Adam Phillips, bekend om zijn scherpe inzichten als psychoanalist, werd hoopvol door de vele jonge gezichten tijdens een ochtend in De Balie. ‘Wat is opgeven?’, vroeg hij.
Niet veel mensen bewonder ik maar psychoanalist en schrijver Adam Phillips wel. Misschien is bewondering inderdaad weinig anders dan gedomesticeerde afgunst, zoals Abram de Swaan schreef.
Op een zondagochtend interviewde ik Phillips in De Balie in Amsterdam. We concentreerden ons op zijn laatste boek, On Giving Up, oftewel: wat is opgeven? Wat geef je op als je opgeeft?
Het boek begint met een beroemd aforisme van Kafka: vanaf een bepaald punt is het niet meer mogelijk terug te keren en dat dat punt bereikt moet worden.
Voorspeld was dat het een warme dag zou worden, maar die zondagochtend zaten er toch nog zo’n honderd mensen in het zaaltje. ‘Veel jonge mensen’, had Phillips gefluisterd voordat we begonnen, ‘dat is hoopvol.’
De jonge mensen ontgingen hem dus niet, al zagen ze er niet allemaal even hoopvol uit. Verder vertelde hij tijdens ons gesprek dat hij zoals velen de dood niet vreesde, maar wel het verval, dat hij van slapen hield en dat de dood weinig anders was dan de grote slaap. Veel kan hoopvol zijn.
Na anderhalf uur waarin zelfcensuur, genot, afhankelijkheid en identiteit (wat je zegt te zijn ben je niet) werden behandeld, was het tijd voor de lunch: een visje. ’s Avonds zou Phillips weer terugvliegen naar Londen om maandag bij zijn patiënten te zijn. Het verschil tussen afhankelijkheid en verantwoordelijkheid is minimaal.
Diezelfde maandag reisde ik met mijn zoon naar Remouchamps in België om hem de grotten te laten zien. Avondenlang had hij over grotten gepraat. Telkens weer vroeg hij: ‘Hoe kom je uit een grot?’
Bij het bezoek hoorde een boottocht door een ondergrondse rivier. Op de boot moest mijn zoon zó nodig plassen dat hij de boot bijna deed kapseizen. ‘Niet opgeven’, fluisterde ik.
We hadden het punt bereikt waarop we niet meer konden terugkeren.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns