is columnist voor de Volkskrant en doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
Er zijn van die heel specifieke boeken en films die redelijk niche zijn, maar die belangrijke rol vervullen in je leven, soms zonder dat je weet waarom.
Zo ben ik al sinds mijn kindertijd bevangen door de Amerikaanse film On Golden Pond, waar acteurs Henry Fonda en Jane Fonda, in het echt vader en dochter, vader en dochter spelen. Als kind, tiener, twintiger bekeek ik hem talloze keren. Pas duizend jaar later zag ik in dat het een film was over een getroebleerde vader-dochterrelatie – en goh, waarom zou ik die willen zien?
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Hetzelfde heb ik met het boek Go Gerdy! Belevenissen in Harlem, van Gerdy van der Stap, uit 1990. Het is een van mijn oerboeken.
Go Gerdy! gaat over Gerdy zelve, een jonge antropoloog die naar New York gaat om veldwerk te verrichten. Haar onderzoeksonderwerp: rap- en hiphopcultuur. Al meteen in het begin van het boek struikelt ze, in gesprek met haar coole zwarte hospita in Harlem, over haar eigen wetenschapperigheid: ‘‘Ik, eh, wil weten welke rol rap speelt in de belevingswereld van zwarte jongeren.’ Rae kijkt me vol onbegrip aan en vraagt: ‘Hoe ga je dat aanpakken?’’
Gerdy denkt koortsig aan alle kreten uit haar onderzoeksopzet, zoals ‘cultuurpatronen van de zwarte urbane gemeenschap’, maar die hebben in het echte, nogal ruige Harlem ‘hun betekenis voor me verloren en bieden geen houvast meer’.
Zo eerlijk is Gerdy ook in de rest van het boek. Ze is antropoloog, maar ook vooral mens. Een hoogblonde, witte, Hollandse vrouw, en dat is niet altijd makkelijk, bijvoorbeeld op het kamp voor kansarme zwarte tieners waar ze eerst twee maanden werkt. ‘Het is gewoon een nachtmerrie!’, schrijft Gerdy over het kamp. ‘De tieners zijn gruwelijk. (...) Darella, een van de meiden uit mijn hut, is een brutaal nest. Ik vind het rot dat ze zo’n hekel aan me heeft, omdat ik haar ondanks alles heel grappig vind.’
Zoals die dingen gaan, raak Gerdy toch geliefd bij kinderen en leiders van het kamp, en later vindt ze ook haar plek in het Harlemse leven, onder andere met een nieuwe liefde. Hoe racistisch New York, en de wereld, zijn, vertelt ze in terloopse passages. Met twee zwarte vrienden gaat ze naar een hippe nachtclub, The Tunnel, waar haar vriendin gratis binnenkomen omdat ze zo goed kunnen dansen. Een van hen legt aan Gerdy uit: ‘Die ‘white liberals’ willen graag dat er ook zwart publiek is. Dat geeft een exotisch tintje. Maar welke zwarte kan nou vijfentwintig dollar entree betalen?’
In 1990 was ik 15, toen las ik het boek, en later nog een paar keer. En nu snap ik waarom: het ging over een nieuwsgierige vrouw die voor het eerst ging rondkijken in de echte wereld.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant