Nieuwe albums Op het reüniealbum van Clipse is nog steeds ruimte voor raps over cocaïnehandel, maar ook voor een minder gepantserde houding. Het tweede album van Kokoroko is een zomers buurtfeestje dat nooit hoeft te eindigen.
Op het nieuwe album van rapduo Clipse, de eerste gezamenlijke plaat van de rappende broers Pusha T en Malice sinds 2009, wordt geen lettergreep verkwist. De veteranen uit Virginia zijn onderkoelde scherpschutters en vuren elk woord in hun arsenaal vol nadruk, kracht en precisie af – met voldoende ruimte tussen de woorden en zinnen, zodat ze op eigen kracht kunnen ademen.
Hiphop
Clipse
Let God Sort Em Out
De twee broers zijn vóór alles liefhebbers van het spel zelf. Van de kunst van rap als topsport. Van voortdurende onderlinge creatieve competitie, elkaar verder omhoogstuwen en met indringende rijmschema’s, dictie, cadans, metaforen en dubbele betekenissen, en vol flair en ritmische virtuositeit, hun zinnen één-voor-één in de ziel van hun luisteraars branden.
In een van de vele vermakelijke online-interviews rondom dit album, beluisteren de twee hun eigen werk en trekken ze bij elke gerapte voltreffer genietend hun gezichten samen. Pusha T is kwispelend enthousiast nu hij zijn grote broer weer naast zich heeft, en vertelt grijnzend hoe hij baalt wanneer Malice een kwinkslag rapt die hij zelf had willen bedenken. De afgelopen jaren waren de twee actief als soloartiesten. Pusha T bleef prominent op het mainstreampodium en bracht sterke en kleurrijke soloalbums uit in samenwerking met Kanye West. Malice trok zich wat meer terug om zich in zijn religieuze ontwikkeling te verdiepen en maakte als ‘No Malice’ muziek die bij die spirituele zoektocht paste. Inmiddels heeft hij een vorm gevonden waarin hij de superieure drugsdealerfictie met een sinister randje, waarmee Clipse in de jaren nul naam maakte, verbindt met doorleefde en religieus geladen reflectie.
Hun reüniealbum is een messcherp meesterwerk waarin nog steeds koelbloedig en vol kleur over cocaïnehandel en decadentie wordt gerapt, en collega-rappers met tegelijk grimmige en grappige zinnen als minderwaardig in de hoek worden gezet. Maar er is ook ruimte voor melancholie en een wat minder gepantserde houding, zoals in gloedvolle openingstrack ‘The Birds Don’t Sing’, waarin ze openhartig en met beeldende details terugblikken op het verlies van hun ouders die kort na elkaar overleden.
Ook Pharrell is terug, als lid van The Neptunes verantwoordelijk voor de grensverleggende producties waarmee Clipse naam maakte. Hij voorziet ze met al evenveel nadruk en perfectionisme van geweldige, minimalistische beats waarin elk detail – een penetrant gierend orgeltje, sfeerbepalende sample vol strijkers, rauwe synthesizers – vol precisie wordt ingezet. Zelfs de gastartiesten gaan in deze context van technisch perfectionisme nog net even een stap verder. Kendrick Lamar is duizelingwekkend op dreef in het heerlijk zuigende ‘Chains & Whips’ waarin hij eindeloos varieert en allitereert met het woord ‘gen’; evenals een ronduit ontketende Tyler, The Creator in het rauw stuwende ‘P.O.V.’
Saul van Stapele
Clipse treedt 5 november op in 013, Tilburg.
De zon is onder, het is avond, maar de stenen van de stad zijn nog warm van de zomerdag. Er is een feestje, er zijn vrienden en er zijn vreemden die vanavond vrienden gaan worden. De stad heet Londen, of Lagos, misschien Rotterdam, het kan ook Amersfoort zijn. Er is muziek en alles is goed.
Pop
Kokoroko
Tuff Times Never Last
Het is niet makkelijk om een zomeravondplaat te maken die elf nummers lang blijft boeien. Zomeravondplaten hebben de neiging te gaan kabbelen, te worden overstemd door gelach, door iemand die vraagt wie er mee gaat bier halen. Maar Kokoroko krijgt het ruimschoots voor elkaar met hun tweede album Tuff Times Never Last.
Dat komt omdat de zomeravond van het Londense septet niet alleen slim tussen gemoedelijk en feestelijk balanceert, maar ook tussen nostalgisch en verwachtingsvol, alsof de avond straks kalm kan eindigen – en iedereen daarmee vrede heeft – of juist keer op keer verlengd kan worden – en iedereen daarmee vrede heeft.
Op hun eerste album Could We Be More presenteerde Kokoroko zich in 2022 nog als voortstuwers van de afrobeat, nadrukkelijk teruggrijpend naar de West-Afrikaanse roots van de bandleden. In het nieuwe werk heeft afrobeat plaatsgemaakt voor r&b uit de jaren tachtig, bossanova, lovers-rock en Nigeriaanse disco. De band, bestaande uit jazzmuzikanten uit Zuid-Londen, laat zich dit keer inspireren door de reggae van Sly & Robbie, afro-soul van Cymande en disco van William Onyeabor.
Door het hele album is een zware, lome baslijn aanwezig. Op openingsnummer ‘Never Lost’ biedt die de basis voor een dagdroomliedje met een wiebelige trompet, daarna volgt ‘Sweetie’, een vrolijke, licht weemoedige West-Afrikaanse discotune. Geen vloervuller met stampende bas, maar een beat met veel accenten, blazers en een verdwaalde drumcomputer. Er is bovendien opmerkelijk veel zang, met onder meer fijne gaststemmen zoals die van de Britse zangers Demae en Azekel. Die laatste geeft het meesterlijke nummer ‘Three Piece Suit’ een vleugje Curtis Mayfield mee.
Met dit album bouwt Kokoroko haar oeuvre verder uit. Waar het bij het debuut vooral leek op oud werk in een nieuw jasje, wordt nu duidelijk dat het septet aan een volwaardig eigen sound werkt. Nog altijd grijpt de band terug naar een nostalgisch verleden, maar dat verleden meandert nu langs veel meer stijlen, generaties en plekken: de Afrikaanse diaspora die samenkomt in Londen. Op de meest recente single ‘Just Can’t Wait’ klinkt Britse jazzfunk uit de jaren tachtig, maar ook een vloeiend gitaarintermezzo zoals je dat hoort in Congolese rumba en Ghanese highlife.
Het zomeravondthema komt ook nadrukkelijk terug in de artwork van het album: een feestje waarop verschillende generaties elkaar treffen, steekt af tegen een skyline van flatgebouwen. Het is geïnspireerd op Crooklyn, de film van Spike Lee uit 1994. De zomeravond van het album Tuff Times Never Last is dan ook niet de avond die eindigt in de club of in een wild drankgelag. Het is een buurtfeestje met vrienden en familie. Trouwens, op zondagochtend, bij het opruimen met de deuren open, volstaat dezelfde muziek als de avond ervoor.
Leendert van der Valk
Dat Larry June aan een foutloze reeks topalbums bezig is, is niets nieuws. Maar dat zijn keuzes voor producers zó goed zou uitpakken is op z’n zachtst gezegd bijzonder. Voor Until Night Comes is het Cardo Got Wings, meesterbrein achter monsterhits van Travis Scott, Kendrick Lamar en Drake. Vooral de titeltrack en ‘100 Bags’ zijn exceptioneel goed. G-Funk is helemaal terug, en wat klinkt die bounce heerlijk. (Jonasz Dekkers)
In twee weken tijd kwam CHO met een rapalbum, GIOVANNI I, en een r&b-album, GIOVANNI II. Het tekent de veelzijdigheid van de enigmatische rapper uit de Bijlmer. Op het eerste album staat tekstueel hoogstaande rap, vooral in ‘WHADDUP’ met D-Double. Maar vooral: goeie sfeer, sterke flow, lekkere cadans op ingetogen, trappy beats. Op II is zijn flow gevoeliger, zwijmelend lekker (‘CARXXX’ met Idaly bijvoorbeeld). Het werkt lekker, ook door slimme samenwerkingen. (JD)
De Griselda crew van Benny the Butcher uit Buffalo, waar ook zijn neven Westside Gunn en Conway the Machine deel van uitmaken, maakt een soort hardcore, horror rap. Die typische, vlijmscherpe Buffalo boom bap kan heftig zijn, daarom is het fijn dat Benny the Butcher op Summertime Butch 2 wat zomerse invloeden toelaat. De skits onderbreken de flow, maar ‘Why Would I’ is een soundscapey, dromerig hoogtepunt. (JD)
Na de mooie crossoverplaat Where Are We presenteert tenorsaxofonist Joshua Redman weer elegante jazz. In een sfeer van tóén, de pandemie, weet u nog: die verbijstering en dat verslagen gevoel. Redman heeft melancholische klanken, ook veel op sopraan. Maar met dit frisse en jonge kwartet – de piepjonge trompettist Skylar Tang in ‘Icarus’! – is het vliegen. (Amanda Kuyper)
Meer albums: nrc.nl/albums
Het laatste boekennieuws met onze recensies de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC