Home

Mijn mechanisme voor emotionele automutilatie bleek nog altijd uitstekend te functioneren

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Ik zat rustig te werken en me met niets of niemand te bemoeien behalve met mezelf. Plots verscheen er een potje crispy chiliolie onder mijn neus. Aan het potje zat een hand vast, die op zijn beurt weer bij de manager van het café hoorde. ‘Mag ik even gebruikmaken van je spierballen?’, vroeg ze. Mijn spierballen – voor zover ik die heb – zaten keurig verborgen onder een ruime sweater. (Trouwens, zijn spierballen niet het enige onderdeel van het menselijk lichaam dat collectief maatschappelijk eigendom is? Ze zitten dan misschien aan jouw lijf, maar iedereen kan en mag er op ieder moment een beroep op doen. Je kunt een verzoek tot het gebruik van je spierballen simpelweg niet weigeren. Dan had je ze maar niet moeten hebben. Dit gaat voor geen ander lichaamsdeel op. Probeer maar eens iemand te vragen of je even gebruik mag maken van hun borsten.)
‘Je bent de enige man hier’, legde ze uit. ‘Lukt het jou misschien deze open te maken?’

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Uiteraard wilde ik dit doen, maar ik was me ook bewust van het afbreukrisico. Als het niet zou lukken: hoongelach, weg veronderstelde spierballen, weg mannelijkheid. Ik pakte het potje aan en draaide aan het deksel. Geen beweging in te krijgen. Het angstzweet in mijn palmen werkte niet mee. Ik veegde mijn hand af aan mijn broek, greep het deksel stevig vast en draaide weer. Niets. Als ik nog meer kracht zou zetten, zou ik mijn eigen pols breken. Maar ik wist een trucje. Ik pakte een zoutvaatje en gaf met de onderkant een flinke tik op het deksel. En ja hoor, daarna kon ik het potje makkelijk opendraaien. Achteloos, alsof ik niet net mijn hele leven voorbij had zien flitsen, gaf ik het potje terug.

‘Zo,’ klonk het rechts van me, ‘heb je toch even je spierkracht kunnen tonen.’ Aan het tafeltje naast me zaten twee jonge vrouwen. ‘Ja ja,’ antwoordde ik met een schaapachtige glimlach, ‘ze doen het nog’. Om haar compliment (als dat het al was) zelfstandig een kopje kleiner te maken, legde ik uit dat het openen van een potje eigenlijk niet zoveel met spierkracht te maken heeft, maar met techniek. ‘Als je het niet open krijgt, hoef je alleen even flinke tik op het deksel te geven. Dan gaat de druk eraf en draai je het zo open.’ ‘O ja?’, zei ze en keek me quasi-belangstellend aan. Er schoot me iets te binnen. ‘Ja. Maar nu zit ik dus jou te mansplainen hoe je een potje moet open maken.’ Mijn mechanisme voor emotionele automutilatie bleek nog altijd uitstekend te functioneren. Ze glimlachte. ‘O ja, mansplainen,’ herhaalde ze, alsof ze het bestaan van de term even vergeten was, ‘ken je dat?’ Zeker, dat is dus zeg maar dat je als man – nee, laat maar.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next