Thomas Erdbrink doet opnieuw verslag uit Teheran, waar hij jarenlang werkte als correspondent voor Nederlandse en internationale media.
Een kinderpartijtje bij een zwembad. In Iran is het naast oorlog ook zomer en zonder verkoeling gaat het niet. Kleine meisjes in zuurstokgekleurde bikini’s spelen met jongetjes die om de haverklap moeten huilen en naar mama vragen. Er is keiharde muziek en drank.
De ouders staan er wat verloren bij en ik helemaal, want geen kind en ik ken niemand. Daarnaast is er zoveel nieuws over Mossadspionnen in het land, dat iedereen die mij niet kent zich zichtbaar afvraagt wat ik, de enige Europeaan die ze in tijden hebben gezien, hier dan precies doe.
Mijn openingszin tegen onbekenden in Iran is tegenwoordig dan ook: ‘Hallo, geloof me, ik ben geen spion.’ Nu zou iedere spion dat natuurlijk van zichzelf zeggen.
Dus wanneer dat niet genoeg is vertel ik maar mijn hele levensverhaal. Ik snap ook wel dat het vreemd is. Want waarom ben ik eigenlijk ooit naar Iran gegaan? Het was 1999, ik was 23, student aan de School voor de Journalistiek. Ik werkte voor het Leidsch Dagblad als bijbaantje en schreef over kapotte parkeermeters en decibelnormen voor het jaarlijkse 3 oktoberfeest.
Ik stond ook achter de tap in een kroeg en op een dag kwam er een vaste klant binnen, Leo Helms, ik zal zijn naam nooit vergeten. Die vertelde me dat hij in Iran was geweest, over jonge mensen daar die allemaal wat anders wilden dan hun geestelijk leiders. Ik dacht, ‘nou, dat is leuk om over te schrijven’, en twee weken later was ik in Teheran.
Die jonge mensen bleken stuk voor stuk leuk, bijzonder en bevlogen, allemaal wilden ze een andere toekomst. Het mooiste was: ze waren ook nog eens allemaal van mijn leeftijd. Na de revolutie van 1979 was er een babyboom in Iran en iedereen was tussen de 20 en 25. Een droom.
Er waren protesten, bijeenkomsten, jonge mensen schreven hele kranten vol en ik ontmoette een jonge fotografe, die de vrouw van mijn leven zou worden. Toen al lieten de hardliners zien dat echte verandering lastig zou zijn, maar ik ben (en blijf) onder de indruk van al die Iraniërs die zich op allerlei manieren verzetten en dat nog steeds doen.
Ik ging aan de slag als correspondent en werkte voor de Telegraaf, voor NRC Handelsblad, de NOS, RTL, ik begon bij The Washington Post en eindigde bij The New York Times. Voor de Volkskrant schreef ik een column en ik maakte een tv-serie, Onze man in Teheran.
Meestal hebben de meeste mensen dan al spijt dat ze ernaar hebben gevraagd en gaan snel een drankje halen, maar soms vragen ze door. ‘Wat vinden ze er in Nederland eigenlijk van, dat je hier woont?’
Heel lang kon ik vertellen dat ik hier een huwelijksfeest had met 25 Nederlanders. Dat mijn vrienden Iraans leerden dansen, dat er veel Nederlandse toeristen langskwamen en dat zelfs de KLM direct op Teheran vloog.
Tegenwoordig kan ik dat allemaal niet meer zeggen. De Iraanse leiders kiezen al jaren voor een harde lijn, de Amerikanen ook. Er kwamen sancties, mijn werkvergunning werd afgenomen. Er waren opstanden tegen de staat waarbij honderden mensen werden omgebracht en nu een oorlog met bombardementen door Israël en Amerika.
Eén ding is zeker: hier komt niemand uit Nederland meer langs. Ik snap ook dat mensen het vreemd vinden dat ik ‘zo’n land’ woon.
Waarom ben ik gebleven, is dan vaak de laatste vraag. Die vraag krijg ik in Nederland ook vaak. Natuurlijk denk ik daarover na. Waarom? Ik denk dat iedereen soms in het leven keuzes maakt die anders uitpakken dan je had gehoopt, maar die keuzes maken je wel tot wie je bent. Dit was de mijne.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant