Welke Nederlandse roman past naadloos op het terras van een huisje in Friesland? Welke Franse klassieker laat zich lekker lezen bij het zwembad? Welk boek helpt de Balkan beter te begrijpen, wat móét je lezen in Italië? De beste titels voor een vakantie op eigen continent.
Illustraties Avalon Nuovo
Acht jaar heeft Oek de Jong in Friesland gewoond. Acht kinderjaren op een mensenleven is niet zo lang, toch heeft die tijd een onuitwisbaar stempel gedrukt op de schrijver. ‘We zeilden veel in de Princenhof en het hele gebied van de Alde Feanen’, vertelde hij vorig jaar in een interview met het Friesch Dagblad. ‘Ik was op een gevoelige leeftijd en het landschap maakte een sterke indruk op mij: de rietvelden, de rondzwevende libellen, de stilte en broeierige warmte in de smalle sloten.’ Het allereerste verhaal dat De Jong schreef, op zijn 19de, speelde zich af in dat landschap.
Ook in de rest van zijn oeuvre zal Friesland een belangrijke rol blijven spelen, zoals in de heerlijke roman Hokwerda’s kind, die begint met een legendarische scène waarin Hokwerda, een stugge Fries, zijn dochtertje Lin in de Ee gooit. ‘Hij pakte haar bij een pols en een enkel, tilde haar tengere lijfje op, zwaaide het heen en weer tot het voldoende vaart had en slingerde het weg over de rietpluimen. Ruggelings, met een half angstig, half verrukt gezicht, vloog het meisje het water tegemoet. Op het hoogste punt van haar vlucht leek ze een ondeelbaar ogenblik stil te hangen in de lucht, dan viel ze, met een kreet, verdween uit het zicht en plonsde in het water.’
Een filmisch beeld, een filmisch boek, vol zinderende, dreigende natuur en erotiek (geen wonder dat het recent door Boudewijn Koole verfilmd werd). Je krijgt gewoon zin zélf in de Friese wateren te plonzen en dat kan vast vanaf een steigertje van een of andere camping.
Wel even opletten dat je niet op de horrorcamping van Maartje Wortel terechtkomt. In haar laatste roman Camping beschrijft zij een op het oog kalme camping waar mensen komen voor de rust, een beetje lezen voor de tent en eten met lichtgewicht bestek. Even de wereld de wereld laten. Maar de wereld, die laat zich niet zo makkelijk opzijzetten; de camping ís de wereld, maar dan in het klein. En achter het dunne tentdoek broeit het van de spanningen die onvermijdelijk tot uitbarsting moeten komen.
Op welke camping u ook zit – de laatste telling geeft aan dat er maar liefst 2.500 campings in Nederland zijn, dus het is bijna onmogelijk dat u er níét op zit – u komt zeker een van de types uit de roman van Wortel tegen: de onverstoorbare campinghoudster, de man-met-problemen in het chalet, het hoorbaar neukende stelletje, de eenzame wandelende vrouw. Spot ze deze zomer allemaal!
Bo van Houwelingen
Oek de Jong: Hokwerda’s kind. Atlas Contact; 448 pagina’s; € 22,99.
Maartje Wortel: Camping. Prometheus; 240 pagina’s; € 22,99.
Kopenhagen is een heerlijke stad: het is er mooi, schoon en gezellig. Ga eerst koffiedrinken in Nyhavn, dan winkelen in Strøget en slenter vervolgens langs de Langelinie naar de kleine zeemeermin. Hygge alom.
Het contrast met het universum van de misdaadschrijver Jussi Adler-Olsen kan niet groter zijn. Daarin is Kopenhagen het decor van de bruutste moorden. De titels van de bekende Q-reeks, waarin inspecteur Carl Mørck zich vastbijt in onopgeloste moordzaken, spreken boekdelen: De bedrijfsterrorist, Slachtoffer 2117 en Moord terwijl u wacht. Het eerste deel uit de serie, De vrouw in de kooi (2007), is nu in een Engelse remake te zien op Netflix; inspecteur Mørck is veranderd in een Engelsman die in het Schotse Edinburgh werkt.
Na tien delen vond Adler-Olsen het welletjes, maar ineens is er toch een elfde deel, Dode zielen zingen niet. De bestsellerauteur ging hiervoor de samenwerking aan met het schrijversduo Stine Bolther en Line Holm. Een gouden greep, want dit elfde deel is echt een heerlijke thriller voor in de reiskoffer.
Mørck is met pensioen en met een boekhandelstoernee bezig: hij heeft zijn eerste twee misdaadthrillers uitgebracht. Maar hij verveelt zich en dus is hij blij als hij een verdachte geluidsopname in handen krijgt. Zo kan hij weer even langs bij zijn oude collega’s van afdeling Q. Die hebben intussen versterking gekregen van de 44-jarige Frans-Deense Helena Henry, die van aanpakken weet en af en toe Franse verzuchtingen slaakt. Samen met de Syrische Assad en collega Rose gaat zij achter een seriemoordenaar aan.
Grappig detail: afdeling Q is sterk gefeminiseerd. Rose is in de overgang en nogal nurks; Helene geneert zich er niet voor zich in het bijzijn van Assad om te kleden. Ook zonder Mørck blijkt afdeling Q goed te draaien.
Kopenhagen is ook prominent aanwezig in het laatste deel van de Tue-trilogie van Thomas Korsgaard, Je had er waarschijnlijk bij moeten zijn. De 17-jarige Tue heeft zijn dorp, Skive in Jutland, voor de hoofdstad verruild. Zonder vaste verblijfplaats zwerft de jonge gay wekenlang met zijn ziel onder zijn arm door het centrum van Kopenhagen. Wie de plattegrond kent: elk detail klopt. Geen diepgravende literatuur, maar de ultrakorte hoofdstukken maken het een geschikt boek voor vakantiegangers met een korte spanningsboog. Wie op zoek is naar een leuke gaybar in Kopenhagen, vermaakt zich er ook mee.
Lotte Jensen
Jussi Adler-Olsen, Stine Bolther, Line Holm: Dode zielen zingen niet. Vertaald door Kor de Vries. Prometheus; 488 pagina’s; € 24,99. Verschijnt op 5 juli.
Thomas Korsgaard: Je had er waarschijnlijk bij moeten zijn. Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink. Ambo Anthos; 210 pagina’s; € 23,99.
Scandinavië is niet alleen op Netflix het land van de krimi’s, maar ook in de boekenwereld. De kwaliteit wisselt nogal, maar de Noorse schrijver Samuel Bjørk steekt met zijn Munch & Krüger-serie boven het maaiveld uit.
Het onlangs verschenen zesde deel, De laatste ochtend, is ideaal voor een citytrip naar Oslo. Vier dagen lang vindt er om exact 9.07 uur een explosie plaats in de hoofdstad. De dader heeft zijn slachtoffers tegen hun wil met een bomvest op pad gestuurd naar drukbezochte toeristische locaties: de metro, het Frognerpark, het parlementsgebouw en de vesting Akershus, een 13de-eeuws kasteel. Hij wil op deze manier een aanslag op Noorwegen als geheel plegen.
De laatste ochtend is een gelikt boek, vol korte zinnetjes, met een hoog detectivegehalte: Mia Krüger, de 21-jarige assistente van rechercheur Holger Munch, probeert de door de dader achtergelaten hints te ontrafelen.
Natuurliefhebbers kunnen zich laven aan een andere kant van Noorwegen in het proza van Jon Fosse. Deze winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur staat bekend om zijn paginalange, meanderende zinnen. Het recent vertaalde Ales bij het vuur is fraai en poëtisch.
We bevinden ons in een huiskamer aan een fjord nabij Bergen. De weduwe Signe staart naar buiten en denkt terug aan de dag dat haar man Asle niet meer terugkeerde van een boottochtje. Haar gedachtenmaalstroom gaat naadloos over naar het verre verleden, toen zich in het leven van de betovergrootmoeder van Asle, die Ales heette, een soortgelijke tragedie afspeelde.
Signes gedachten gaan van binnen naar buiten. Ze wordt omringd door grootse natuur, die altijd hetzelfde blijft maar toch ook steeds van karakter verandert: ‘Dan kijkt ze naar de Fjord die daar ligt, altijd hetzelfde, altijd anders, en dan kijkt ze naar de Berg aan de overkant van de Fjord, die steil en grijszwart vanaf de zachte, grijswitte bewegingen in de Lucht naar beneden afloopt, tot waar de bomen bergafwaarts gaan groeien’. Het summum van contemplatieve literatuur, bij uitstek geschikt voor een fjordenreis.
LJ
Samuel Bjørk: De laatste ochtend. Vertaald door Perpetua Uiterwaal en Liesbeth Huijer. Luitingh-Sijthoff; 400 pagina’s; € 23,99.
Jon Fosse: Ales bij het vuur. Vertaald door Sophie Maertens en Michiel Vanhee. Oevers; 92 pagina’s; € 19.
De stad in de roman Kroniek in steen is tegen zulke steile hellingen gebouwd dat ze de natuurwetten tart. Ismail Kadare beschrijft ‘de enige plek in de wereld waar als je op straat uitglijdt en valt, je net zo goed op het dak van een huis kunt belanden’. Iets wat, voegt hij toe, vooral dronkaards overkomt.
De naamloze stad is onmiskenbaar Gjirokastër, de geboorteplaats van Kadare, wiens werk in de koffer naar Albanië niet mag ontbreken. De schrijver, meermaals getipt voor de Nobelprijs voor Literatuur, was de reus van de Albanese literatuur en een groot Europees schrijver. Hij overleed vorig jaar op 88-jarige leeftijd.
De verteller in Kroniek in steen is een kind dat vol verwondering naar de wereld kijkt. Van buitenaf lijkt de uit stenen opgetrokken stad ‘gepantserd’, maar onder deze ‘schubben’ broeit het leven waar deze roman om draait: de bonte inwoners, waaronder de grootouders van de verteller, hun verhalen, zijn kennismaking met de taal. Die jongen is Kadare zelf en in deze stad ontkiemt zijn schrijverschap.
De roman speelt zich af tijdens een keerpunt in de Albanese geschiedenis. Buiten woedt de Tweede Wereldoorlog, bezettingsmachten wisselen elkaar af. Uiteindelijk komen de partizanen – herauten van het communistische bewind van dictator Enver Hoxha die het land transformeerde tot een met eenpersoonsbunkers bezaaid Noord-Korea van de Balkan.
Kadare put uit de rijke geschiedenis en legendes van Albanië om zijn literaire universum te scheppen. Een breuk in april, een van zijn mooiste romans, speelt zich af in de gure noordelijke bergstreken. Hier geldt de Kanun, een eeuwenoud wetboek dat de regels voor de bloedwraak vastlegt. Een gedood familielid moet worden gewroken door een man uit de familie van de dader te doden. Vervolgens moet hij weer worden gewroken.
In deze oneindige cyclus van geweld is nu de beurt aan Gjorg, die zijn broer moet wreken. De bloedvlekken op het witte hemd van de dode, dat traditioneel wordt uitgehangen, beginnen te verkleuren. Het is tijd. Nadat de eerste poging is mislukt, krijgt hij dertig dagen respijt, een periode waarin hij als een geest door de hooglanden waart.
Kadare verweeft de lotgevallen van Gjorg met een jong echtpaar op huwelijksreis. De schrijver Beshian vindt de bloedwraak machtig interessant, en trekt met zijn kersverse echtgenote Diana als stadse voyeur langs het leed van de bergbewoners. Een ontmoeting tussen Diana en Gjorg heeft grote gevolgen.
Over Kadare wordt gezegd dat hij historische romans schreef als parabels over het communisme. Daar zit een kern van waarheid in, maar het doet zijn werk tekort. Een breuk in april is een roman over ratio en bijgeloof, over geweld, dwang en vrijheid. Ben ik wel vrij, vraagt Gjorg zich af, hoe ontsnapt een mens aan de ijzeren mechanismes van traditie? Grootse literatuur en razend spannend bovendien.
Arnout le Clercq
Ismail Kadare: Kroniek in steen. Vertaald door Hans de Bruijn. Athenaeum; 224 pagina’s, € 27,50.
Ismail Kadare: Een breuk in april. Vertaald door Roel Schuyt. Querido; 240 pagina’s; € 23,99.
Wil je Centraal-Europa begrijpen, leer dan de geschiedenis kennen. En om die geschiedenis vervolgens te begrijpen, lees de literatuur. De Kroatische schrijver Slobodan Šnajder ment de tweespan van literaire verbeelding en tragische historie op meesterlijke wijze.
De roman De engel van het verdwijnen beschrijft de lotgevallen van de bewoners van een huis op de Ilica, een hoofdstraat in Zagreb. Een van de vertellers is het alwetende huis zelf, dat het lief en leed van zijn huurders gadeslaat via de spiegels. Een andere grote rol is weggelegd voor Anda, een dienstmeisje dat zich aansluit bij de partizanen en de valse beloften van het communisme aan den lijve ondervindt. Een ragfijn portret van de recente Kroatische geschiedenis, het giftige nationalisme waarmee het land tijdens de Tweede Wereldoorlog doordrenkt raakt en hoe dit terugkeert bij het uiteenvallen van Joegoslavië in de jaren negentig. Šnajders tomeloze verbeeldingskracht overstijgt het genre van de historische roman ruimschoots.
Ook in het eerder verschenen De reparatie van de wereld weet je vanaf de eerste pagina’s dat Šnajder de bakens verzet van wat literatuur vermag. Hoofdpersoon Georg Kempf is een zogenoemde Volksduitser (iemand met Duitse wortels) in Kroatië, die door de Waffen-SS wordt gerekruteerd. Hij trekt tijdens de oorlog door het verminkte Europa, waaronder Polen. Tussen de draden die Šnajder spint, zit ook het verhaal van Vera, een communiste die haar overtuigingen bekoopt met het concentratiekamp en zich later bij de partizanen aansluit. Na de oorlog vormen ze een onwaarschijnlijk echtpaar.
Šnajder vertelt zo het verhaal van Kroatië en geheel Centraal- en Oost-Europa, ingeklemd tussen dictators en ideologieën, tussen collaboratie en verzet. Wat kan het individu hiertegen uitrichten? Draagt het verantwoordelijkheid of is het speelbal van het lot? Elke keuze, hoe klein ook, heeft grote gevolgen.
Dubravka Ugrešić kwam er weliswaar vandaan, maar noem haar geen Kroatische schrijver. Daar gruwde ze van. Ze omschreef dit etiket eens als een tatoeage waar je maar niet van afkomt. Ze verruilde Kroatië lang geleden voor Amsterdam, waar ze in 2023 overleed. Wel schreef ze over Kroatië en Joegoslavië, haar geboorteland dat niet meer bestaat. Met een vlijmscherpe pen bond ze de strijd aan met het ongure nationalisme dat de toon zet in Kroatië. Ook graaiende politici en hun bodemloze cynisme spaarde ze niet.
In haar veelzijdige oeuvre spannen Ugrešić’ essays de kroon: intelligent, een tikkeltje vilein en altijd met een flinke dosis humor. Ze laveert elegant tussen geschiedenis, kunst, populaire cultuur en maatschappij aan de hand van karaoke, de film La La Land, kuuroorden en het gevoel van opstandigheid als het hotel een slotje op de minibar heeft gedaan (dit kan ook u overkomen). Stop Europa in sepia of Het tijdperk van de huid in de rugtas. Of allebei.
AlC
Slobodan Šnajder: De engel van het verdwijnen. Vertaald door Roel Schuyt. Wereldbibliotheek; 416 pagina’s; € 27,99.
Slobodan Šnajder: De reparatie van de wereld. Vertaald door Roel Schuyt. Wereldbibliotheek; 480 pagina's, € 29,99.
Dubravka Ugrešić: Het tijdperk van de huid. Vertaald door Roel Schuyt. Nijgh & Van Ditmar; 240 pagina's, € 23,99.
Dubravka Ugrešić: Europa in sepia. Vertaald door Roel Schuyt. Nijgh & Van Ditmar; 376 pagina’s; € 29,99.
In de zomervakantie gun je jezelf de dikke romans waarvoor je de rest van het jaar geen tijd denkt te hebben. Het is de ideale periode om een van die prachtige 19de-eeuwse turven uit de boekenkast te kiezen die daar geduldig staan te wachten: Anna Karenina van Tolstoj, Grote verwachtingen van Dickens, Moby Dick van Melville, La Regenta van Clarín, Nicht Bette van Balzac.
En ook: De Maia’s van de Portugese schrijver Eςa de Queiroz. Nobelprijswinnaar José Saramago omschreef het als ‘het grootste boek van Portugals grootste romanschrijver’.
De Maia’s (onlangs opnieuw uitgegeven in de Serie L.J. Veen Klassiek, voorzien van een uitstekend nawoord van Michaël Stoker) is een ambitieuze roman. Het is een drie generaties omspannende familieroman die tegelijkertijd een dwarsdoorsnede van de Portugese samenleving geeft in de tweede helft van de 19de eeuw. En het boek is ook een boordevolle ideeënroman, want tjonge, de personages filosoferen en discussiëren wat af.
Helemaal serieus worden ze niet genomen door de schrijver, die met een ironische bril kijkt naar al die aristocraten, gegoede burgers, politici en diplomaten – hij was er zelf ook een! – die het beste voorhebben met Portugal, maar niet in staat zijn om de daad bij het woord te voegen. Alleen schrijver Jão de Ega (zoals de naam al suggereert een alter ego van Eςa de Queiroz) verkondigt hier en daar ideeën waar de schrijver zelf misschien ook wel zijn handtekening onder zou hebben gezet. ‘Hier wordt alles geïmporteerd’, zo zegt Ega bijvoorbeeld in een beroemde passage. ‘Wetten, ideeën, filosofieën, theorieën, onderwerpen, schoonheidsidealen, wetenschappen, stijl, industrieën, modes, manieren, grappen, alles komt in kisten met de pakketboot. De beschaving is peperduur voor ons met alle invoerrechten; en ze is tweedehands (…).’
Na de glorieuze tijd waarin Portugal, net als Spanje, een wereldrijk was, zette het verval in en werd het land, meer nog dan Spanje, een vergeten uithoek van Europa. De Maia’s zet je midden in de tijd dat Portugal op oude roem teerde en er maar niet in slaagde om de moderne tijdgeest bij te benen. Het zou nog wel een eeuw duren voordat dit eindelijk zou gebeuren.
Maarten Steenmeijer
Eςa de Queiroz: De Maia’s. Vertaald door Harrie Lemmens. L.J. Veen Klassiek; 656 pagina’s; € 25.
Wie in Valencia op vakantie is komt bijna vanzelf terecht op een van de prachtige brede stranden van de stad. Vlak daarachter ligt het Casa-Museo Blasco Ibáñez. In deze ruime, door een grote tuin omgeven villa woonde ooit Valencia’s beroemdste schrijver Vicente Blasco Ibáñez (1867-1928).
Nu is het pand een museum waar je bij kunt komen van de strandhitte terwijl je een hoop bijleert over leven en werk van ‘a man of great brute force and vitality who’, aldus de Britse schrijver en Spanjekenner Gerald Brenan, ‘did many other things in his life besides writing books.’ Dit laatste is nog zachtjes uitgedrukt. Blasco Ibáñez, een radicaal progressieve republikein, schreef niet alleen een enorm oeuvre bij elkaar, maar stampte ook, om maar wat te noemen, een krant uit de grond, richtte een eigen politieke beweging op (el blasquismo) en stichtte twee landbouwkoloniën in Argentinië.
Een eeuw geleden was Blasco Ibáñez Spanjes meest vertaalde schrijver, daarna bleef hij alleen in eigen land nog een begrip. Maar met de heruitgave van Sjees en paella (1894; laat u zich niet afschrikken door de titel) is deze literaire reus nu weer terug in Nederland. Het is een van zijn vroege romans en vertelt het verhaal van een eenvoudige Valenciaanse vrouw die met een man in goeden doen trouwt. Nadat ze weduwe is geworden hertrouwt ze met een flapdrol die haar geld erdoorheen jaagt. Om de schone schijn op te houden steekt ze zich diep in de schulden.
Blasco Ibáñez weet hoe hij een verhaal moet vertellen en brengt het Valencia van zijn tijd, inclusief de plaatselijke feesten, met een aanstekelijke zwierigheid tot leven. Een sombere sociaal-kritische roman is Sjees en paella daarom niet geworden.
Arturo Barea’s autobiografische roman De weg heeft wél veel tinten zwart. In de eerste decennia van de vorige eeuw probeerde Spanje in Marokko zijn vrijwel totaal verkruimelde koloniale glorie nieuw leven in te blazen. Barea werd er in 1920 te werk gesteld als dienstplichtig militair en zag hoe fel het plaatselijke verzet was en hoe slecht het corrupte Spaanse leger daartegen opgewassen was. Marokko is ‘niets anders dan een slachthuis’, zo schrijft hij en dat laat hij zien ook. In dit slachthuis leerde generaal (en latere dictator) Franco het slagersvak. Dat was de macabere bijvangst van Spanjes zinloze, bloedige koloniale avontuur in Noord-Afrika, dat tienduizenden mensen het leven kostte.
Wie eens wat anders wil lezen dan de zoveelste roman over de Spaanse Burgeroorlog mag zich De weg niet ontzeggen.
MS
Vicente Blasco Ibáñez: Sjees en paella. Vertaald en van een nawoord voorzien door Frans Oosterholt. Nobelman; 346 pagina’s; € 24,95.
Arturo Barea: De weg – De Spaanse oorlog in Marokko. Uit het Spaans vertaald door Mia Buursma, met een nawoord van Hub Hermans. Schokland; 308 pagina’s; € 29.
Een eeuw geleden vormde Benito Mussolini Italië om tot een fascistische dictatuur en dreef hij het land in de armen van Hitler. Waarom is de Italiaan lang niet zo verguisd als de Führer? Waarom is zijn geboorteplaats Predappio nog steeds een pelgrimsoord? Hoe kan het dat Giorgia Meloni’s vroegere, vurige sympathie voor de Duce haar premierschap niet in de weg stond?
Wie het Italië van nu wil begrijpen, moet Mussolini begrijpen. Niemand heeft zich zo effectief over zijn nalatenschap ontfermd als de schrijver Antonio Scurati. In zijn bestsellerreeks M, waarvan inmiddels vier delen vertaald zijn, beschrijft hij de opkomst en ondergang van de Duce, van de eerste knokploegen tot zijn allerlaatste dag, duizenden pagina’s in totaal. Het had een loodzwaar gedrocht kunnen worden, maar Scurati selecteert zijn historische materiaal zo slim en schrijft zo filmisch dat je door de boeken vliegt.
Het is niet nodig om met deel één te beginnen. Lees deze zomer bijvoorbeeld het vierde, M – Het uur van de waarheid, waarin Mussolini wanhopig wil bewijzen dat hij meetelt in de wereldoorlog, geen sullig hulpje van Hitler is. De feiten spreken voor zich.
Wie deze zomer even géén zin heeft in politiek, maar wel in Italië, kan zich verliezen in het rijke oeuvre van Natalia Ginzburg (1916-1991). Zij groeide op in Turijn, leefde tijdens de oorlog als balling in een dorpje in de Abbruzzen en woonde daarna lange tijd in Rome. Haar romans, verhalen en memoirs spelen zich af op de plaatsen van haar leven, maar vaak ook in een minder specifiek, zij het zeer Italiaans universum: personages wonen in ‘de stad’ en brengen de zomers door ‘aan zee’ of ‘in de bergen’.
In het net vertaalde Valentino & De moeder beschrijft een zus, niet zonder afgunst, hoeveel haar broer voor hun ouders betekent. Hij wordt een groot man, daar twijfelen ze niet aan. Dan neemt hij een foeilelijke verloofde mee naar huis. In de andere novelle uit deze bundel verbazen twee jongens zich over de onmoederlijke vrouw die hen schijnt te hebben voortgebracht. ‘Zij was beslist niet van hen: ze konden niet op haar rekenen.’ Als ze van hen wegfietst naar kantoor, kijkt ze blij.
Dat Ginzburg veel schrijft over families, vrienden, relaties, betekent niet dat ze kleine verhalen vertelt. Via het specifieke, het particuliere dringt de buitenwereld door in haar intieme universum – eerder intiem dan persoonlijk, zelfs in haar autofictie schrijft ze zelden direct over haar eigen ik. Bijna achteloos schetst ze óók een tijdsbeeld. Valentino & De moeder is een dunnetje, maar het smaakt vast naar meer.
Emilia Menkveld
Antonio Scurati: M – Het uur van de waarheid. Vertaald door Jan van der Haar. Wereldbibliotheek; 640 pagina’s; € 34,99.
Natalia Ginzburg: Valentino & De moeder. Vertaald door Jan van der Haar. Nijgh & Van Ditmar; 88 pagina’s; € 17,50.
‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles veranderen.’ Je kunt De tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa lezen om te zien waar dit beroemde, te pas en te onpas geciteerde motto vandaan komt. Je kunt deze roman lezen omdat Luchino Visconti’s verfilming uit de jaren zestig zo meesterlijk was, en de nieuwe miniserie zo fijn te bingen. Om te begrijpen waarom een verhaal over het verval van de Siciliaanse adel rond de Italiaanse eenwording in 1861 blijkbaar zo tijdloos en aansprekend blijft dat zelfs Netflix ervoor te porren was. Omdat het geldt als onbetwiste klassieker, een hoogtepunt uit de 20ste-eeuwse Italiaanse literatuur (het verscheen postuum in 1958).
Je kunt het boek ook lezen om Sicilië te voelen, te ruiken en te proeven. Harde rotsen, bedwelmende geuren en vooral: die hitte! De rozen in de tuin hebben het er zwaar mee: ‘eerst geprikkeld en vervolgens uitgeput door de krachtige maar trage sappen uit de Siciliaanse bodem, verschroeid door de apocalyptische julimaanden, waren ze veranderd in een soort van obscene, vleeskleurige kolen, die echter een zwaar, welhaast indecent aroma afgaven’. Als dit het lot is van de rozen, hoe moet het dan met de rest van het eiland?
EM
Giuseppe Tomasi di Lampedusa: De tijgerkat. Vertaald door Anthonie Kee. Athenaeum; 312 pagina’s, € 22,50.
Een gat, zo kon je Jena noemen in die tijd. Het middeleeuwse universiteitsstadje in de huidige deelstaat Thüringen had eind 18de eeuw maar zo’n zesduizend inwoners, na jaren van economische malaise. Toch is hier toen, in relatief korte tijd, de beweging ontstaan die de Romantiek is gaan heten. Plotseling bleek Jena een intellectueel walhalla, waar schrijvers en filosofen met elkaar van gedachten wisselden over vrijheid en het ontwakende ik. Hoezo?
De Brits-Duitse historica Andrea Wulf licht in Rebelse genieën zestien aartsvaders en -moeders van de Romantiek uit. Want ja, vrouwen deden ook mee, al verschenen hun teksten veelal onder naam van de mannen. En dus gaat het niet alleen over Friedrich Schiller en Johann Goethe, maar ook over Caroline Schlegel en Dorothea Veit.
Zelfs (juist?) grote geesten blijken soms kleinzielig, ze voelen zich miskend of jaloers, worden verliefd en bedrogen. Het zijn, kortom, net mensen, zoals Andrea Wulf met smaak vertelt. Rebelse genieën is allesbehalve een droge studie, en met zeshonderd pagina’s ideaal voor een reis met de immer vertraagde Deutsche Bahn.
Ondanks geallieerde bombardementen en Sovjet-renovaties is Jena zelf nog steeds de moeite waard, en niet alleen als bedevaartsoord. Bovendien is Weimar naast de deur, voor wie de smaak te pakken heeft.
Meer zin in de grote stad? In Kairos laat Jenny Erpenbeck haar hoofdfiguren dwalen en flirten en koffie drinken aan Unter den Linden, in de Friedrichstrasse en op de Marx-Engels-Platz. De Berlijnse Muur staat overeind, nog wel, het is juli 1986 en Katrien en Hans worden verliefd, smoorverliefd. Zij een pienter meisje van 19, hij een verveelde vijftiger: heel fout natuurlijk, en misschien ook wel onwaarschijnlijk, of in elk geval niet iets voor altijd, maar dat geeft niet, aanvankelijk, voor deze twee geliefden in de grauwe, regenachtige straten van Oost-Berlijn.
Erpenbeck kreeg voor Kairos de International Booker Prize 2024. Vooral haar gebruik van perspectief is indrukwekkend: de voortdurende wisselingen maken beide personages geloofwaardig. Hans is niet alleen maar een perverseling, Katrien geen willoos slachtoffer. Erpenbeck maakt aannemelijk dat zo’n liefde kan gebeuren, wat je daar verder ook van vindt.
Het kan niet duren, zoals ook de DDR niet kan duren, dat blijkt wel uit het vervolg. En misschien is dit Oost-Berlijn wel het perfecte decor om zo’n tragische liefde te situeren, vlak voor het kantelpunt, voordat alles onherroepelijk verandert. Daarna rest alleen nog het terugblikken: is dit goed geweest? En voor wie?
EM
Andrea Wulf: Rebelse genieën. Vertaald door Fennie Steenhuis, Nannie de Nijs Bik-Plasman en Mijke Hadewey van Leersum. Atlas Contact; 608 pagina’s; € 39,99.
Jenny Erpenbeck: Kairos. Vertaald door Elly Schippers. De Geus; 352 pagina’s; € 24,99.
Ook dit is Oostenrijk: glooiend heuvellandschap, uitgestrekte wijngaarden, driehonderd dagen zonneschijn per jaar. Eva Menasse is opgegroeid in de oostelijke regio Burgenland, tegen de Hongaarse grens, en situeerde daar haar roman Dunkelblum zwijgt.
Overigens is er weinig zonnigs aan dit veelgeprezen boek. Het is 1989, het IJzeren Gordijn is net verdwenen en de inwoners van het fictieve dorpje Dunkelblum (what’s in a name) willen het liefst gewoon dóór met hun leven. Over de oorlogsgruwelen die zich ook hier hebben afgespeeld, spreekt niemand. De groeiende groep Oost-Duitse vluchtelingen aan de Hongaarse grens wordt aanvankelijk met argwaan bekeken. Dan arriveert er een vreemdeling in het dorp, bij graafwerkzaamheden komt een skelet uit de grond, en het beladen verleden kan zich niet meer verschuilen.
Dunkelblum heeft veel weg van het grensplaatsje Rechnitz, waar in 1945 een grote groep Hongaars-Joodse dwangarbeiders werd afgeslacht door bezoekers van een feest op het plaatselijke kasteel. Deze kale, gruwelijke feiten vormt Menasse om tot een verhaal over heel Oostenrijk. Het oorverdovende zwijgen over de nazi-jaren was al een motief in haar debuutroman Vienna (vertaald in 2024), en vindt een sublieme uitwerking in Dunkelblum zwijgt. Daarbij volgt ze geen chronologische lijn, maar geeft ze steeds een ander stukje van haar universum prijs, vanuit steeds nieuwe perspectieven. Dat vraagt om aandachtig lezen, maar de opbrengst is groot.
EM
Eva Menasse: Dunkelblum zwijgt. Vertaald door Annemarie Vlaming. Atlas Contact; 528 pagina’s; € 17,50.
Hoog in de bergen is de lucht zuiver, het telefoonbereik beperkt en het leven eenvoudig. Je kunt er wandelen en klimmen en veel over jezelf leren. Dat beeld stijgt althans op uit de vele, vele recente bergromans. Sinds Paolo Cognetti in 2016 doorbrak met De acht bergen, wordt er elk jaar wel een stapeltje vertaald. Uit het Italiaans, Frans of Duits, de talen van de Alpen. Die boeken, vaak met een kitscherig landschapje op het omslag, zijn vast lekker – ik zou bijna zeggen: ontprikkelend – om te lezen in de zomer, met of zonder spectaculair uitzicht erbij.
Maar er bestaat ook een heel ander soort bergromans, die minder kans geven op jeuk. Zoals die van de Franstalige Zwitser Charles Ferdinand Ramuz (1878-1947): onheilszwangere verhalen, over gesloten gemeenschappen en natuurgeweld. Vertaler Rokus Hofstede bracht zijn werk in Nederland weer onder de aandacht met De grote angst in de bergen en Schoonheid op aarde, vorig jaar bekroond met de Filter Vertaalprijs. In de laatste probeert een jonge Cubaanse vrouw haar draai te vinden in een Zwitsers bergdorp, tegen alle vooroordelen in. Het taalgebruik is zangerig, meanderend, geïnspireerd door Ramuz’ eigen streektaal. En ook hier is het uitzicht spectaculair.
EM
Charles Ferdinand Ramuz: De grote angst in de bergen. Vertaald door Rokus Hofstede. Van Oorschot; 192 pagina’s; € 17,50.
Charles Ferdinand Ramuz: Schoonheid op aarde. Vertaald door Rokus Hofstede. Van Oorschot; 238 pagina’s; € 24,50.
Toen ik eind juni door Le Perche reed, het summum van Franse idylle, werd op de radio Juliette Binoche ondervraagd over de film The Return, gebaseerd op de Odyssee. Anderhalf uur lang gaf ze haar visie op het epos van Homerus, en ze besprak ook waarom de reis van Odysseus zo veel interessanter was dan de Ilias. Dit om te zeggen dat het in Frankrijk erg gewaardeerd wordt als u de klassieken kent.
Welke klassieker laat zich goed bij het zwembad lezen? Wat te denken van Riskante relaties, de klassieke brievenroman van Choderlos de Laclos (in de bekroonde vertaling van Martin de Haan, uit 2017). Deze brievenroman werd geschreven vóór de Franse Revolutie, en heeft nog niets van zijn frisheid, spanning en vooral wellust verloren. Eerlijk is eerlijk: wie wil er nou niet worden verleid door de scabreuze Vicomte de Valmont?
Of mocht u verblijven aan de Côte d’Azur, dan is de ideale zomerroman een andere klassieker: Teder is de nacht van F. Scott Fitzgerald. Een tragische liefdesroman die zich afspeelt aan de zuidkust en in Parijs, en waar een handvol verveelde Amerikanen zich langzaam maar zeker richting de afgrond beweegt. Snelle auto’s, drankmisbruik en villa’s aan het azuurblauwe water, het zit er allemaal in. Aanvankelijk lijkt het verval een aanlokkelijk tijdverdrijf, maar daarna gaat het snel. Fitzgeralds Great Gatsby mag dan dit jaar 100 zijn geworden, Teder is de nacht is echt veel beter.
Berend Sommer
Pierre Ambroise Choderlos de Laclos: Riskante relaties. Vertaald door Martin de Haan. De Arbeiderspers; 470 pagina’s; € 34,99.
F. Scott Fitzgerald: Teder is de nacht. Vertaald door Henne van der Kooy. L.J. Veen Klassiek; 399 pagina’s; € 32,40.
Om thuis te komen moet je eerst weggaan – en niets is historisch gezien zo typisch Iers als Ierland verlaten.
Eilis Lacey vertrok in de jaren vijftig naar Amerika, trouwde met een Italiaanse loodgieter, werd verzwolgen door zijn hechte familie – hecht zoals een boa constrictor je een hecht gevoel kan geven – en voedde haar kinderen op. Tot er opeens een man op de stoep staat met een mededeling: jouw man heeft mijn vrouw zwanger geschopt.
Niets is ook zo Iers, als je alle films en boeken mag geloven, als weer teruggaan naar Ierland en voelen dat je thuis toch ineens niet meer zonder meer je thuis is. Niet de plek is veranderd, maar jij – en jij past niet, je knelt als in een te kleine schoen.
Dat is het verhaal van Eilis in Long Island. Al jaren geldt Colm Tóibín – spreek uit: Toebien – als een van de grote Ierse schrijvers. Iemand die de geschiedenis laat doorklinken in alles wat hij schrijft. Maar dan zonder naar de grote gebeurtenissen, het religieuze en politieke geweld, te reiken. Zijn boeken zijn mentaliteitsgeschiedenissen. Ze gaan om de blik, hoe mensen naar elkaar kijken.
Long Island is in die zin simpelweg meesterlijk. Het verhaal draagt alles in zich om tot een aangezwollen melodrama op te bouwen – Eilis keert terug en treft haar jeugdliefde, Jim, die op het punt staat te gaan trouwen – maar daarvoor is het te virtuoos geschreven.
Vanaf het moment dat Eilis terugkeert naar Ierland, is ze in feite een gevaar. Haar familieleden en haar oude dorpsgenoten zien haar komen en, hoe aardig ze ook willen doen, ze kunnen in haar niets anders dan een verstoring van hun rustige leven zien. Eilis loopt door de straten en elke dorpsvrouw ziet haar jas en vindt iets van die jas – aandachttrekkerij! – al was het maar omdat haar jas niet in Ierland te krijgen is.
Maar als het boek een romantisch plot heeft – krijgen Eilis en Jim weer iets met elkaar? – dan vervalt het niet in melodrama omdat Tóibíns Eilis een te bijzonder personage is. Ze is te groot voor de problemen waarin ze verkeert. Ze is te nuchter om in dit drama kopje-onder te gaan. Ze heeft te veel zelfrespect om zich aangetast te voelen door haar mans misstappen. Ze is, heel simpel, een heldin. En daarom gun je haar, als je het leest, de liefde van Jim, maar tegelijkertijd denk je: je hebt geen Jim nodig. Je bent in je eentje ook puntgaaf.
Joost de Vries
Colm Tóibín: Long Island. Vertaald door Nadia Ramer. De Geus; 348 pagina’s; € 24,99.
Er zijn ten minste twee redenen te bedenken om van Engeland te houden. Allereerst het land zelf, de slappe thee, het lauwe bier, de zware ponden, de geruite jassen, de klimop over de stenen muurtjes langs landweggetjes. Oftewel: het land zelf.
De tweede reden zijn de Engelsen. En om een diersoort extra goed te kunnen waarnemen, helpt het de soort buiten zijn natuurlijke habitat te zien. Zodoende knallen Guy en Harriet Pringle van de pagina’s in Het grote fortuin, de moderne klassieker (1960) van Olivia Manning (1908 -1980) die eerder dit jaar bij De Bezige Bij verscheen. De oorlog is zojuist uitgebroken, Hitler stort Europa in waanzin en de Pringles gaan gewoon verder als expat in Boekarest alsof er niks aan de hand is. De bovenlip trilt nimmer.
Het pasgetrouwde stel handhaaft zich in de Britse expatgemeenschap, men dineert, drinkt, roddelt, flirt een beetje en probeert zich niet te druk te maken over de laarzen die door de straten marcheren. Regeringen worden afgezet, politici beschoten en Harriet vraagt zich af wie haar man is. Want zij voelt zich verbonden met de bange wereld; hij leeft in zijn eigen hoofd. Is dat superieur, is het blind privilege of is het escapisme?
Het grote fortuin is redelijk meesterlijk satirisch; denk Evelyn Waugh, maar dan gevoeliger.
Wie toch echt het Engeland van de landweggetjes en de klimop wil tegenkomen, kan Onze avonden in de vakantiekoffer doen. Een zacht sluipend meesterwerk van Bookerprijswinnaar Alan Hollinghurst is het, over jongensscholen, over Oxford, over toneel, over progressieve ouders en hun conservatieve kinderen. Acteur Dave Win kijkt terug op zijn leven, als homo toen homoseksualiteit nog een taboe was, en als man van kleur toen dat in de provincie nog een unicum was. Hij zou denken dat de maatschappij opschuift, progressiever wordt, maar ziet angsten en vooroordelen terugkomen.
Het is een zacht sluipend meesterwerk omdat je het mes dat Hollinghurst voor zijn lezer heeft geslepen niet hoort aankomen. Maar opeens steekt het in je hart, en zie je dat wat een meanderende, elegante, persoonlijke vertelling was eigenlijk een vlijmscherp politiek werk is.
JdV
Olivia Manning: Het grote fortuin. Vertaald door Johannes Jonkers. De Bezige Bij; 446 pagina’s; € 24,99.
Alan Hollinghurst: Onze avonden. Vertaald door Ton Heuvelman. Prometheus; 480 pagina’s; € 27,99.
De zomer is begonnen, de vakantie lonkt en in de boekhandels wordt gejaagd op dat ene boek waarover iedereen het nu heeft: de bestseller. Wanneer verdient een boek eigenlijk dat predikaat? En zijn bestsellers nog steeds de kurk waarop het boekenvak drijft?
Decennialang werd de Spaans-Amerikaanse literatuur gedomineerd door Grote Mannen. Dat is eindelijk veranderd, met Samanta Schweblin voorop. ‘Ik kan niets met Jorge Luis Borges.’
Elke zondag tipt de boekenredactie de opmerkelijkste boeken van de week. Met vandaag: een nieuwe Graham Swift, een van de grote Britse verhalenvertellers. En: wat schuilt er achter Sam Altmans zorgvuldig gecultiveerde, vriendelijke, zachte en oprechte uitstraling?
Source: Volkskrant