanden bij zoveel naïeve subversie tegen beter weten in.
Zoals de demonstranten in Tbilisi voor mij een baken van hoop betekenen voor een vrij Georgië, zo ziet Antonov op Tereshchenko’s foto’s een bedreiging voor de traditionele Russische waarden, propaganda voor woke, en hinder voor Poetins streven naar het herstel van het Groot-Russische rijk binnen de grenzen van de oude Sovjet-Unie, inclusief Georgië.
Een opsteker dat ook zo’n westerse (Nederlandse) organisatie als World Press Photo, in navolging van Donald Trump, kennelijk begint in te zien dat woke een bedreiging vormt voor traditionele familiewaarden. En dat WPP dat uitdraagt op de populaire tentoonstelling, die in tientallen landen is te zien. Mooi!, denkt Antonov.
In de loop der jaren heb ik aardig wat WPP-winnaars geïnterviewd: de Denen Mads Nissen en Erik Refner, de Amerikaan John Stanmeyer, wijlen Tim Hetherington uit Engeland, de Zweed Paul Hansen. Bij geen van hen heb ik een tel getwijfeld aan hun integriteit, de oprechtheid van hun zoektocht naar rechtvaardigheid en de onthulling van onrecht.
Dat hoefde kritische vragen niet in de weg te staan; ik was niet idolaat. Maar dat vertrouwen vormde wel de stevige grond waarop we naar de wereld, en ik naar hun werk keek.
Toch zijn er, sinds ik over fotojournalistiek schrijf, veelvuldig momenten geweest waarop de intenties van de fotograaf op een ronduit schokkende wijze botsten met de veronderstellingen die, afgaande op zijn werk, in me hadden postgevat.
Niet van obscure beelden, maar van iconische foto’s die ankers vormen in ons collectieve bewustzijn. Dat ze zo’n indruk maakten – op mij, en met mij op miljoenen, dat immers maakt een beeld iconisch – heeft te maken met de esthetische kwaliteit en de empathie die bij hun aanblik als een reflex opwelt en de achterdocht wegneemt.
Neem de beroemde, hartverscheurende foto van een Joods jongetje met – ten teken van overgave – de armen omhoog, bij de vernietiging van het getto van Warschau door de nazi’s. Het kind heeft zich met ongeveer twintig (althans zoveel zijn er zichtbaar) lotgenoten overgegeven aan de militaire overmacht.
Vanaf de zijkant bekijken vier Duitse soldaten de wanhopige groep. Het jongetje draagt een pet, hij heeft zijn winterjas dichtgeknoopt. Zijn benen zijn bloot, hij draagt hoge schoenen met kniekousen. Zijn gezicht toont pure angst.
Het voelt ongepast om zo over de foto te schrijven, maar de compositie heeft onmiskenbaar esthetische kwaliteit. De halve cirkel die de groep vormt, versterkt de aandacht op de eenzaamheid van het jongetje. Het dreigende wapen van de Duitse soldaat, de loop in zijn richting, geeft de foto een macabere suspense.
De theatrale setting draagt bij aan het iconische karakter. En door de compassie die ik de getalenteerde fotograaf toedichtte – hoe zou je zo’n foto zonder grote empathie kunnen maken? – vermoedde ik dat hij zijn leven in de waagschaal moet hebben gesteld om de opname te midden van de zwaarbewapende SS’ers heimelijk te maken.
Het contrast met de werkelijkheid had niet groter kunnen zijn.
De foto maakt deel uit van de beeldreportage die SS-generaal Jürgen Stroop liet maken over de door hem geleide gruwelijke onderdrukking van de opstand in het getto van Warschau, en de uiteindelijke verwoesting van de wijk. In ruim een maand tijd werden in 1943 duizenden Joden ter plekke vermoord, tot zelfmoord gedreven omdat hun huizen in brand werden gestoken, of gedeporteerd naar vernietigingskampen.
Stroop doet in zijn rapport ‘Es gibt keinen jüdischen Wohnbezirk in Warschau mehr’ verslag van de dagelijkse vorderingen bij de succesvolle bestrijding van ‘Juden, Untermenschen en Banditen’. Drie exemplaren liet hij in leer inbinden: een voor zijn meerdere Friedrich Krüger, een voor nazi-bons Himmler, en eentje voor zichzelf. De opzet van het ‘feitenrelaas’ doet denken aan een trouwalbum, een dierbare herinnering voor later.
De intenties van het rapport en de foto’s stonden dus diametraal tegenover mijn veronderstelling: de beelden moesten vooral bewijzen hoe hardnekkig het verzet van de Joden was, en hoe ze zich in kelders en alkoven als ratten verscholen hielden om hun lot te ontlopen.
Op een van de foto’s staan de SS’ers die de Grossaktion leidden lachend naast de woonkazernes waar de vlammen uitslaan en de lijken voor de deur liggen. Wie de (anonieme) fotograaf ook was, in deze foto’s spiegelt zich het onvoorstelbare, ultieme kwaad, voor én achter de camera.
Stroop, overigens, werd na de capitulatie uitgeleverd aan Polen, waar hij in 1951 na een proces werd terechtgesteld.
Een ander voorbeeld. Op 22 februari 1941 pakte de Ordnungspolizei 427 mannen en jongens op, die werden samengedreven op het Amsterdamse Jonas Daniël Meijerplein. Daar werden ze geslagen, tegen de grond gewerkt en achternagezeten, beschamende taferelen die door een Duitser werden vastgelegd.
Er zijn dus beelden van, 21 om precies te zijn. Een aantal daarvan is onscherp door de beweging van de opgejaagde mensen, waardoor je denkt dat een ooggetuige ze onopgemerkt, van onder zijn jas, heeft gemaakt.
Maar ook hier geldt: de schande die wij bij deze foto’s willen uitschreeuwen is niet die van de fotograaf. Die maakte de foto’s, net als zijn collega in Warschau, om visueel verslag te doen aan Himmler, de opdrachtgever van de razzia. De fotograaf liet de foto’s ontwikkelen en afdrukken bij fotowinkel Lux (het latere Capi-Lux) op het Roelof Hartplein, waar een medewerker stiekem een tweede set afdrukken maakte.
Op twee foto’s na, die in april 1945 door het verzetsblad Vrij Nederland werden gepubliceerd, werd de serie pas na de Duitse capitulatie geopenbaard. Van de 427 arrestanten overleefden er twee de oorlog.
Twee recente boeken over fotografie laten zien hoezeer niet alleen wat er op een foto zichtbaar is bepalend is voor het morele gehalte van de visuele informatie, maar ook wie de foto gemaakt heeft. Zowel in De ondergedoken camera – Het laatste oorlogsjaar, Amsterdam 1944-1945 als in Achtung! Ich knipse! – Duitse soldaten fotograferen in bezet Nederland, komen veelvuldig militairen en militaire objecten voor.
Maar waar in het eerste boek van Niod-historici René Kok en Erik Somers de opnamen werden gemaakt door verzetsfotografen die hun leven waagden om het aanzien van de Duitse bezetting voor de toekomst veilig te stellen, tonen de foto’s in Ich knipse!, van fotohistoricus Gerard Groeneveld, open en bloot militaire stellingen.
Het laat de manschappen van de SS Totenkopf-Standarte 4 blijkbaar koud dat hun bunker aan de Atlantikwall bij het Zuid-Hollandse Monster aan nieuwsgierige blikken wordt prijsgegeven. Ontspannen poseren de nazi’s tussen de duinen en het beschermende beton.
Hoe anders is de foto die Charles Breijer voor De ondergedoken camera heimelijk maakte van een Duitse wachtpost bij het Stützpunkt bij het Vondelpark in Amsterdam. In het centrum van de opname staat een wachter, op de voorgrond is de schaduw te zien van de fotograaf die met een zekere doodsverachting zijn in een fietstas verstopte camera bedient.
Zo zijn er wel meer overeenkomstige onderwerpen in de twee publicaties. In De ondergedoken camera fotografeert Cees Holtzapffel vanuit zijn woning in de Lairessestraat een Duitse militaire eenheid. Stram marcheren ze over de bijna verlaten straat, gadegeslagen door enkele mannelijke voorbijgangers. In Ich knipse! (vertaald: ‘Ik maak een kiekje’) heeft een anonymus een propagandamars in Apeldoorn gefotografeerd van SS-regiment Germania. Met zwarte, glimmend gepoetste laarzen marcheren de nazi’s door de straten, jonge jongetjes langszij zijn danig onder de indruk.
Bij het Vondelpark hield een fotograaf de adem in. In Apeldoorn juichte hij uit volle borst mee.
In De ondergedoken camera is vooral oog voor verzetsacties, onderdrukking, hongersnood, verwoesting. In Ich knipse! overheersen ontspanning van de Duitse soldaten, sportief en cultureel vermaak, verbroedering en vriendschappen met de Nederlanders, jonge vrouwen in het bijzonder.
Foto’s die prima aansluiten bij de propagandistische waarde die de nazi’s aan (amateur)fotografie toekenden. Ze hielpen mee aan de normalisering van de bezetting, droegen bij aan het positieve beeld dat van de Duitse soldaat werd geschetst, gaven het thuisfront een geruststellende boodschap.
Wie dacht er aan de gruweldaden die de Ordnungspolizei aan het oostfront zou plegen – verkrachten, ophangen, executeren – bij de aanblik van een lid van die Ordnungspolizei in Marken met twee jonge meisjes in klederdracht, eentje op de arm?
Terug naar de intenties van de fotografen. Waar de ‘ondergedoken’ fotografen aan de goede kant van de geschiedenis staan, zijn de Duitse fotoamateurs niet vanzelfsprekend aan de foute kant te scharen. Natuurlijk, de vanzelfsprekendheid en brutaliteit waarmee zij op hun foto’s de Nederlandse terrassen en stranden bevolken, recreëren in de parken en flirten met de Volendamse meisjes, is tergend. En hoewel er volop SS’ers en ander nazigebroed figureren in Ich knipse!, zijn de meeste foto’s in het fascinerende boek van Groeneveld bijna alledaags – bijna.
Juist daarin schuilen de leugen en de effectiviteit van de propaganda. Als iemand voor hem onwelgevallige zaken doelbewust buiten beeld houdt, ensceneert, manipuleert, is er sprake van een morele schuld, hoe moeilijk te bewijzen ook. Maar de vrijetijdskiekjes van Duitsers op verlof hebben eveneens een propagandistisch element, ook onbedoeld dragen ze bij aan collectieve schuld en maken alledaags wat geenszins alledaags hoort te zijn.
De slaperige, goeiige Heinz, twee jaar gelegerd op Vlieland zonder een schot te lossen, bouwde met zijn Baldur boxtoestel in de aanslag mee aan de illusie van het Duizendjarig Rijk.
Ik huiver om Tass-fotograaf Tereshchenko te rangschikken onder Poetins propagandisten, hoewel zijn stilzwijgen hem verdacht maakt. Maar hoe dan ook ben ik hem én World Press Photo in zekere zin dankbaar. Door de toekenning van zijn prijs heeft mijn vertrouwen in de intenties van de fotojournalistiek en de geloofwaardigheid van het gebodene een kras opgelopen – een blessing in disguise. Dientengevolge kijk ik voortaan met meer argwaan naar de hooggeachte instantie die zich klaarblijkelijk, althans gedeeltelijk, in de dode hoek van mijn kritische blik bevond.
Altijd blijven scherpstellen op de achtergronden, dat heb ik ervan geleerd.
Gerard Groeneveld: Achtung! Ich knipse! – Duitse soldaten fotograferen in bezet Nederland. WBooks; 160 pagina’s; € 34,95.
René Kok, Erik Somers: De ondergedoken camera – Het laatste oorlogsjaar, Amsterdam, 1944-1945. WBooks; 256 pagina’s; € 39,95.
Gelijknamige expositie in Foam, Amsterdam, t/m 1 september.
Expositie World Press Photo 2025, De Nieuwe Kerk Amsterdam, t/m 21 september.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant