Home

Even krabbelen en klaar: het leven van een architect is dus níét zoals in films. Alleen heeft bijna niemand dat door

In ziekenhuisseries kan de dokter niet realistisch genoeg zijn (‘let op de thorax!’). Maar als er een architect opduikt in theater of film, dan doet hij maar wat. Hoezo?

schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.

Het decor: een zonnige namiddag in The Hamptons bij New York, waar groene velden zich uitstrekken tot aan de blauwe zee.

Voor op het podium is een adembenemend, piramidevormig bouwwerk van staal en glas verrezen. De Kapel. Het is de nieuwste creatie van de Britse architect Henry Solness, die vanavond ingewijd zal worden. Reden voor een feestje.

Vijftiger Henry verkeert op de toppen van zijn roem, bouwt het ene na het andere icoon, heeft een aanstelling als hoogleraar en, dus, een prachtig buitenhuis in The Hamptons.

Maar het bouwwerk dat zijn leven is, vertoont, zoals je dan zegt, scheurtjes. Terwijl zijn vrouw Elaine, CEO bij een uitgeverij, geagiteerd de tafelschikking doet – Henry plaatst ze strategisch naast een potentiële opdrachtgever, een ‘afschuwelijke vent’ – meldt haar assistent Kaia dat haar advocaat heeft gebeld. De papieren liggen klaar; Elaine is van plan om te scheiden. Openlijk flirt ze met Henry’s tovenaarsleerling Ragnar, die hem inmiddels voorbijstreeft én een geheime relatie heeft met Kaia.

En nu staat daar ineens journalist Hilda, een oud-student met wie Henry tien jaar geleden een affaire had, kort nadat zijn zoon Max – door een noodlottig ongeval op de bouwplaats van de Kapel – is overleden.

Dit feest gaat compleet uit de hand lopen – dat is de premisse van My Master Builder, een eigentijdse bewerking van het toneelstuk Bygmester Solness (Henrik Ibsen, 1892) door de Amerikaanse toneelschrijver Lila Raicek.

Nu te zien op West End in Londen, met de Schotse Ewan McGregor in de hoofdrol.

Populair personage

My Master Builder is het derde verhaal over een architect dat ik het afgelopen half jaar in het (film)theater zag.

Eind 2024 verscheen de – omstreden – scifi-film Megalopolis van Francis Ford Coppola, over de briljante architect Cesar Catilina (Adam Driver), die de vervallen stad New Rome – die lijkt op New York City – wil herbouwen als een utopie, maar daarbij wordt tegengewerkt door de conservatieve burgemeester Franklyn Cicero en zijn oom, de steenrijke Hamilton Crassus. Een film die in alles overdadig is – van de uitvergrote karakters tot het groteske toneelspel en de special effects – met onbegrijpelijke, vaak lachwekkende scènes, maar een klinkende moraal.

Terwijl Megalopolis zeer wisselend werd ontvangen, werd The Brutalist van regisseur Brady Corbet overladen met lof – en Oscars. In deze monumentale film emigreert de even geniale als getraumatiseerde Joods-Hongaarse architect László Tóth (Oscarwinnaar Adrien Brody) als Holocaustoverlevende naar Amerika, waar hij tegen de klippen op een nieuw bestaan probeert op te bouwen. Als hij de industrieel Harrison Lee Van Buren (Guy Pearce) ontmoet, merkt die bijna beschuldigend op dat hun conversatie ‘intellectueel stimulerend’ is.

Van Buren geeft hem een droomopdracht voor een nieuw te bouwen gemeenschapscentrum. Maar terwijl het brutalistische bouwwerk langzaam gestalte krijgt, blijkt Van Buren uit op de ondergang van zijn architect.

Waarom een architect? Wat spreekt scriptschrijvers aan in dit personage? En, de vraag die steeds in mijn achterhoofd opspeelt: hebben de regisseurs weleens een échte architect ontmoet? Want wat een enorm verschil tussen de levens van de personages en de realiteit van de echte architect.

De plank mis

Het is eigenlijk vreemd: ziekenhuisseries als The Pitt en Dag & Nacht sleuren je mee in de dramawereld van dokters met soms een overdaad aan realisme. Sterker nog, de makers verheffen het bijna tot een kunst om zo huiveringwekkend mogelijk jargon te gebruiken (‘Ik ga nu intuberen, let op de thorax’) en verwondingen en bevallingen met nepbloed en -buiken na te bootsen. Acteurs lopen mee in ziekenhuizen, vertellen ze vaak, om de handelingen van verloskundigen en chirurgen af te kijken en te zien hoe zij omgaan met hun patiënten.

Daar staat tegenover dat je architecten in films nu nooit eens hoort over een halfsteens metselverband, een negge of een taatsdeur. Een gebouwontwerp zetten ze met een paar potloodhalen op papier, waarna het subiet verrijst, zonder werktekeningen waarop de positie van balken, leidingen en stopcontacten staat aangegeven. Inbreng van adviseurs en bewoners is al helemaal niet nodig.

Neem The Brutalist, een film die nota bene is gebaseerd op het levensverhaal van een historische figuur: de Joods-Hongaarse architect Marcel Lajos Breuer. Net als László Tóth in de film was Breuer opgeleid aan het Bauhaus in Dessau, voordat de nazi’s de ontwerpopleiding sloten en hij in 1937 – dus voor de oorlog en niet erna, zoals Tóth – naar de Verenigde Staten emigreerde. Daar werd hij een prominent voorstander van het brutalisme en bouwde een succesvolle carrière op in de moderne architectuur.

Hij maakte naam met buizenmeubels, naar het model van fietsframes; het soort meubels dat Tóth in The Brutalist bedenkt. ‘Het lijkt net een driewieler’, krijgt hij te horen. Eind jaren vijftig realiseerde Breuer een brutalistische kerk; een opdracht die vergelijkbaar is met het gemeenschapscentrum-met-kapel dat Tóth in de film ontwerpt.

Maar anders dan Tóth hoefde Breuer niet in de rij te staan voor brood, was hij niet heroïneverslaafd, werd hij niet door een rijke opdrachtgever verkracht in een marmergroeve en waren zijn gebouwen niet geïnspireerd op concentratiekampen.

The Brutalist riep in de architectuurwereld veel ergernis op. ‘Er is niets irritanter voor liefhebbers dan wanneer de mainstream hun nichewereld probeert te verbeelden en het mis heeft. En The Brutalist slaat de plank behoorlijk mis’, schreef de Britse architectuurcriticus Oliver Wainwright in The Guardian. Daarin zet hij uiteen hoe regisseur Corbet het leven en modernistische werk van Breuer ‘schaamteloos misinterpreteert’.

Punt is dat Corbet een film over immigratie wilde maken. Daarvoor zocht hij een hoofdpersoon die nooit helemaal geaccepteerd zal worden door de maatschappij, omdat hij arm is, met een accent spreekt en andersoortige denkbeelden heeft, die weerstand oproepen. Een gekwelde kunstenaar.

In deze fantasie was een persoon die een schilderij of een boek maakt niet genoeg. Het (meester)werk moest in staal en beton boven de stad uitstijgen, waar de gemeenschap ermee geconfronteerd wordt. Het bouwwerk dat Tóth maakt, staat boven op een heuvel en kijkt over een stad uit.

Zo kwam Corbet uit bij de architect en het brutalisme, een bouwstijl die zich kenmerkt door het gebruik van ruig beton en lange tijd werd verguisd. ‘Ik merkte dat de samenleving vaak op dezelfde manier reageert op een architectuurstijl die ze niet kent’, zegt de regisseur in een interview met website Dezeen.

‘Het roept dezelfde gevoelens bij bewoners op als wanneer hun nieuwe buurman uit een andere omgeving komt.’

Wat doet een architect?

‘Architectuur is simpelweg een manier om na te denken over hoe we leven’, zegt de Italiaanse architect Michele De Lucchi in de – ook onlangs in de bioscoop verschenen – documentaire Architecton. Daarin onderzoekt de Russische cineast Victor Kossakovsky aan de hand van verwoeste gebouwen de fysieke, sociale en politieke betekenis van architectuur.

‘Als we iets ontwerpen, ontwerpen we het gedrag van mensen’, aldus De Lucchi.

Dat maakt de architect tot een interessant personage; een held met macht. Om die macht te kunnen gebruiken, heeft hij evenwel andere mensen nodig: een opdrachtgever die het project financiert, een aannemer die zijn creatie bouwt, media die over zijn werk schrijven, zodat hij aan nieuwe opdrachtgevers komt.

Bovendien komt met zijn macht verantwoordelijkheid: de architect geeft immers vorm aan de samenleving van de toekomst.

‘De architect heeft een dubbele rol. Hij zoekt creatieve vrijheid, maar moet ook de eisen van zijn opdrachtgever inwilligen. Hij laat zich in met kapitaal, maar heeft ook een sociale agenda. Een personage met een dilemma is een prachtig gegeven voor elk toneelstuk’, zegt architect en filmmaker Jord den Hollander desgevraagd. Het is mede vanwege zijn interesse in ‘dat Faustachtige, het drama van de architectuur’ dat hij in 2000 het Architectuur Film Festival Rotterdam oprichtte.

De Italiaanse architect Giorgio Scianca doet sinds 2003 onderzoek naar de relatie tussen film en architectuur. Hij bekeek 1.523 films die sinds 1901 zijn gemaakt met een architect als hoofdpersoon, van Hollywood tot Bollywood en Cinecittà, en schreef daarover het boek La recita dell’architetto (‘Het verhaal van de architect’, 2015). Het kijken naar al die films deed hem beseffen hoe onrealistisch architecten worden beschreven. Volgens hem komt dat doordat mensen geen idee hebben wat een architect in het dagelijks leven doet.

‘Iedereen komt weleens in contact met een arts, een advocaat, een apotheker of een accountant, maar je kunt je hele leven doorbrengen zonder een architect te ontmoeten’, zegt Scianca in een TED-talk.

Karikaturaal beeld

Onbekend maakt in dit geval bemind. Op een architect kun je allerlei denkbeelden projecteren, terwijl leken niet zullen vallen over niet kloppende details. Omgekeerd heeft het al dan niet correcte beeld dat films – en media in het algemeen – communiceren, wel invloed op ons idee van wie een architect is en wat hij doet.

In een interview met vakblad de Architect beklaagde Jeroen de Willigen, voorzitter van de Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus, zich over het karikaturale beeld dat volgens hem daardoor is ontstaan. ‘De architecten die het vaakst in het nieuws komen, zijn het meest eigenwijs en daardoor denkt men dat alle architecten heel eigenwijs zijn. Maar velen doen gewoon hun werk.’

Ook in films worden architecten volgens hem vaak op dezelfde manier weggezet. ‘Bijna altijd zijn dat mannen op zolderkamers die hun vrouw voor één miljoen euro moeten verkopen om aan het werk te blijven’, aldus De Willigen.

Zelf ken ik twee verhalen waarin dit gebeurt. Het ene is de film Indecent Proposal (1993), waarin een ambitieuze, maar zakelijk niet zo handige architect (Woody Harrelson) zijn echtgenote (Demi Moore) voor een miljoen dollar een nacht ‘uitleent’ aan een mysterieuze miljonair (Robert Redford).

Het andere is de roman The Fountainhead van de Amerikaans-Russische schrijver Ayn Rand uit 1943, waarvan wereldwijd ruim zes miljoen exemplaren zijn verkocht. In 2013 bracht Toneelgroep Amsterdam het boek naar het theater. De rondreizende productie werd een megasucces en versterkte de iconische status van het verhaal.

The Fountainhead vertelt over twee architecten die elkaars tegenpolen zijn: Howard Roark en Peter Keating. Roark is een compromisloze kunstenaar die vecht voor de integriteit van zijn werk en ‘brutalistische’ gebouwen ontwerpt. Liever dan een ontwerp aan te passen aan de wensen van zijn opdrachtgever, geeft hij de klus terug en gaat hij werken in een steengroeve.

Als zijn oud-studiegenoot Keating met een creatieve blokkade bij hem aanklopt, tekent Roark het gevraagde woningbouwcomplex voor hem. Het enige dat hij in ruil daarvoor vraagt, is dat het precies zo wordt gebouwd. Als hij ontdekt dat er toch dingen zijn veranderd, blaast hij het complex op.

Keating op zijn beurt verlangt naar erkenning en roem, en bouwt ‘wat de mensen willen’: neoklassieke panden met zuilen. In ruil voor de mega-opdracht verkoopt hij zijn vrouw (die eerder door Roark is verkracht) aan een steenrijke mediamagnaat.

Roark wordt neergezet als een soort halfgod, Keating als een windvaan.

Met The Fountainhead wilde Rand ‘het portret van een moreel ideaal’ optekenen. ‘Het boek gaat niet over architectuur, het gaat over Roark tegen de wereld en over de machinaties van datgene in de wereld wat tegenover hem staat’, schreef ze in 1940 in haar dagboekaantekeningen.

Rand kwam in 1926 vanuit het communistische Rusland naar Amerika en nam radicaal afstand van alles wat naar collectivisme rook. Ze fulmineert tegen ‘tweedehandslevens’, zoals de werktitel van het boek luidde: mensen die hun mening en acties baseren op wat anderen denken. Ze verheerlijkt het laissez-faire-kapitalisme en de egoïst die vasthoudt aan zijn eigen visie, en bepleit dat de massa moet luisteren naar dit singulaire genie.

Of zoals Henry Solness verzucht in My Master Builder: ‘Architecten hebben zo’n slechte reputatie omdat ze allemaal denken dat ze bloody Howard Roark zijn.’

Het echte architectenleven

Wat dacht ik eigenlijk, toen ik eind jaren negentig bouwkunde studeerde?

Waarschijnlijk iets soortgelijks, dat ik wilde creaties moest maken, met als ultiem doel: de bouw van een museum.

De praktijk bleek minder heroïsch. Na mijn afstuderen (ik had een poptempel ontworpen) ging ik aan de slag bij een architectenbureau, waar ik werkte aan particuliere verbouwingen en kantoorinterieurs. Ik ontwierp geen baanbrekende bibliotheek, zoals László Tóth, maar klassieke keukens en meubels voor een UWV-vestiging.

Er was veel overleg met de opdrachtgevers en vaklieden: waar komen de leidingschachten, in welke hoek de pantry, en willen jullie een vlakspoel- of een diepspoel-wc-pot? De meeste tijd besteedde ik aan het in de computer uittekenen van plattegronden, draagconstructies en details. Ik maakte een indeling voor een systeemplafond, zodat het symmetrisch in de ruimte zou passen. Wat heel wezenlijk werk is, want een ontwerp moet uiteindelijk gemaakt worden. Maar spannend was het niet, en ik was er niet zo goed in.

Na twee jaar besloot ik dat ik liever over architectuur wilde schrijven. Als afscheidscadeau gaf mijn baas mij, ietwat ironisch, The Fountainhead.

Ik heb het boek net herlezen en herken Rands invloed in The Brutalist en Megalopolis. De films hebben eenzelfde opzet: een vooruitstrevende architect neemt het op tegen de gevestigde orde, die wordt gerepresenteerd door ‘ouderwetse’ neoklassieke architectuur. De openingsscène van Megalopolis is een echo van The Fountainhead: de architect staat op een hoog punt en overziet de omgeving. Maar zijn kijk daarop – die de kijk van de schrijver op de maatschappij weerspiegelt – verschilt diametraal.

Als Roark, net van de universiteit getrapt, grijnzend over een granietmijn blikt, ziet hij ‘rotsen wachtend op een boor, het dynamiet en mijn stem; wachtend om gespleten, opengereten, gebeukt te worden; wachtend op de vorm die mijn handen ze zullen geven’.

Als Catilina, balancerend op de dakrand van het Chrysler Building, de tijd stopzet (want dat kan hij) en over New York uitkijkt, vormt hij zich een beeld van de futuristische, organisch gevormde stad die hij wil bouwen met behulp van het door hem uitgevonden wondermateriaal Megalon.

‘Voor een kort moment legt Megalopolis de essentie van architectuur vast: de mogelijkheid om ruimtes opnieuw vorm te geven en daarmee het leven en de sociale orde te reorganiseren’, schrijft Gabriele Niola in het Italiaanse architectuurtijdschrift Domus. Vervolgens is Catilina druk met seks, drugs en de liefde. Nu en dan toont hij beelden van bewegende, bladvormige gebouwen, waarbij onduidelijk blijft hoe en waarom deze een beter bestaan bieden aan de toekomstige bewoners.

Roark wil architectonische objecten maken, Catilina wil de wereld veranderen. Geen van beiden buigt zich over een systeemplafond.

Megalopolis besteedt nog geen seconde aan het uitleggen van de revolutionaire visie van de architect (...) en de relatie tussen ruimtes – of zelfs basale bouwwerken – en de mensen die ze bewonen’, aldus een teleurgestelde Niola. De film is vooral een aanklacht tegen de huidige maatschappij en de manier waarop kunstenaars (lees: Coppola) worstelen met de economische structuren die hun werk ondersteunen.

Coppola liep al twintig jaar rond met het idee voor de film, maar kreeg hem niet verkocht in Hollywood, waarop hij zijn wijngaard van de hand deed en hem zelf financierde.

In een tijd van geopolitieke chaos, waarin we hunkeren naar een hoopvol toekomstperspectief, spreekt de architect tot de verbeelding, als metafoor voor verandering, als symbool van zuiverheid en liberalisme. Daarin verschilt hij van de dokters in ziekenhuisseries, die we zien doen wat ze in werkelijkheid doen: mensen genezen, dealen met leven en dood. Realisme vinden we daarbij belangrijk. De personages mogen vet aangezet zijn, de romances over de top, maar de diagnoses en behandelingen moeten kloppen.

Dat realisme in verhalen over architecten geen rol speelt, heeft niet zozeer ermee te maken dat we scènes met berekeningen, bouwtekeningen en bouwvergaderingen niet aankunnen. Het komt door wat die scènes zouden blootleggen: dat de architect, al tekenend en rekenend, voortdurend wikt en weegt, schuurt en schaaft aan zijn ontwerpen, zijn perspectief verplaatst: van opdrachtgever – al dan niet met fout geld of motief – naar gebruikers, de gemeente, adviseurs, omwonenden. Om hun wensen en eisen in zijn plan te verenigen, iedereen aan boord te houden, compromissen te sluiten.

Is deze polderaar een winnaar of een verliezer? Wat is de plot? In Hollywood, waar gedacht wordt in formules, is dit verhaal moeilijk te slijten. Terwijl een film over zo’n architect juist superinteressant zou zijn. (Heeft iemand nog ergens een wijngaard liggen?)

Een gelaagd karakter

Terug naar The Hamptons. Daar is de bom gebarsten nadat Elaine haar echtgenoot met zijn maîtresse – in verhitte toestand – heeft zien terugkomen uit de duinen. In de keuken staat het echtpaar tegenover elkaar, verwijten schreeuwend, terwijl Henry borden tegen de muur smijt.

Ja, Henry begon na de dood van hun zoon, zwelgend in verdriet, een affaire. Maar zij bedroog hem óók aan de lopende band!

Welnu, Elaine deed dat alleen maar zodat hij, narcist die hij is, zou omkijken naar iets anders dan staal en steen!

Als Elaine, die nog steeds van hem houdt, hem een tweede kans wil geven, zegt Henry dat het vervallen huis van hun huwelijk ‘onbewoonbaar is geworden’.

Ibsen schreef Bygmester Solness als een reflectie op zijn eigen leven vol ingewikkelde relaties. Raicek verplaatste het verhaal naar The Hamptons en bewerkte het tot een moderne kijk op macht, seks en politiek. In scherpe, geestige dialogen ontrafelt ze de onderlinge verhoudingen, terwijl ze de gasten laat roddelen over gevallen architecten met een ‘zieke nazifetisj’, MeToo-affaires en ontwerpers die links lullen en rechts vullen.

Ook Henry is ‘niet meer zo idealistisch’, merkt Hilde op. Met al zijn staal en beton is hij bovendien weinig milieuvriendelijk bezig, stelt Henry’s leerling Ragnar, die een voorvechter is van ‘hedonistische duurzaamheid’.

Zo brokkelt het beeld van de held langzaam af en komt een karakter tevoorschijn dat moeilijker is te duiden.

Er schuilt een Howard Roark in hem, maar ook de draaikont Peter Keating; zoals bijna iedere architect die twee in zich verenigt. Hij is een man ‘met een ego, woedeaanvallen en gebreken, maar nog altijd een master of the universe’, zoals Ragnar hem noemt. Een architect die een magistraal monument heeft gebouwd, waar hij aan het eind van het stuk vanaf dondert – want hij heeft hoogtevrees.

My Master Builder is tot 12 juli te zien in het Wyndham’s Theatre in West End in Londen. The Brutalist is te zien via Pathé Thuis. Megalopolis is te streamen via Netflix.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next