Home

Waar zijn de vlinders?

Waarom zoveel soorten hard achteruitgaan (en enkele juist toenemen)

Iedereen met een tuin of balkon kan dit weekend meedoen met de jaarlijkse tuinvlindertelling. De grote lijn is alvast duidelijk: Nederland kent – op enkele lichtpuntjes na – een drastische afname. Toch heeft elk leefgebied een eigen en soms verrassend verhaal. 

Door Jean-Pierre Geelen en Eleanor Mohren

De jaarlijkse tuinvlindertelling is deze dagen nog volop in gang, maar Chris van Swaay van de Vlinderstichting durfde voorafgaand al een uitslag te voorspellen: het moet heel raar lopen als niet de dagpauwoog een van de meest geziene soorten wordt dit weekend.

Niet alleen omdat die vlinders met hun vier opvallende ‘oogvlekken’ zo onmiskenbaar te herkennen zijn, maar ook omdat ze volgens Van Swaay in het warme najaar van 2024 een extra generatie voortbrachten en dit jaar ‘een goed voorjaar’ hadden. ‘Dagpauwogen leggen grote aantallen eitjes tegelijk die ook massaal tegelijk uitkomen. Zo krijg je plotselinge, explosieve toenamen’, zegt Van Swaay, sinds 1990 coördinator van het Landelijk Meetnet Vlinders.

Het tekent de grillige resultaten van afzonderlijke vlindertellingen. Het wisselende weer, zoals de warmte van afgelopen weken, heeft een sterke invloed op de aanwezigheid van veel soorten op een bepaald moment. Het Nederlandse leefgebied van vlinders is daarnaast ingrijpend veranderd in de laatste eeuw (onder meer heidegebieden namen af en raakten steeds meer versnipperd), waardoor veel vlindersoorten zijn verhuisd, geëmigreerd, kleiner zijn gaan wonen of juist groter.

Legenda*

Heide en hoogveen

Bos

Grasland

Akker en kale grond

Bebouwd

Duin en zand

Moeras

Overig

*Deze twee kaarten zijn niet direct vergelijkbaar, omdat de productiemethodiek tussen HGN1900 en LGN2023 verschilt. Maar de patronen laten duidelijk zien dat de heide aanzienlijk is afgenomen en de bebouwde oppervlakte is toegenomen.

Bron: Wageningen Environmental Research (Alterra-rapport 573; LGN2023; HGN1900)

‘Dagvlinders zijn goede graadmeters voor de kwaliteit van de natuur’, schrijven de drie auteurs van de Veldgids Dagvlinders (KNNV Uitgeverij), waarin alle 150 soorten van Noordwest-Europa staan beschreven. Van Swaay is een van de auteurs. Dat hun gids elke tien jaar herzien moet worden, zegt al iets over de vlinderstand en dus over de staat van de natuur. Zo heeft sinds de vorige editie de oostelijke vos vanuit het oosten het beschreven gebied bereikt. ‘Het scheefbloemwitje kwam uit het zuiden en is inmiddels een vaste bewoner van volkstuintjes en parken geworden’, aldus de gids.

Hoe gaat het in grote lijnen dan nu met de vlinders in Nederland? Het antwoord laat zich raden voor ieder die weleens om zich heen kijkt of een krant leest: niet zo best. Maar naast deze korte samenvatting heeft ook elk van de belangrijke leefgebieden van vlinders — bos, heide, grasland — een eigen genuanceerd en soms verrassend verhaal.

Landelijk meetnet

Sinds het jaar 1900 zijn vijftien vlindersoorten geheel uit Nederland verdwenen, blijkt uit cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2019 bekendmaakte. Het gaat om vlinders met poëtische namen als dwergblauwtje, grote ijsvogelvlinder, moerasparelmoervlinder en kalkgraslanddikkopje.

Dagvlindersoorten (ooit) bekend in Nederland, ingedeeld naar status op de Rode Lijst van bedreigde dier- en plantensoorten.

Bron: Rode Lijst Dagvlinders 2019​​​​​​​

De vijftien meest algemene dagvlinders van Nederland, waaronder het bruin zandoogje en het zwartsprietdikkopje, namen de afgelopen tien jaar met ruim 35 procent af. ‘Juist deze algemene soorten vervullen door hun hoge aantallen een belangrijke rol in de natuur, bijvoorbeeld als bestuivers van bloemen en als voedselbron voor andere diersoorten’, meldde de Vlinderstichting eerder dit jaar.

Zulke bevindingen komen niet uit de jaarlijkse tuinvlindertelling, maar uit een landelijk meetnet voor structurele soortentellingen (zoals die ook plaatsvinden voor onder meer vogels, bijen, egels en mollen). Voor vlinders is dat meetnet een instrument waarmee sinds 1990 de resultaten van gestandaardiseerde tellingen (wekelijks op vaste momenten, op steeds dezelfde locaties) worden bijgehouden. Zo ontstaat voor de laatste 35 jaar een beeld van aantallen en trends zoals dat nooit eerder is uitgevoerd.

De historische blik op vlinders vóór 1990 is gebaseerd op minder gestandaardiseerde bronnen, zoals gedocumenteerde collecties van verzamelaars en anekdotes uit natuurhistorische werken.

Mede op basis van die gegevens maakten wetenschappers in 2019 een onderbouwde schatting. 

In ongeveer de laatste honderd jaar is minstens 80 procent van de Nederlandse vlinders verdwenen.

Bron: van Strien et al, Biological Conservation 2019

De redenen voor die achteruitgang zijn ook bekend. Het zijn er diverse, sommige versterken elkaar. Intensivering van de landbouw speelt een belangrijke rol, net als klimaatverandering en het verlies van leefgebied. Toenemende droogte en stikstofdepositie tasten de diversiteit van bloemen aan, waardoor het voor sommige vlinders steeds moeilijker wordt om gedurende het hele seizoen voedsel te vinden.

Zoals vaak bij neergaande trends bestaan er ook uitzonderingen en omgekeerde bewegingen. De overlevers en ‘winnaars’ zijn steevast de soorten die zich weten aan te passen of profiteren van de nieuwe omstandigheden.

Dat geldt bijvoorbeeld voor soorten die houden van brandnetels (die weer gedijen op het stikstofoverschot in de natuur), zoals de kleine vos en de witjes (zoals klein en groot koolwitje, klein geaderd witje en scheefbloemwitje – die laatste is recentelijk opgeklommen vanuit het zuiden).

Het bos en de bomen

Sinds de jaren negentig nemen landelijk zo’n 25 vlindersoorten af in aantal, zo blijkt uit jaarlijkse berichten van de Vlinderstichting, het Compendium voor de Leefomgeving en het CBS, alle drie betrokken bij de verwerking van de resultaten van meetnetten.

Maar naast de afname nemen er ook vlindersoorten toe in aantal, vooral bosvlinders. De toename van deze soorten is te danken aan een toegenomen variatie in de bossen, mogelijk in combinatie met de opwarming.

Vaker te zien
in het bos

De eikenpage, de kleine ijsvogelvlinder en de grote weerschijnvlinder, allemaal bosvlindersoorten, zijn de afgelopen jaren in aantal toegenomen.

Ander bosbeleid heeft niet alleen maar positieve gevolgen voor de vlinderstand. Zo zijn de bosparelmoervlinder en bruine eikenpage in zowel aantal als verspreiding achteruitgegaan. Het zijn beide soorten van halfopen bossen en bosranden. Tot honderd jaar geleden waren die wijdverbreid in de hakhoutbossen, die bijna overal voorkwamen. Toen boeren stopten met het hakhoutbeheer, groeiden de bomen al snel hoog op of werden vervangen door aanplant voor houtproductie. Daarmee verdwenen deze vlinders uit grote delen van het land.

Vlinders kunnen ook soms verhuizen naar een aantrekkelijker gebied. Het bont zandoogje en de gehakkelde aurelia bijvoorbeeld zijn twee soorten bosvlinders die de laatste tien jaar daalden in aantallen. Maar sommige soorten breiden zich buiten hun oorspronkelijke leefgebied tegelijk redelijk uit. Zo heeft het bont zandoogje de bossen verruild voor meer open gebieden, zoals tuinen met struiken en bomen.

de cijfers

Van veel soorten, ook vlinders, worden niet alleen trends in aantallen bijgehouden, maar wordt ook de verspreidingstrend door het land gemonitord. Dat leidt soms tot cijfers die elkaar lijken tegen te spreken: de aantallen van een vlindersoort kunnen drastisch gedaald zijn, terwijl tegelijk de verspreiding in het land kan zijn uitgebreid.

‘Een verspreidingstrend is ongevoelig voor achteruitgang, maar extreem gevoelig voor uitbreiding’, zegt ook Chris van Swaay van de Vlinderstichting. ‘Met één exemplaar in een nieuw atlasblok heb je meteen een vermeerdering van de verspreiding. Omgekeerd is het ook zo dat de achteruitgang van een soort zeer waarschijnlijk groter is dan verspreidingstatistieken aangeven.’

Heidelandschap

Heidevlinders, de groep waarin de achteruitgang groot is, lijden onder de fragmentatie van de heidegebieden, die de afgelopen honderd jaar ook in omvang afnamen. Waar die verandering in de praktijk toe leidt, werd duidelijk bij de tuinvlindertelling van 2003. Dat jaar staat veel tuinvlinderliefhebbers nog bij als een zeer vlinderrijk jaar. ‘Veel mensen hadden voor het eerst heivlinder en kommavlinder in de tuin, leuke tuinsoorten!’, berichtte de Vlinderstichting toen.

Rond 1900 had de provincie Drenthe het hoogste percentage heide van alle Nederlandse provincies. In een eeuw tijd is dit heideoppervlak met meer dan 90 procent afgenomen, zowel in Drenthe als landelijk.

Legenda*

Heide en hoogveen

Grasland

Akker en kale grond

Overig

Natura-2000 gebieden

*Deze twee kaarten zijn niet direct vergelijkbaar, omdat de productiemethodiek tussen HGN1900 en LGN2023 verschilt. Maar de patronen laten duidelijk zien dat de heide aanzienlijk is afgenomen.

Bron: Wageningen Environmental Research (Alterra-rapport 573; LGN2023; HGN1900); Natura-2000

Een bijzondere vlinder in de tuin is weliswaar verheugend voor de toeschouwer, maar niet per se goed nieuws voor de vlinder. Want dat was de keerzijde: ‘Heivlinder en kommavlinder horen helemaal niet thuis in tuinen, maar op de heide. Die was echter zo droog dat er voor de vlinders niets te halen was en ze naar de tuinen vluchten om toch maar aan nectar te komen. Daar kunnen ze zich helaas niet voortplanten en we zien dan ook dat voor veel heivlinders de jaren vanaf 2003 zeer slecht waren. De kleine heivlinder, een echte zeldzaamheid, is na die warme zomer uit heel veel vliegplaatsen zelfs verdwenen en komt nu alleen nog maar op het Kootwijkerzand voor.’

Raaigras

En dan is er nog een groot vlinderleefgebied in het Nederlandse landschap met veel recente ontwikkelingen: grasland. Vergeleken met begin vorige eeuw werden zogenoemde ‘kruidenrijke graslanden’, waarin veel verschillende bloemen bloeiden, steeds meer vervangen door een monocultuur van (ruim bemest) raaigras, dat wel vet en eiwitrijk voer voor runderen is, maar onvoldoende afwisseling biedt voor vlinders en andere insecten.

*Voorbeeldsoorten komen niet allemaal in hetzelfde type kruidenrijk grasland voor: natte gebieden hebben bijvoorbeeld een andere soortensamenstelling dan droge gebieden.

Bron: Wageningen Environmental Research; Flora van Nederland.

Omdat vlinders bloemen nodig hebben voor hun voedsel, nam op het boerenland de vlinderstand gestaag af.

Oppervlakte natuurareaal op land in Nederland, in duizend hectare

Legenda

Bos

Open duin

Moeras

Heide

Kruidenrijk grasland

Bron: Wageningen Environmental Research

Het gebruik van bestrijdingsmiddelen is ook desastreus voor het insectenleven, net als het te vroeg maaien van bermen en andere gebieden waar vlinders gedijen – die worden zo beroofd van hun voedsel (nectar) in bloemen.

Sinds 1992 daalden tien kenmerkende soorten graslandvlinders gemiddeld met 69 procent in aantal, meldde de Vlinderstichting. Tegelijkertijd zijn er ook graslandvlinders die juist in aantal toenemen, zoals het hooibeestje en het oranjetipje. Die laatste, een fraai wit vlindertje dat de punten van zijn vleugels in een pot oranje verf lijkt te hebben gedipt, lijkt te profiteren van warmere voorjaren. Ook heeft hij het geluk dat hij zich voedt en voortplant met de waardplanten look-zonder-look en pinksterbloem, twee soorten die redelijk goed gedijen.

Te tellen dit jaar
in het grasland

Het hooibeestje (oranje met een bruine rand en een oogvlek) werd in 2024 het meest waargenomen sinds de eerste telling, in 1992. Het oranjetipje komt volgens het Landelijk Meetnet Vlinders nu ongeveer twee keer zoveel voor als begin jaren negentig.

Wisselweer

De grilligheid van het weer op korte termijn bepaalt in hoge mate hoeveel vlinders wij zien. Elke voorjaars- en zomerdag is het weer een verrassing welke soorten zich zullen vertonen. Een telweekend vol regen levert minder vlinders op. Dagvlinders houden namelijk van warmte. Bij zonnig en warm weer vliegen ze veel en lang rond, zodat mannetjes meer kans lopen een vrouwtje tegen het lijf te lopen, dat dan weer meer tijd heeft om eitjes af te zetten. Daardoor zal een volgende generatie groter zijn.

De huidige zomer is al redelijk goed voor de witjes geweest: ‘De koolwitjes zijn weer helemaal terug, na een dip in juni’, was een recent bericht van de Vlinderstichting.

Droogte is ook niet goed, want de rupsen van vlinders eten van zogeheten waardplanten; wanneer die door droogte minder voorkomen of van mindere kwaliteit zijn, komen de rupsen in problemen. Ook kunnen bloeiende planten door droogte minder nectar geven, waardoor vlinders ondanks zonnig en warm weer toch minder uitvliegen en zich dus minder kunnen voortplanten.

Daarnaast lijken door klimaatverandering de seizoenen wat te verschuiven: warme dagen doen zich steeds eerder voor in het jaar, maar ook extremen als hevige neerslag komen vaker voor. Die hebben elk hun invloed op de vlinderstand van dat moment en dus op de uitslag van een jaarlijkse tuinvlindertelling.

Nieuw in Nederland

Tot de neveneffecten van klimaatverandering hoort dat nieuwe soorten oprukken. Meestal vanuit het warmere zuiden van Europa, waar het voor sommige soorten te heet wordt. Ook profiteren bepaalde soorten simpelweg van het gegeven dat hun verspreidingsgebied vergroot wordt doordat het in het noorden opwarmt tot temperaturen waarin zij gedijen. De problemen ontstaan pas weer wanneer soorten het letterlijk hogerop zoeken (bijvoorbeeld in hogere en dus koudere zones van gebergten) en daarna de geografische grenzen van het mogelijke bereiken.

Nieuwkomer
in de nacht:
gestreepte pijlstaart

De Vlinderstichting meldde begin juni dat de zeldzame gestreepte pijlstaart, een ‘spectaculaire nachtvlinder’ uit Zuid-Europa met voorvleugels van 33 tot 42 millimeter groot, opvallend veel meer gezien is afgelopen weken op wel tien plekken in Nederland. Voorheen waren door alle jaren heen slechts zo’n tien waarnemingen bekend.

Nieuwe soorten zijn lichtpuntjes in een somber stemmende trend. ‘Over het geheel gaan er meer vlinders achteruit dan vooruit’, concludeert Chris van Swaay van de Vlinderstichting dan ook. Die trend tekent zich niet alleen af in Nederland, maar in heel Europa, al zijn er wel lokale verschillen in oorzaken.

De Rode Lijst Kwetsbaarheidsclassificatie meet, grof gezegd, hoe slecht het met vlinders in elk land gaat. Hoe roder het gebied, hoe kwetsbaarder de vlinderstand.

Rode-lijst kwetsbaarheidcijfer

Vlinders minder kwetsbaar

Vlinders meer kwetsbaar

Bron: Maes et al, Journal of Insect Conservation 2019

Van Swaay: ‘In sommige Zuid-Europese landen trekt de bevolking steeds meer naar de grote steden. Agrariërs stoppen met hun bedrijf. Het gevolg: hun land groeit dicht, daar ontstaat zogeheten secundair bos vol opslag en struiken. Voor vlinders is dat minder interessant, dus die zijn daar steeds minder te vinden.’

Niettemin zijn er nog volop mooie vlinders te zien, zegt Van Swaay. In heel Europa (waar zo’n vijfhonderd soorten dagvlinders voorkomen) en ook in Nederland. ‘In de duinen is het nog steeds leuk voor vlinderliefhebbers. Vooral ten noorden van Noordwijk en op de Waddeneilanden is bijvoorbeeld de duinparelmoervlinder nog te vinden, een mooie, vrij forse oranje vlinder.’

Ook op de kalkgraslanden van Limburg en een gebied als Nationaal Park Weerribben-Wieden komt volgens Van Swaay de liefhebber nog aan zijn trekken.

Minder vlinders fladderen rond, aantallen gehalveerd in dertig jaar

Het gaat slecht met de vlinders in Nederland. Tussen 1992 en 2023 zijn de populaties van dagvlinders gemiddeld met 53 procent afgenomen, blijkt uit nieuwe cijfers van het CBS en De Vlinderstichting.

De duizelingwekkende werkelijkheid achter ‘een prima voorjaar voor vlinders’

De vlinderstand is drastisch afgenomen, lezen we elk jaar weer. Niets om schamper over te doen, maar het roept toch vragen op.

Het wemelt ineens van de vlinders, is daarmee het dramatische vlinderjaar alsnog goedgemaakt?

Iedereen kon het de afgelopen weken zien – is het niet in eigen tuin of balkon, dan wel op sociale media: moeder Natuur trakteerde op een vlinderfeestje. Na een schrikbarend leeg voorjaar en zomer wemelde het ineens van vlinders op vlinderstruiken en overige laatbloeiers in tuinen en parken.

Source: Volkskrant

Previous

Next