Een groot onderzoek onder Nederlandse zwangeren levert een hulpmiddel op om te beoordelen of een baby’tje dat aan het eind van de zwangerschap minder beweegt wel of niet in nood is.
Hanneke de Klerck is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.
Het komt regelmatig voor dat een aanstaande moeder aan het einde van haar zwangerschap de baby minder voelt bewegen. Meestal is dat niet erg, maar soms betekent het dat de placenta niet goed werkt en dan kan de baby in de problemen komen. Een grote Nederlandse studie heeft nu aangetoond dat een extra echometing kan helpen voorspellen of dat zo is.
De studie werd gedaan in 22 Nederlandse ziekenhuizen en 1 Australisch ziekenhuis onder 1.684 zwangeren, die werden verdeeld in twee groepen. Bij allemaal werden de bloedstroom in de navelstreng en het hoofdje van de baby gemeten.
Met de verhouding tussen deze twee kan een inschatting worden gemaakt of de placenta goed werkt en de ongeboren baby voldoende voedingstoffen en zuurstof krijgt. De vrouwen waren meer dan 37 weken zwanger en de baby’s hadden een normale grootte voor de zwangerschapsduur.
Bij de ene groep wisten de behandelaars het resultaat van de extra echometing niet en kregen de zwangeren de gebruikelijke zorg – dat kan bijvoorbeeld afwachten zijn als andere controles goed zijn, zoals de bloeddruk van de moeder en hartfilmpje van de baby. In de andere groep wisten de behandelaars de uitslag wel en werd, als de meting afwijkend was, de start van de bevalling binnen 16 uur nagestreefd.
Sanne Gordijn is gynaecoloog-perinatoloog bij het UMC Groningen. Zij leidde het onderzoek dat vrijdag is gepubliceerd in Lancet Obstetrics. Het is het eerste gerandomiseerde onderzoek – waarbij patiënten willekeurig worden toegewezen aan een behandelgroep of een controlegroep – naar het gebruik van de cerebroplacentaire ratio (CPR), zoals de meting heet, als hulpmiddel bij beslissingen over een voldragen zwangerschap.
De CPR werd al gebruikt voor onderzoek naar baby’s die klein zijn voor de zwangerschapsduur, ook daar om een inschatting te maken van de placentafunctie. Maar ook bij een gewicht dat valt binnen wat we als normaal beschouwen, zegt Gordijn, kan de baby te klein zijn voor zijn eigen groeipotentieel en kan dat komen doordat de placenta verminderd werkt.
In beide groepen overleed 1 pasgeborene en was er geen doodgeboorte. Wel waren er in de groep waarbij de CPR-meting bekend was minder problemen. Zo was het percentage problemen als een minder goede Apgar-score (een snelle bepaling van de gezondheid van een pasgeborene), een lage zuurgraad in de navelstreng (die een aanwijzing kan zijn voor zuurstofgebrek in de baarmoeder) of een spoedbevalling (vanwege verdenking dat de baby in nood is), lager dan in de groep zonder CPR-meting: 11,6 tegenover 15,3 procent.
Het doel van het onderzoek was niet alleen vrouwen identificeren van wie de baby risico loopt, zegt Gordijn, maar ook erachter komen bij welke vrouwen dat juist niet zo was. Hun bevalling hoeft dan niet onnodig te worden vervroegd. ‘Het gaat om een betere risicoselectie, om beter te kunnen inschatten welke kant het op gaat.’
Soms is het hartfilmpje nog normaal, terwijl de CPR afwijkend is. ‘Als er sprake is van een verminderde placentafunctie, wordt het hartfilmpje uiteindelijk ook afwijkend. Waarschijnlijk is het beter om daar niet op te wachten.’
Uit het onderzoek blijkt dat bij 27 zwangeren de CPR gemeten moet worden worden om 1 baby een betere uitkomst te laten krijgen door het meewegen van de CPR-waarde in het beleid. Een CPR maken kost wel tijd, dus geld en moeite.
Of de nieuwe methode toegepast kan gaan worden, hangt onder meer van klinische relevantie en de kosten af. Gordijn: ‘Die kosteneffectiviteit gaan we nu onderzoeken. Waarbij je je ook moet realiseren dat een zwangere die niet ingeleid hoeft te worden, terug kan naar haar eigen verloskundige . Dat betekent minder kosten, en een thuisbevalling blijft mogelijk.’
Maarten Knapen, gynaecoloog-perinatoloog van het Erasmus MC in Rotterdam en niet betrokken bij dit onderzoek, noemt de studie wetenschappelijk gezien goed opgezet en uitgevoerd.
‘Het is moeilijk om ongeboren kinderen te identificeren die een verhoogde kans hebben op een slechte uitkomst en die beter eerder geboren kunnen worden. De zoektocht naar een goed bewakingsinstrument is al decennia gaande en heeft nog relatief weinig echte verbetering opgeleverd, behalve bij acute verloskundige problemen.
‘Bij de groep zwangere vrouwen die ‘minder leven’ voelen, zou de CPR-meting enige verbetering kunnen geven. Maar zo’n meting is technisch uitdagend. Het zou als vervolgstap wenselijk zijn dat het nut van deze meting in een implementatieonderzoek in de dagelijkse praktijk onderzocht wordt.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant