Het kan niemand zijn ontgaan: Lena Dunham is terug, met de nieuwe tv-serie Too Much. En weer kan ze het niet laten om eerlijk te zijn, lijkt het, over haar lijf, haar liefdesleven, hoe het voor haar is om Lena Dunham te zijn.
Lena Dunham heeft erom gevraagd. In de pilot van Girls – de HBO-serie die haar in 2012 wereldberoemd maakte – bedelt haar alter ego Hannah Horvath bij haar ouders om nog één jaartje financiële ondersteuning, zodat ze in onbetaalbaar Brooklyn haar debuut kan afschrijven: ‘I think I might be the voice of my generation.’
Die classificatie werd gretig overgenomen door de media. Om Dunhams talent als schrijver/regisseur/acteur te bevestigen, zeker. Maar ook om de pretentie te bespotten dat deze witte, geprivilegieerde, narcistische autofictie representatief zou zijn voor de millennialgeneratie.
Dat die generatie nogal met zichzelf bezig was bleek wel uit de stroom analyses die na elke aflevering het internet blank zette. Er werd net zo veel geschreven over wat Girls, een show over vier vriendinnen in New York, allemaal over ‘onze’ generatie zou zeggen, als over wat de show naliet te vermelden over die generatie.
Als we Girls terugkijken – dertien jaar later, nu Dunham haar nieuwe Netflix-serie Too Much lanceert – wat zien we daarin dan van deze met generaties geobsedeerde generatie? Wat was dat, de millennial? (Los van indiepop, latte art en skinny jeans?)
Ten eerste markeerde de serie de overgang naar een tijdperk waarin volwassenheid minstens tien jaar langer op zich laat wachten dan voorheen. De vier hoofdpersonen zijn kleuters in vrouwenlijven. Deze twintigers doen harddrugs, hebben kinky seks, stellen zich bloot aan getrouwde mannen, grijpgrage leidinggevenden en andere harde realiteiten, maar ze leven in hun hoofd in een sprookjeswereld en kunnen nog geen ei bakken.
Dat is geen tekortkoming van de serie, het is de effectieve manier waarop Dunham haar leeftijdgenoten typeerde als overbeschermd én afgestompt, naïef én straatwijs – tegenstrijdigheden die Gen-Z inmiddels heeft geperfectioneerd.
Het gekke aan Girls: het was zowel braaf als edgy. Meisjesachtig, als een Sex & The City-poster aan je muur, maar tegelijk veel rauwer dan die illustere voorganger. Zo was het toen nog opzienbarend dat Dunham vrouwen castte met ‘normale lichamen’, zoals zijzelf. Die lichamen toonde ze op de wc, vretend in het felle licht van de koelkast, bloot in onflatteuze posities.
Vooral zichzelf spaarde Dunham niet. In de eerste aflevering zagen we Hannahs minnaar, de grote vriendelijke gek Adam (Adam Driver), haar panty van haar billen rukken om haar onceremonieel van achteren te nemen terwijl zij verward om zich heen kijkt. Een wijdverbreid debat over consent was er nog niet; het is allemaal opvallend pre-MeToo.
Eerlijk ook, over hoe een onervaren meisje zich schoorvoetend schikt naar de mild geperverteerde voorkeuren van een man. En dat toevallig ook opwindend blijkt te vinden.
Die romantiekloze, bevrijde seks was baanbrekend. Maar Dunhams artistieke invloed was breder. Gevolgd door series als Fleabag, I May Destroy You en in Nederland Bodem legde Girls de basis voor een nieuw soort antiheldin, met een eigen genre dat uitdraagt: vrouwen zijn mensen, en soms monsters.
Dat Lena Dunhams eerlijkheid tegen exhibitionisme aanschuurde maakte haar destijds ook doelwit van een specifiek soort misogynie, gereserveerd voor vrouwen die zich blootgeven. Vrouwen die te veel laten zien. Haar toewijding aan bodypositivity kwam tegen een prijs: constante bodyshaming.
Het was dankzij de opkomst van sociale media voor het eerst dat haat in vloedgolven over je heen kon slaan terwijl je veilig op je kamertje zat. Dunham had zich ongekend kwetsbaar opgesteld met Girls (en met een paar domme opmerkingen in de pers), maar hier had ze niet om gevraagd. Na het zesde, laatste seizoen in 2017 verdween ze uit de publiciteit.
En nu is ze terug, het zal niemand ontgaan zijn, met de nieuwe serie Too Much. Voor iemand die zich deze keer uit zelfbescherming vooral achter de camera verschanst, is het toch een behoorlijke Lena Dunham-show in de media. Ze kan het niet laten om eerlijk te zijn, lijkt het, over haar lijf, haar liefdesleven, hoe het voor haar is om Lena Dunham te zijn.
De titel verraadt al dat het autobiografische niet uit haar werk is verdwenen. Jessica, de hoofdpersoon van de romcom Too Much (gespeeld door Megan Stalter) deelt een bloedgroep met Hannah Horvath. She’s a lot, zou je tegenwoordig zeggen, veel lijf, veel volume, veel eigenzinnigheden. De New Yorkse bijna-dertiger Jessica is net als Hannah een zachtaardig soort narcist met kinderlijk grote verwachtingen.
Die grote verwachtingen projecteren zich op Londen in ‘The Kingdom of the United’, waar Jessica na een break-up naartoe verhuist in de hoop daar Love Actually te kunnen leven. Ze ontmoet er daadwerkelijk een Brit die haar veelheid omarmt. Samen werken ze zich luchthartig door hun respectievelijke complexen heen. Dit is misschien wel het toppunt van romantiek voor de millennial: elkaars trauma’s helen.
Jessica is soms zo 19de-eeuws hysterisch dat je je afvraagt of Dunham zich dat seksistische scheldwoord heeft willen her-toe-eigenen. Die schaamteloosheid voelt inmiddels minder revolutionair, zeggen sommige critici teleurgesteld. We zijn – mede door Girls – wel wat gewend.
Misschien moet je van een vrouw midden in haar carrière ook geen genrebrekende avantgarde verwachten, maar gewoon steengoed schrijfwerk. De stem van je generatie hoef je niet decennialang te blijven, het momentum gaat voorbij.
Too Much kijkt minder als een generatieportret dan als een hervertelling die, zoals elke romcom, voor de zoveelste keer de vraag stelt: wat is liefde nu?
Voor Dunham lijkt het in de liefde, net als in kunst, van het grootste belang dat je compromisloos kunt zijn wie je bent, ook als de haters dat too much vinden. Jessica is, net als Hannah, net als hun schepper, nog altijd bewonderenswaardig ongefilterd zichzelf.
Zoals de hoofdpersoon haar gehandicapte naakthond Astrid omschrijft: ‘She’s a weirdo, but she’s an iconic queen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant