Home

Al dertig jaar lang die ene vraag:
‘Had ik mijn broer kunnen redden?’

Door Robin de Puy

Video Maarten van Rossem

Fahrudin Alić (58)

Oprichter van Vereniging van overlevenden van de Srebrenica genocide

auteur van het boek Iza zatvorenih vrata, Srebrenica, 1992-1995 (Achter gesloten deuren, Srebrenica, 1992-1995)

Schaamte. Omdat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst. ‘In Bosnië loop ik zo op iemand af om even te praten, in Nederland…’ Hij zucht in een poging zich te ontdoen van de worsteling die hem inmiddels een groot deel van zijn leven achtervolgt. ‘In Nederland vind ik dat moeilijk.’ Het heeft maanden geduurd voordat Fahrudin, ‘zeg maar Fahro’, met me wilde afspreken. Ik verwachtte een stugge, introverte man. Iemand die moeilijk te doorgronden is, iemand die uit noodzaak geleerd heeft niemand meer toe te laten. Maar het tegendeel blijkt waar.

Zoekend naar woorden, begint hij te vertellen. ‘Na de verplichte militaire dienst in Joegoslavië volgde ik de politieopleiding in Belgrado. Ik werkte daar tot 1991 als politieagent. Toen keerde ik terug naar Srebrenica, mijn geboortestad in Bosnië.’ Voor Fahro was het duidelijk dat er een oorlog zou komen.

De sfeer werd al snel grimmig. Nog geen jaar na Fahro’s terugkeer werden alle hoge functies, onder andere bij de politie, overgenomen door de Bosnisch-Servische autoriteiten. Alle niet-Serviërs, onder wie Fahro, moesten vertrekken. Veel Bosniërs besloten hun land te ontvluchten, maar Fahro bleef. ‘Ik wilde mijn land en mijn familie beschermen.’

Terwijl het Bosnisch-Servische leger, gesteund door het Joegoslavische volksleger en paramilitairen, genoeg militaire middelen tot hun beschikking hadden om een aanvalsoorlog te voeren, werd Fahro commandant van een eenheid van zo’n honderd burgers. ’We vochten in jeans, hadden geen goede uitrusting of bescherming.’

Toen Srebrenica viel stuurde Fahro zijn vrouw met hun twee kleine dochters, zijn vader en zijn neefje naar de militaire basis van de Verenigde Naties (VN) in Potočari, in de hoop dat ze daar veilig waren. Hij vluchtte zelf met ongeveer 15 duizend anderen de bossen in, richting Tuzla, een veilig gebied honderd kilometer ten noordwesten van Srebrenica. ‘Nooit had ik gedacht dat ik zou moeten vluchten.’

De begraafplaats in Srebrenica, onderdeel van het Memorial Center Srebrenica-Potočari. Er zijn ongeveer zevenduizend graven.

Hij schudt zijn hoofd, opnieuw zoekend naar woorden. Hij ziet de beelden weer voor zich. De voortdurende aanvallen, waarbij soms honderden mensen in een paar uur werden vermoord. ‘Ik zag mannen die zichzelf opbliezen met een handgranaat, omdat ze geen andere uitweg meer zagen.’ Slechts de helft van deze gevluchte groep haalde Tuzla levend.

Zijn vrouw, Suvada, vond hij terug in een tentenkamp. Maar zijn vader en zijn neefje waren er niet. Fahro: ‘In Potočari waren deportaties geweest, georganiseerd door de Servische troepen. Vrouwen en kinderen werden afgevoerd in bussen en vrachtwagens. De mannen en de jongens, onder wie mijn 14-jarige neefje, zijn afgevoerd en later geëxecuteerd.’ De VN grepen niet in, sterker: VN-militairen hielpen mee de mannen van de vrouwen te scheiden.

‘Mijn vader is nooit gevonden. Mijn neefje en mijn broer hebben ze in 2007, meer dan tien jaar later, gevonden, en begraven in Potočari.’ Zijn broer werd 36 jaar oud. Ik zie hoe de brede schouders van Fahro het verdriet amper kunnen dragen.’Ik voelde me verantwoordelijk voor hem. Ik had hem kunnen redden, misschien.’

Na de oorlog ging Fahro politieke wetenschappen in Sarajevo studeren. ‘Voor mij was het belangrijk dat de Nederlandse regering, de internationale gemeenschap, maar ook de Bosnische regering zouden zeggen: ‘Sorry, we hebben fouten gemaakt.’ Maar niemand nam verantwoordelijkheid en, merkte hij, niemand mocht praten over wat er in Srebrenica was gebeurd. Fahro werd een van de gezichten in de strijd naar rechtvaardigheid. Dit werd hem niet in dank afgenomen. De Bosnische regering keerde zich tegen hem. ‘Het werd te onveilig voor mij.’ Hij vluchtte in 2001 met zijn gezin naar Nederland, waar inmiddels al een grote Bosnische gemeenschap woonde.

Srebrenica, de geboortestad van Fahrudin Alić.

Vijf jaar zat hij in een asielzoekerscentrum, terwijl onduidelijk was of hij hier een toekomst mocht opbouwen. Omdat Fahro commandant was geweest in Srebrenica, werd er onderzocht of hij oorlogsmisdaden had gepleegd. Tijdens dit jarenlange onderzoek, mocht Fahro niet integreren. Het kleine beetje moed dat hij nog had, werd langzaam verbrijzeld door de bureaucratie. ‘Verloren jaren’, zegt hij. ‘Mijn leven stond stil.’

Toen hij eindelijk het azc mocht verlaten, probeerde hij om weer als politieagent aan de slag te gaan, maar hij werd afgewezen vanwege zijn gebrekkige Nederlands.‘Probeer maar bij de beveiliging’, zeiden ze. Hij volgde een opleiding en slaagde met een 9. Maar na drie jaar zei zijn baas: ‘Fahro, er zitten te veel trauma’s in jou. Je kunt hier niet meer werken.’

Fahro gaf niet op. Hij ging werken bij een kringloopwinkel: hij reed rond in een busje om spullen op te halen. Ondertussen werkte hij aan een boek. In Bosnië werd het uitgegeven, maar in Nederland zei men: ‘Het is niet interessant genoeg voor de Nederlandse maatschappij.’ De vraag die Fahro zichzelf vaak stelt is: wanneer ben je Nederlands genoeg zodat jouw verhaal er ook mag zijn?

Het groeiende verdriet en alle frustratie pasten ­onmogelijk in het kleine kringloopbusje, en hij kon niet anders dan stoppen.

Hij deed nog één poging, hij ging vrijwilligerswerk doen bij de voetbalclub in het dorp. Maar ook dat moest hij uiteindelijk opgeven. ‘Ik voelde me erg slecht.’ Zijn stem klinkt zacht. Inmiddels hadden niet alleen de oorlog en de jarenlange etnische ­zuiveringen hem kapotgemaakt, maar ook het leven dat daaruit voortkwam.

Vandaag is het 11 juli. Terwijl de wereld toekeek, werden er 30 jaar geleden 8.372 mensen vermoord. Fahro, schaamte hoort niet bij jou. De schaamte hoort bij ons.

Over de serie

In deze serie portretteert fotograaf Robin de Puy mensen wier levens zijn getekend door de Bosnische genocide. Op 11 juli is het dertig jaar geleden dat Srebrenica, een door de VN beschermd gebied, viel. Meer dan 40 duizend mensen werden gedeporteerd door Bosnisch-Servische troepen. 8.372 mensen, vooral mannen en jongens, werden vermoord.

De Volkskrantserie ‘De elf stemmen van Srebrenica’ is een onderdeel van een gezamenlijke productie van Alma Mustafić, Marjolein Koster, Robin de Puy, Fotodok, OVT (VPRO) en Nationaal Monument Kamp Vught. Deze serie is tevens te zien als expositie in Nationaal Monument Kamp Vught, tot 26 oktober. De elf verhalen zijn ook te beluisteren als podcast, en te horen en zien op een tentoonstelling bij Fotodok in Utrecht.

Source: Volkskrant

Previous

Next