Home

Het glas was niet gevuld met een verkoelende versnapering, maar met iets dat bewoog, alsof het leefde

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Ik lag op de bank kalm te lezen. Nou ja, kalm, kalm, in Jurassic Kast staan nog zesduizend ongelezen romans die me de hele dag aanstaren, dus ik voel voortdurend leesdruk.

Maar dan is er altijd mijn vriendin Jet, die me een drankje aanbiedt. Van achter de leeszetel, op 5 centimeter van mijn verwoede hoofd, verscheen haar hand waarin ze een waterglas vasthield, er zat een bruine vloeistof in, zag ik.

Ze zei: ‘Wil jij een lekker glas ijsthee?’

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Het was de heetste dag aller tijden, inmiddels een andere manier om ‘vandaag’ te zeggen, het was dus vandaag en loeiheet, de rest van Breda was met vliegvakantie en ik lag me thuis te schamen. Ik kon inderdaad wel een ijstheetje gebruiken.

‘Oe’, zei ik daarom, ‘lekker – ijsthee! Zet maar op het tafeltje.’

Deed de hand van mijn vriendin Jet niet, ze bracht het goedgevulde glas dichter bij mijn gezicht, alsof ze van de thuiszorg was en meneer Buwalda een slokje moest worden toegediend.

Mijn neus was het snelst, het orgaan rook iets zoutigs, slibbigs. Waarom hebben we eigenlijk twee neusgaten? Ruiken we, zonder dat ik het weet, in stereo? Eén neusgat was logischer geweest, maar wel lelijker. Stel je voor dat een man als Elvis in plaats van zijn twee perfecte neusgaatjes één groot neusgat had gehad, was ik dan ook fan van hem geworden en voor altijd, tot in mijn graf, gebleven?

‘Tuurlijk wel.’

‘Nou, ik weet het nog zo net niet.’

Hoe dan ook, ik rook geen ijsthee. Daarom besloot ik een tweede zintuig in te zetten, mijn kijkgaten. Nog duizelig van het hoogstaande drukwerk stelde ik ze scherp op het glas, dat nu langzaam ronddraaide in de hand van mijn vriendin Jet.

Een derde orgaan, mijn mond, mengde zich in het spel. Zeker, de ijsthee zou er op termijn moeten worden ingegoten. Maar eerst kwam er, geheel onverwacht (voor mijzelf althans, niet voor mijn vriendin Jet, zou later blijken) een oerkreet uit, een kelige schreeuw – wat zeg ik, het was dé Schreeuw, van Munch.

Wat ik namelijk opmerkte was dat het glas niet gevuld was met een verkoelende versnapering, maar met iets traags dat bewoog, alsof het leefde. Dit laatste klopte. Het glas zat verdomme vol met over elkaar heen glijdende slakken en hun huisjes!

Ik ben een pacifist, tot er gevochten moet worden. Dan ben ik een havik. Nog niet eens klaar met mijn Munch-schreeuw sloeg ik de vijand met een harde mep uit de vijandige hand van mijn ex-vriendin Jet, die toen nog lachte, ik denk om het effect van haar ‘geintje’.

Het glas, waarin zeker vijftig slakken hadden liggen – geen idee wat ze aan het doen waren geweest, iets losgeslagens, heel fout zag het eruit, eerst alles opvreten in de tuin en erna meteen een orgie aanrichten, typisch slakken – vloog tollend door de huiskamer. De eerste escargots verlieten, centrifugaal gemotiveerd, de bijeenkomst. Het glas sloeg in op de slechtste plek denkbaar: mijn stereoset waar ik zo zuinig op ben. ‘DAT NIET’, brulde ik. Bats, daar explodeerde de slakkenraket.

Mijn vriendin Jet was gestopt met lachen. De kamer lag bezaaid met scherven en escargots, overal splinters, huisjes en kleverig gekronkel. Het calamiteitenplan moest uit de la. Tijdens het verzamelen van de diertjes vonden we het ook wel zielig voor ze. Ze waren niet expres een plaag. Eerst had ik ze bijna opgedronken, erna waren ze de vulling van een fragmentatiebom geworden.

‘Ze hebben met hun poten van mijn stereo af te blijven’, zei ik bitter.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next