Home

Vrouwen schrijven anders over (het steeds populairdere onder­werp) wandelen. Waarom?

Wandelen vrouwen anders dan mannen? Ze schrijven er in elk geval wel anders over. Wanneer een vrouw in haar eentje door het bos loopt, wordt dat al snel een daad van verzet. En helemaal zorgeloos is het nooit.

schrijft voor de Volkskrant over literatuur.

Het was bloedheet en ik had me verkeken op zowel het aantal kilometers als de temperatuur. Blaren, voor het eerst in lange tijd. Ik trok schapenwol van een prikkeldraadhek om tegen de ontvelde hiel te leggen, kwam zonder eten aan bij de kampeerplek want ook de winkel onderweg was gesloten. Maar de boer had worst in de koelcel, liet me courgette plukken in de moestuin, op het veldje aan de kreek bleek ik de enige kampeerder en nadat ik aan de steiger gekookt had, durfde ik achter het riet in mijn blootje het doodstille water in te springen, zilver geluk zonder weerga.

Maar ook: ik deel een snoeiharde hoek uit aan de man die plotseling naast me verschijnt en me vastgrijpt op het wandelpad langs de Portugese rivier.

Of: ik loop met een tent op mijn rug en een baby op mijn buik door de Voerstreek omdat ik denk: zolang ik borstvoeding geef, hoef ik voor die baby geen extra eten te dragen. Maar ik ben natuurlijk evengoed kapot aan het eind van de middag.

Mirjam van Hengel schrijft voor de Volkskrant over literatuur. In haar aankomende boek Ganzentijd (De Bezige Bij, november) wandelt ze haar eigen vader en zijn ganzenkaartje achterna.

Wie schrijft over wandelen, schrijft al gauw ook over zichzelf. Hoe indrukwekkend de natuur waar je doorheen loopt, met hoge bergtoppen, kuddes wilde geiten, noodweer of adembenemend zicht op de lagune, je begint vroeg of laat naar binnen te kijken en jezelf interessant te vinden, dat ene wandelende poppetje te midden van zo veel niet-menselijks.

Wat mij verrast, anekdotes ophijsend uit mijn eigen wandelhistorie: veel ervan hebben te maken met dat ik een vrouw ben.

Beducht voor pottenkijkers bij het zwemmen, belaagd door een opduikende man, weigerend me door het hebben van een baby van het lopen af te laten houden.

Waarom zou je wandelen?

In Pink Lady, het recente wandelboekje dat Saskia de Coster schreef voor de wandelreeks Terloops van uitgeverij Van Oorschot, vertelt De Coster over haar grootmoeder, die haar hele leven op dezelfde boerenhoeve heeft doorgebracht. Buiten de omheining konden ongure mannen rondlopen, daar had ze niets te zoeken, alleen maar gevaar.

Wanneer haar kleindochter het heeft over wandelen voor je plezier begrijpt ze daar niets van. ‘Waarom zou je dat doen, wandelen?’

Ja, waarom zou je dat doen?

Het verhaal dat De Coster vervolgens vertelt, is bepaald geen goede reclame. Met een beruchte gedetineerde loopt ze de wandeling na van de keer dat hij vluchtte tijdens zijn jaarlijkse uitstapje. In de Ardennen was hij zijn bewaker ontglipt en verdwenen in het bos. ‘Ik ben toen op zo’n platte steen als deze gaan zitten’, vertelt hij De Coster, ‘om te wachten tot er een ijverige wandelaarster of een dorpsbewoonster zou langskomen maar er kwam niemand.’

Was ze gekomen, de ijverige wandelaarster, dan was er geen ontkomen aan geweest. Zo simpel kan het zijn.

Het is een briljante vondst van De Coster, deze wandeling in juist deze serie, waar vrij onbekommerd gewandeld wordt, ook door vrouwen (behalve door Nicolien Mizee, die vooral hopeloos verdwaalt). Over het doorgaans beoogde lopen (lekker, vrij, buiten) gaat haar verhaal niet, het gaat over de achterkant: niet lekker, onvrij, opgesloten in angst.

De Coster: ‘Waarom moeten wij vrouwen toch altijd in de pas lopen én op onze hoede zijn?’

In een tekst van 2025 lijkt het een ouderwetse zin. Maar iedere vrouw die tochten maakt in haar eentje kent het: dat moment in een bos waar in de verte opeens één man loopt – zonder hond erbij, zonder hardloopschoenen, zonder rugzak, dus met wat wél?

En ben je eenmaal bang, geschrokken van iets, je hartslag omhoog, dan is het moeilijk je weer van die angst te ontdoen. Zoals Daan Borrel schrijft in De Duivelsberg, het net verschenen nieuwste deeltje uit die Terloops-reeks: ‘Ik versnel mijn pas, beeld me in hoe hij zich al meteen omgedraaid heeft, nu een rondje rent om mij verderop af te snijden, straks opeens voor mijn neus staat, gadverdamme, ik begin sneller te lopen, ren een stukje, raak buiten adem, ‘stop hiermee’, zeg ik herhaaldelijk tegen mijzelf, uiteindelijk ook hardop. Dit keer werkt het niet.’

Fleur Jongepier, in haar eveneens pas verschenen filosofische boek Berghonger, draait het liever om. Het is een keuze om niet bang te zijn, schrijft zij. ‘Ik kets zelf vragen over waarom ik graag alleen loop in de bergen of waarom ik niet bang ben meestal af. Ik begrijp de vragen wel, ik wil ze alleen niet begrijpen als ik aan de wandel ben, ik wil het bergwandelen niet zien als iets politieks. Ik begrijp best waarom veel vrouwen niet met hun tentje ergens gaan wildkamperen, maar ik wil daar zelf in mijn tentje niet aan denken, want dan zit ik gelijk nog maar half in dat tentje.’

Een mooi citaat, want een grasgroene heuvel of wollig besneeuwde bergtop als iets politieks moeten ervaren, nee, daarvoor ga je niet op pad. Op pad gaan de meeste wandelaars uit verlangen naar rust, stilte, even niets aan de kop, schoonheid en, iets hooggestemder, de mogelijkheid daarmee samen te vallen.

Een vriendin vertelt hoe ze in Noorwegen, waar ze een tijd op het platteland woonde, na een feest in de dichtstbijzijnde fjord drie uur in de schemerige nacht door sneeuw, weilanden en naaldwoud terug naar huis liep. ‘Er was daar geen mens!’, zegt ze. ‘Zo fantastisch stil, niets of niemand om bang voor te zijn.’

Alleen lopen

Op mijn bureau ligt een forse stapel wandelboeken door vrouwen. Bovenop het weergaloze Wanderlust van Rebecca Solnit, verschenen in 2001. Bij Solnit geen apodictisch filosoferen, zoals bij de beroemde grondleggers van het wandelessay: Jean-Jacques Rousseau (‘mijn geest werkt alleen samen met mijn benen’), Henry David Thoreau, Robert Louis Stevenson. Al deze 18de- en 19de-eeuwse mannen schreven over het contemplatieve wandelen, de gedroomde lege staat waarin je erdoor kon geraken, de vergezichten die erdoor ontstonden in de geest.

Wandel alleen en altijd in je eigen ritme, schreef Stevenson, en zeker ‘niet in de pas met een meisje’.

Ook Solnit schrijft over alleen lopen, maar in haar geschiedenis is daarnaast ruimte voor optochten en protestmarsen, het lopen in groepen om je samen sterk te maken, zoals bij de vele vrouwenmarsen. Ze laat zien hoe wandelen verbonden is met sociale klasse, kleur en gender.

‘In de hele geschiedenis van het lopen, van het wandelen, die ik heb gevolgd’, schrijft ze na driehonderd pagina’s grondig proza over pelgrimstochten, slenteraars, demonstraties en de dramatiek van steile beklimmingen, ‘zijn de voornaamste persoonlijkheden daarin – of het nu peripatetische filosofen, flaneurs of bergbeklimmers zijn – mannen, en het is tijd om te gaan kijken waarom vrouwen niet ook buiten wandelden.’

Solnit stelt: ‘Er zijn drie vereisten voor het maken van een wandeling: je moet tijd hebben, een plek om heen te gaan en een lichaam dat niet gehinderd wordt door ziekte of sociale beperkingen.’

Even de deur uit voor een wandeltje wordt daarmee inderdaad een politieke onderneming. Eeuwenlang werd een vrouw die in het donker alleen over straat liep automatisch beschouwd als prostituee; een vrouw alleen in het open veld was een directe prooi.

Het is voor de vrouwelijke wandelaar van nu een bijna vreemde gedachte, zo veel vrouwen wandelen inmiddels – kijk op een willekeurige dag rond op de Veluwe of langs het Trekvogelpad. Overal duo’s of groepjes, vaak voor een enkele dag, krentenbol en waterfles in het rugzakje.

Maar steeds meer vrouwen lopen ook lange tochten en steeds vaker ook alleen. En steeds meer vrouwen schrijven erover, alsof de schade moet worden ingehaald. Hoe doen ze dat? En doen ze het anders dan mannen?

Een dosis durf

Een vervelende vraag, laat Fleur Jongepier zien, omdat je sekse- en genderverschillen benadrukt waar je die liever zou uitvegen. Maar ook zij verwijst naar Solnit en wat die schrijft over het socialiseren van vrouwen – het ‘in de pas lopen’ van Saskia de Coster. Omdat vrouwen leren dat ze zelf verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun veiligheid, kiezen ze vaak conservatievere levens, soms zonder zich ervan bewust te zijn.

Verlangen naar iets als lopen in je eentje dooft uit.

Om solo de natuur in te trekken is een bepaalde dosis durf nodig, je moet de ruimte nemen om moedig en baldadig te zijn, schrijft Jongepier. Op pad gaan in je eentje, tegen sociale verwachtingen in en je bewust van kwetsbaarheden, zonder je erdoor te laten beperken.

Zij doet dat, ze klimt, zwerft, kampeert, verdwaalt, ‘het begon te schemeren, donkere wolken kropen mijn kant op, en ik had geen regenjas bij me. Inmiddels was ik ergens aanbeland waar het vreselijk steil was, met overal kleine ravijnen. Op een bepaald moment liep ik vast, en ik moest me door me aan een boom vast te grijpen half klimmend laten afzakken in een lege waterval.’

Wandelen is bewegen, en al die boeken van mijn stapel gaan in de kern daarover: bewegingsvrijheid, sociaal én particulier. Zoals Daan Borrel noteert na een huttentocht in Noorwegen met een vriendin: ‘Er was die dagen van die wandeltocht niks anders dan die bergen en wij, wat niet eens verschillende dingen leken. Ik denk dat ik nooit zo gelukkig met een andere vrouw samen was. We waren vrij.’

Ander perspectief

Als vrouwen vroeger over wandelen schreven deden ze dat ofwel binnen een traditie van natuurschrijven ofwel binnen een fictief verhaal – denk aan de gezusters Brontë, aan Jane Austen.

Vrouwen die nu hun veters strikken en de pen oppakken zijn vaak expliciet stoer en eigengereid. In weinig lijken hun boeken op het klassieke wandelessay. Jongepier bijvoorbeeld maakt voortvarend ruimte voor een ander perspectief en het is een verademing hoeveel vrouwelijke voorbeelden van wandelaars en klimmers ze aanhaalt. Iets dat bij de klassieke essayisten maar ook bij bekende hedendaagse bergwandelschrijvers als Paolo Cognetti of Robert Macfarlane volkomen ontbreekt, zelfs al schreef de laatste een fraai voorwoord bij het mooiste wandelboek dat er is, De levende berg (1977) van Nan Shepherd.

Dat boek is een must voor iedereen die weleens loopt of leest. Shepherd (1893-1981) dringt schrijvend diep door in de Schotse Cairngorms, waar ze woonde: op blote voeten, kijkend, tastend en ruikend, haast de liefde bedrijvend met het gebergte. ‘Boven op het plateau heeft een tijdlang niets bewogen. Ik heb er de hele dag gelopen en niemand gezien. Ik heb geen levend geluid gehoord. In een afgelegen keteldal verraadde het geratel van een vallende steen dat een groep herten passeerde. Maar hierboven geen beweging, geen stemgeluid. De mens zou duizend jaar weg kunnen zijn.’

Shepherd leest het landschap en trekt haar lezer erin. Je spitst je oren, draait je hoofd om te kijken of er van die herten nog een glimp te zien valt en wanneer ze een bergpoel in waadt en schrijft hoe haar ziel even naakt is als haar lichaam, voel je de kou in je dijen, de lucht in je longen.

Ze passeert wandelend nooit zomaar een decor, ze heeft het over de rots in gaan, over de berg ‘die zich geeft’. Het is erotisch, sensueel – als een man het zou opschrijven zouden we het misschien wel intrusief vinden.

Is het typisch een boek door een vrouw? Alweer de rotvraag. Toch denk ik van wel; in elk geval door een mens met veel kwaliteiten die we sociaal gezien als vrouwelijk beschouwen. Ze is stoer en nergens bang voor, en ondertussen empathisch, zintuiglijk, zacht, gevoelig.

Niet denken maar voelen

Gevoelig is een gevaarlijk woord als het gaat om boeken over wandeltochten. Waar Solnit nog rationaliserend schrijft dat tijdens het wandelen ‘lichaam en geest zodanig samenwerken dat het denken bijna een fysieke, ritmische handeling wordt’ en er in het klassieke (mannelijke) wandelessay vooral veel cerebraal bespiegeld werd, gaat het in veel hedendaagse wandelboeken niet zozeer om denken maar om voelen.

In het recente Wat er was, een kordate en levendige roman van Floor Gerritsma (voorzien van sticker ‘voor de lezers van Het zoutpad’), loopt een arts, Maud, het Pieterpad na de dood van haar beste vriend. Hoewel Gerritsma een hoop weet op te roepen van het gevoel van het gewone lopen (de grillige bewegwijzering, de avond met veel bier, de mossoorten die aan je voeten voorbijtrekken, haarmos, sterrenmos, liefmos) moet er uiteindelijk toch iets uitgezocht en verwerkt worden – het vaste recept van boeken over langeafstandswandelingen.

Wie een lang pad wandelt, doet dat zelden om gewoon lekker te lopen. En wie erover schrijft, doet dat zelden om het landschap tot leven te wekken.
Integendeel: het landschap is decor voor de tocht, de vrijheid een prins die verdrongen emoties en onverwerkte ervaringen wakker kust.

Hoe weidser de natuur en hoe langer het pad, hoe meer de verhalen uiteindelijk inzoomen op het ik, die nietige speldenknop te midden van zeeën en woestijnen, bossen en akkerlanden, spreuken oprispend als ‘life is about the journey’ of ‘ik loop het pad omdat het er is’. De transformatie-na-ontbering die ontstaat bij lange tochten in een verbluffende natuur baart ook als vanzelf een lekker plot.

In De Duivelsberg constateert Daan Borrel dat ze dat emotionele ‘vrouwelijke wandelen’ eigenlijk veroordeelt. ‘Ik wil niet wandelen om iets te verwerken, ik wil ook vrij en losgebonden kunnen wandelen.’

Losgebonden, prachtig woord: vrij op een andere manier en met andere bagage dan de (witte, hoogopgeleide) mannen die de kijk op wandelen bepaalden.

Borrel, die haar verhaal begint met een zwangerschapstest in de bosjes tijdens een stukje Pieterpad, pleit voor een andere vorm van wandelen. Eentje waarbij ze zich wel degelijk gebonden mag voelen. Gebonden aan haar dochtertje, dat ze na een tocht weer graag vasthoudt, gebonden aan haar geliefde. Haar ‘losgebonden’ lopen is misschien een vrouwelijke vorm van wandelen, vrij in afhankelijkheid.

Borrels opmerking over het ‘emotionele vrouwelijke schrijven’ deel ik overigens, net als zij met enige gêne. Al die boeken waarin de formuleringen over mentale groei en het innemen van ruimte als gesuikerde kruimels van de bladzijden rollen, storen me. Literair snobisme, Virginia Woolf zou er wel raad mee weten. Maar die schreef dan weer fantastisch over wandelen, zoals in haar essay ‘Street Haunting’, waarin ze door Londen loopt en haar lichaam voelt veranderen in dat van een wandelaar: ‘Het schelpachtige omhulsel dat onze zielen hebben aangemaakt om ons te huisvesten, om zichzelf een unieke vorm te geven, valt uiteen en van alle richels en ruwte resteert slechts een oester van opmerkzaamheid, een reusachtig oog.’

Kijk gewoon, zegt ze. Observeer, laat je omgeving tot je doordringen zoals je haar waarneemt, graaf niet naar iets anders.

Wandelen als vrouw

Waar verder gekeken wordt dan het oog zou je willen dat de verbeelding of de taal het voortouw neemt. Zodat er ofwel literair iets te beleven valt, ofwel iets opgeroepen wordt dat je kijk op natuur of wandelen verandert. Van de stapel op mijn bureau overkwam dat mij alleen bij De Coster en Borrel, niet toevallig ook de beste stilisten.

Bij allebei gaat het expliciet over hoe je wandelt als vrouw. De Coster neemt haast wraak door haar wandelgenoot weer het gevang in te stoppen en claimt daarmee het bos terug; Borrel zoekt haar eigen vorm van vrijheid.

‘How womankind, who are confined to the house still more than men, stand it I do not know’, schreef Henry David Thoreau in zijn beroemde essay ‘Walking’ uit 1862. ‘I have ground to suspect that most of them do not stand it at all.’ Hij wandelde vier uur per dag.

U zeer gegund, meneer Thoreau. Maar inderdaad: we hielden het waarschijnlijk nauwelijks vol. En nu we dat huis makkelijker verlaten valt het ook nog niet mee, gewoon een beetje solo het bos in.

Laat ons dus maar lopen en proberen erover te schrijven, we ontdekken het wel. Zoals Nan Shepherd schreef over een tocht door haar gebergte: ‘Mijn angst maakt me klein, ik proef zijn bittere smaak. Maar als ik dan terugga, is het toch weer dezelfde juichsprong van de ziel die me naar boven brengt.’

Saskia de Coster: Pink Lady. Van Oorschot; 64 pagina’s; € 13,50.

Daan Borrel: De Duivelsberg. Van Oorschot; 64 pagina’s; € 13,50.

Floor Gerritsma: Wat er was. Wereldbibliotheek; 320 pagina’s; € 22,99.

Fleur Jongepier: Berghonger. De Bezige Bij; 320 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next