Het simpel tellen van het aantal debatdeelnames en ingediende moties miskent de rol van Kamerleden van coalitiepartijen in het huidige stelsel. Voor hen is er immers nauwelijks een prikkel om debatten bij te wonen of om moties in te dienen.
Deze week kwam uit onderzoek van de NOS naar voren dat het Kamerwerk, in verhouding tot de fractiegrootte, het afgelopen parlementair jaar een onevenredige verdeling kende. Waar het op neer kwam is dat de PVV, als grootste fractie met 37 zetels, verhoudingsgewijs het minste aantal debatten bijwoont en het minste aantal moties indient.
Ironisch was dat niet de PVV-stemmers blijk gaven van ontstemming over deze vorm van ‘werkweigering’, maar dat die kritiek juist uit de andere hoek kwam, van mensen die over het algemeen niets hebben met de PVV. Niet dat zij ineens hadden gewenst dat de PVV-Kamerleden wat meer energie hadden gestoken in het realiseren van hun plannen. Nee: de hoofdmoot was niet ideologisch, maar economisch van aard. Tegen zo’n riante vergoeding hadden die Kamerleden toch wel wat meer inspanningen mogen leveren? Dan hadden we in ieder geval nog waar voor ons geld gehad!
In ons land doet een nieuwsbericht over uitvreters het nog altijd uitstekend, zo bleek weer eens. Zoals het spreekwoord leert, is woede geen goede raadgever, maar uit de reacties op het onderzoek blijkt dat verontwaardiging dit evenmin is. De vraag of het tellen van het aantal deelgenomen debatten of ingediende moties überhaupt een zinnig criterium is, werd niet meer gesteld. Terwijl het juist zeer nuttig is om daarover na te denken.
Over de auteur
Ewout Oldenhuis is jurist.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Welke partij kwam als het best scorende uit het onderzoek? Dat was, niet geheel verrassend, GroenLinks-PvdA als grootste oppositiepartij. Dat die partij wellicht niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief de grootste tegenstander was van deze coalitie, het meest aan debatten heeft deelgenomen en de meeste moties heeft ingediend, ligt natuurlijk voor de hand. Wanneer een dergelijk onderzoek over het kabinet-Rutte IV zou worden uitgevoerd, is de kans dan ook vrij groot dat ook de PVV daarin als grootste oppositiepartij goed naar voren komt.
Het problematische aan deze vorm van onderzoek is dat het de schijn wekt dat de impact van het Kamerwerk is vast te stellen middels een simpele rekensom. Maar deze waardenvrije bestuurskundige benadering van het optellen van een paar willekeurige variabelen staat volledig los van de maatschappelijke en politieke context die achter deze cijfers schuil gaan.
Het tellen van moties is bovendien een vreemd criterium met in het achterhoofd dat er amper een jaar geleden nog, naar het oordeel van sommige oppositiepartijen, juist te veel moties werden ingediend, waarbij dit weinig flatteus werd gekwalificeerd als de kwaal van een ‘motie-diarree’.
Het simpel optellen van het aantal debatdeelnames en ingediende moties miskent daarnaast de rol van Kamerleden van coalitiepartijen in het huidige stelsel. Voor hen is er nauwelijks een prikkel om debatten bij te wonen of om moties in te dienen. Het stemgedrag van partijen wordt door de coalitiepartijen voor een groot deel al op voorhand buiten de parlementaire zaal onderling afgestemd. En over het aantal vrije kwesties dat buiten het regeerakkoord valt, wordt tijdens de verschillende fractievergaderingen een beslissing genomen.
Als er dus al enig debat over plaatsvindt, dan gebeurt dat binnen iedere partij afzonderlijk. Daarnaast moet, ondanks de talloze debatten die gevoerd worden, de eerste politicus die zich laat overtuigen tijdens een parlementair debat nog steeds geboren worden. Tijdens de debatten vertegenwoordig je veelal het beleid van je ‘eigen’ minister uit de coalitie en fungeer je slechts als schietschijf van vijandige oppositiepartijen. Erkennen dat een tegenstander van de oppositie een goed punt heeft waar je het eigenlijk wel mee eens bent, is hoogst ongebruikelijk, sterker nog dat staat op gespannen voet met de fractiediscipline.
In feite is je belangrijkste taak als Kamerlid van een coalitiepartij dan ook om op de dag van de stemmingen aanwezig te zijn, zodat het feitelijke machtsoverwicht gestalte kan worden geven.
Tot slot veronderstellen deze criteria een vorm van maakbaarheidsdenken, namelijk dat burgers gediend zijn bij het indienen van zoveel mogelijk moties en debatbijdrages door politici. De aanname lijkt te zijn dat zoveel mogelijk debatdeelnames en moties zullen leiden tot het verwerkelijken van een betere samenleving. En wie kan daar nou op tegen zijn?
Er zijn echter ook politieke partijen die hier fundamenteel anders naar kijken en zich juist zorgen maken over een toenemende bureaucratie en daarmee gepaard gaande regeldichtheid. Die juist regels willen afschaffen in plaats van nieuwe te entameren, waar de grote meerderheid van de moties en debatten vaak toe oproepen en op uitlopen.
Hoewel het afgelopen kabinet hiertoe helaas weinig aanzetten heeft gedaan, houdt het optellen en aftrekken van moties en bijwonen van debatten geen rekening met een dergelijke visie op de maatschappij.
Ieder onderzoek kent een bepaalde invalshoek en vraagstelling, waarin bepaalde elementen worden meegewogen, maar vaker zaken uitsluiten, waardoor de uitkomst altijd een reductie van de werkelijkheid is. Het is dan ook zaak om kritisch te zijn op cijfermatige onderzoeken als deze, waarin de resultaten zonder context naar voren worden gebracht, maar waar impliciet allerlei waarden aan ten grondslag liggen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant