Home

Paleis Noordeinde en zijn stallen gaan weer even open voor publiek, maar: ‘We zijn geen dierentuin’

Sinds 2016 zijn in de zomer het paleis Noordeinde in Den Haag en de Koninklijke Stallen toegankelijk voor bezoekers. Iedereen blij. Behalve de paarden. Die raakten van slag en keerden het publiek de kont toe. Dit jaar krijgen ze daarom wat meer rust in hun box.

is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft onder meer over het koninklijk huis.

‘We zijn geen dierentuin’, zegt stalmeester Hans Veenhuijzen op de binnenplaats van het Koninklijk Staldepartement, dat samen met paleis Noordeinde deze zomer opnieuw toegankelijk is voor publiek. Hij vertelt over een les die hij heeft getrokken uit eerdere openstellingen. ‘De paarden werden er chagrijnig van, en gingen met hun achterste naar het publiek staan.’

De les luidt dat publiek nog steeds welkom is, maar wat verder van de dieren wordt gehouden. ‘De looproute is anders ingericht’, zegt Veenhuijzen. ‘De paarden hebben zo meer rust in hun box. Dat is toch hun thuis. Als er dan opeens dagen achtereen duizenden mensen langskomen, is het begrijpelijk dat ze daardoor van slag raken.’

Het is de achtste keer dat koning Willem-Alexander paleis en stallen openstelt voor bezoekers. Koningin Beatrix, zijn moeder, wilde er niet aan. Ze zei in 1988 tegen auteur Hella Haasse, die ter gelegenheid van haar 50ste verjaardag een tv-interview met haar deed, dat de functie van werkpaleis ‘niet te combineren’ was met openstelling. Ter troost toonde ze de schrijver, en daarmee de tv-kijker, een deel van Noordeinde.

Maar de publieke opinie bleef van tijd tot tijd morren. Wijlen Kees Lunshof schreef jaarlijks een column in De Telegraaf, waarin hij openstelling van dit erfgoed bepleitte. In andere landen met een monarchie was dat toch ook mogelijk? Ook een deel van de Tweede Kamer en de gemeente Den Haag riepen periodiek hiertoe op.

Willem-Alexander begon voorzichtig

Willem-Alexander gooide mede daarom na zijn inhuldiging in 2013 het roer om. Enige jaren nadenken en voorbereiden leidden tot de eerste openstelling in 2016. ‘Het doet me plezier dat op een aantal dagen in de zomer paleis Noordeinde en de Koninklijke Stallen hun deuren kunnen openen voor belangstellenden zoals u’, schreef de koning in een woord vooraf bij het boekje dat toen verscheen.

Het begin was voorzichtig, met vier zaterdagen voor Noordeinde. Een kleine tienduizend bezoekers konden naar binnen. De kaartjes waren snel op. In de loop der jaren werd de openstelling verruimd, met een onderbreking in de coronajaren. Nu worden vanaf vandaag tot begin augustus 43 duizend bezoekers verwacht.

‘Door niet langer luid aan te kondigen dat de openstelling weer een feit is, komen ook mensen die niet de hele dag online zijn nog aan een kaartje’, zegt Claudia Hörster, directeur Koninklijke Verzamelingen. ‘We hebben de openstelling nu maximaal opgerekt.’

Het probleem dat in de zomer nog in het paleis wordt gewerkt, is opgelost doordat het publiek alleen het middendeel van het paleis te zien krijgt. In dit zogenoemde corps de logis bevinden zich de representatieve ruimtes.

De kantoren van de hofhouding blijven voor alle pottenkijkers gesloten. In het deel dat bezocht kan worden, is een looproute uitgezet. Desgewenst is er een audiotour en er zijn ook voorzieningen voor slechtzienden en slechthorenden.

Directeur Hörster en haar staf vieren dit jaar dat de Koninklijke Verzamelingen – vroeger bekend als Koninklijk Huisarchief – tweehonderd jaar bestaan. Koning Willem I wilde in 1825 dat de ‘papieren en bescheiden met de vereischte zorg en nauwkeurigheid onderzocht en in behoorlijke orde (zouden) worden gebracht’.

Tafelmes van Willem van Oranje

Om een idee te geven van de breedte van de collectie zijn dit jaar in de grote balzaal vitrines ingericht met uiteenlopende voorwerpen. Zo ligt daar het tafelmes van Willem van Oranje uit 1574, van zilver en palmhout, met bijbehorende schede. ‘Wellicht heeft hij hiermee zijn appeltje geschild’, zegt hoofd collecties Steven Coene.

Van heel andere aard is het voor prins Claus gesigneerde exemplaar van Een mooie dag, een dagboek uit 1988 van Toon Hermans. De komiek heeft er bij geschreven: ‘De Koningin mag ’t ook lezen!’

Het paleis is dan wel lang gesloten geweest, maar aan bruiklenen uit de collectie is altijd veel gedaan, benadrukt Hörster. ‘Wat dat betreft staat de koning op de schouders van zijn voorgangers.’ Menig museum maakt daar bij het samenstellen van tentoonstellingen gebruik van.

Hörster roept ook creatieve oplossingen in herinnering om voorwerpen te tonen. Zo reisde de Gouden Koets na de oorlog per binnenvaartschip langs 39 Nederlandse steden. ‘En vergeet het paleis op de Dam niet. Bijna het hele jaar open, er komen meer dan 300 duizend mensen.’

De eerste hofauto: een Renault

Ouder dan de Koninklijke Verzamelingen is het Koninklijk Staldepartement, opgericht in 1815. ‘Ja, je hebt vervoer nodig vanaf dag één’, zegt stalmeester Veenhuijzen, verwijzend naar het ontstaan van de monarchie. Vervoer was vroeger synoniem aan paarden en rijtuigen, totdat gaandeweg een deel van de stallen moest worden omgebouwd tot garage. De eerste hofauto was in 1908 een Renault Landaulet.

De stallen zijn het logistieke knooppunt van het hof en de bezoeker krijgt van alles wat te zien. De Gouden Koets is er, de oudere Glazen Koets, beide fraai gerestaureerd. Hofauto’s staan er in soorten en maten, van de AA 93 – een immense Cadillac die bij staatsbezoeken wordt gebruikt voor buitenlandse staatshoofden – tot de AA 82, de verlengde Audi van koningin Máxima.

En de paarden natuurlijk, vroeger honderd, nu 32, waarvan zestien tijdelijk ondergebracht op Het Loo. Ze zijn zwart (koetspaarden) of bruin (rijpaarden). Helaas is zijn eigen paard, vliegenschimmel Chester, ‘gaan hemelen’, zegt Veenhuijzen. Op Prinsjesdag leent hij nu een schimmel van de Nationale Politie. Want de traditie dat de stalmeester in zijn rode hofrok op een wit paard rijdt, moet natuurlijk blijven.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next