is tv-recensent van de Volkskrant.
Fijn dat de VPRO juist maandag de documentaire Eddy Merckx uitzond, over de Belgische wielrenner die zich wegens zijn ongekende successen in de jaren zestig en zeventig ontpopte als een kwelgeest voor een generatie jonge Nederlandse wielerfans. Fijn uiteraard, omdat de uitzending van de film, die begin 2025 in première ging op het IFFR in Rotterdam, nu samenvalt met de dagelijkse liveverslagen van de Tour de France. En omdat zo het contrast in de tv-verslaggeving tussen toen en nu zo mooi wordt blootgelegd.
Ja, Merckx was een kwelgeest voor vaderlandse wielerfans omdat hij, na de glorieuze Nederlandse Tourwinnaar Jan Janssen in 1968, jarenlang vrijwel alle grote wielerwedstrijden won, en nog geen troostprijsje overliet voor de coureurs die wij in ons hart koesterden. 525 keer werd hij eerste.
Nu ik dat kinderachtige chauvinisme ben ontgroeid, kan de bewondering voor de inmiddels 80-jarige ‘Kannibaal’ – knappe kerel, trouwens – alsnog ontbolsteren. En belet de wrok me niet langer me opgetogen te verbazen over de benaderbaarheid van de renner: de tv-camera’s waren bijna altijd en overal welkom. Geen mediastrateeg hield ze op afstand, geen communicatieadviseur fluisterde soundbites in.
Zo zien we Merckx tijdens de Giro d’Italia in 1969 (uiteraard in de roze leiderstrui) als hij positief heeft getest bij de dopingcontrole en wordt gediskwalificeerd. Huilend op zijn hotelbed stamelt hij: ‘Ik snap er niks van, ik heb zeker niks genomen.’ Als je doping had gebruikt dan toch niet gisteren, maar bij de tijdrit morgen, vraagt de verslaggever. Nee, nee: ‘Ik ben altijd eerlijk en sportief.’ En weer barst de renner in snikken uit. Het deed denken aan de tiener wiens moeder een pakje sigaretten in zijn broekzak heeft ontdekt en die desondanks pertinent ontkent dat hij rookt.
Ongezien bij het hedendaagse wielrennen: Merckx in een ambulance (fraaie Citroën DS Wagon), na een valpartij onderweg naar het ziekenhuis. De materiaalverzorger van zijn ploeg had de twee ziekenbroeders al horen zeggen: die is dood. Maar als door een wonder overleeft de renner de val, waarbij zijn helm in tweeën breekt. Een wond prijkt op zijn slaap, met ietsje minder geluk was zijn schedel verbrijzeld. Groggy staart hij naar de camera.
Vriendelijk was hij, voor een veronderstelde plaaggeest. Nadat een Franse toeschouwer, net als veel van zijn landgenoten jaloers op Merckx, hem een vuistslag op de lever had toegebracht, was zijn commentaar: ‘Ik vecht het liever uit op de fiets dan dat we elkaar slaan.’ De dader, aangehouden door een gendarme, bagatelliseert zijn daad voor de camera: ‘Ik heb hem amper geraakt.’
Anno 2025 staan er veel dranghekken langs het parcours. Zijn de ‘persmomenten’ geregisseerd. Betreedt geen verslaggever nog de hotelkamer van de renners. Dragen ze helmen en zonnebrillen die hen lastig herkenbaar maken. De dagen van Merckx, die blootshoofds met 90 kilometer per uur de Tourmalet af raasde, zijn voltooid verleden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns