Home

Dreigt Nederland de AI-boot te missen?

Drie lessen van start-ups die de obstakels weten te slechten

Keer op keer waarschuwen onderzoekers dat Europa achterloopt op het gebied van kunstmatige intelligentie. Ook in Nederland is het investeringsklimaat aanzienlijk minder dan bijvoorbeeld in de VS. Hoe kunnen start-ups hier dan toch succesvol worden?

Door Simoon Hermus en Niels Waarlo

Fotografie en video Jiri Büller

Een ‘brakke nacht door die klotemuggen’, daarmee begon het volgens Bram Tijmons (35). Zou het niet mogelijk zijn om de zoemende beestjes volautomatisch weg te vagen met kleine drones? De drie oprichters van de Delftse start-up Pats − de huidige CEO Tijmons is er een van − besloten het te proberen. ‘Je zag bij de proeven hoe de muggen nog probeerden weg te fladderen, maar werden aangezogen door de propellers en in duizend stukjes uiteenspatten.’

Bram Tijmons, medeoprichter en CEO van Pats.

Maar een drone, hoe klein ook, zelfstandig laten rondvliegen in een slaapkamer, bleek uiteindelijk mede vanwege veiligheidsvoorschriften een lastige businesscase. Gelukkig voor Pats kent Nederland een sector met diepe zakken die ook veel last heeft van rondvliegend ongedierte: de glastuinbouw.

Vandaar dat Tijmons zijn verhaal niet vertelt in een slaapkamer, maar in de kas van sierbloementeler Holland Strelitzia. Hier rijten de drones van Pats geen muggen uiteen, maar motten.

Het in 2018 opgerichte Pats zou niet kunnen bestaan zonder de razendsnelle ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie. Zoals deze start-up zijn er in Nederland honderden die de markt hopen te veroveren met nieuwe producten en diensten die werken op basis van AI.

De drones van Pats richten zich op rondvliegend ongedierte in de glastuinbouw.

Alleen leven er grote zorgen over de vraag of ze wel meekomen met start-ups elders in de wereld. Zorgen die ook bij de Nederlandse overheid zijn doorgedrongen: niet voor niets zegde het demissionaire kabinet vorige week nog 70 miljoen euro toe voor de bouw van een AI-fabriek in Groningen, onder meer om techstart-ups een plek te bieden.

De vraag is of het genoeg is. Dit voorjaar concludeerde TNO dat er een gebrek is aan Nederlands en Europees kapitaal om start-ups te laten doorgroeien naar internationale schaal. Aanleiding voor de analyse van dit Nederlandse onderzoeksinstituut was het veelbesproken adviesrapport van de Italiaanse econoom en politicus Mario Draghi, waarin hij heel Europa waarschuwt voor een gapend ‘innovatiegat’ met de Verenigde Staten en China.

Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) ging er in de Verenigde Staten vorig jaar 90 miljard dollar aan durfkapitaal naar kunstmatige intelligentie. Bijna tien keer zo veel als in de Europese Unie.

Welke obstakels komen de vaak jonge ondernemers in Nederland tegen? Hoe denken ze er desondanks toch een succes van te maken? Om daarachter te komen ging de Volkskrant langs bij een aantal start-ups. Daaruit zijn deze drie lessen te trekken.

Les 1
Richt je op een tak van sport waar Nederland al goed in is

De plaaggeest van Holland Strelitzia heet de bananenboorder. ‘Eén zo’n rups kan een hele plant laten doodgaan’, zegt Barry Duivesteijn, eigenaar van de strelitziateler in het Westland. Bestrijden is lastig, want zie de rupsen maar eens te pakken te krijgen als ze zich in het binnenste van de plant hebben geboord. ‘Het eerste jaar hadden we tienduizenden euro’s schade.’

Vandaar dat hij zich tot Pats wendde. Rupsen worden motten, en als je die weet aan te pakken, voorkom je weer nieuwe generaties rupsen. De motten worden al snel gespot en geregistreerd door de camera’s en beeldherkenningssoftware van Pats. Ook ’s nachts, als motten het actiefst zijn – waardoor Duivesteijn op tijd het seintje krijgt dat er een plaag ophanden is. ‘Als je overdag motten ziet, ben je te ver heen.’

De plaaggeest van de planten heet de bananenboorder. Barry Duivesteijn van Holland Strylizia heeft ook last van deze plaag.

Monitoring is slechts een van de diensten die Pats tuinders dankzij kunstmatige intelligentie kan bieden. Maar dan de drone. Hij oogt als een eenvoudige huis-tuin-en-keukenvariant, niet groter dan een spreeuw. Maar binnen 1,5 seconde nadat de camera een mot heeft gespot, kan hij hem te versnipperen. Per hectare installeert het bedrijf tien drones, die elk naar schatting een op de tien langsvliegende motten treffen. Geen ‘silver bullet’, aldus Duivesteijn, maar volgens hem levert dit een ‘significante bijdrage’ aan de bestrijding.

Dat scheelt flink in het gebruik van insecticiden. Holland Strelitzia ziet zich nog altijd genoodzaakt die te gebruiken, naast een groeiend arsenaal natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Denk aan rupsendodende aaltjes en watervallen met mottenlokkende geurstoffen, waardoor de motten de verdrinkingsdood tegemoetgaan.

Waar de monitoringssystemen van Pats al bij tuinders in meer dan 25 landen hangen, bevindt het systeem met de drone zich nog in een meer experimentele fase. Het bedrijf sleutelt nog aan een beter oplaadsysteem in het landingsplatform van de drone, die aan een paal in de kas is bevestigd. Ook de AI-modellen worden steeds beter: zo moeten ze in staat zijn te voorspellen hoe verschillende motten zich in de lucht gedragen, zodat de drone ze goed weet te raken.

Bij het opstarten van hun bedrijf waren er behoorlijk wat potjes geld beschikbaar die bedoeld zijn om universiteitsuitvindingen de markt op te krijgen, viel CEO Bram Tijmons op. Om op te schalen is er echter geld nodig vanuit investeerders.

Die vinden de ontwikkeling van hardware, zoals drones, in zijn ervaring vaak een beetje eng: als je met fysieke onderdelen aan de slag gaat zijn de ontwikkelingstrajecten minder voorspelbaar dan als je louter achter de computer aan software werkt. Dus nee, makkelijk is het niet. ‘Maar je weet dat dit erbij hoort, als je hieraan begint.’

Bram Tijmons

Tijmons weet ook dat het voor start-ups in de VS over het algemeen makkelijker is om aan geld te komen. Toch kon Pats alleen in Nederland ontstaan, denkt hij. ‘Ik kan hier zo twintig kwekers bellen om de gekste experimenten uit te voeren, omdat de Nederlandse tuinbouw over het algemeen innovatiever is dan die in de VS. Al is het maar omdat daar veel meer bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan dan hier. Hier worden bedrijven gedwongen om op zoek te gaan naar alternatieven.’

Een van de manieren waarop Nederlandse AI-bedrijven tussen de internationale techreuzen kunnen bloeien, is door zich te specialiseren in sectoren waarin Nederland van oudsher een voorsprong heeft, zegt Diederik Stadig, techsectoranalist bij ING. Zoals Pats doet met de relatief hoogtechnologische Nederlandse landbouw.

Zo is Nederland al langer goed in financiële technologie. Betalingssoftwarebedrijven als Mollie en Adyen behoren tot de succesvolste nieuwe bedrijven die Nederland de laatste twintig jaar heeft voortgebracht. ‘Amsterdam is echt een fintechstad’, aldus Stadig. Dat betekent dat het voor start-ups een goede plek is om AI-producten voor deze sector te bouwen. Of neem medische technologie, van oudsher eveneens een hoeksteen van de Nederlandse techsector, waarin nu ook een heel scala aan Nederlandse AI-start-ups verrijst.

Les 2
Denk groter dan Nederland, of zelfs Europa

Daar gaan ze, de kliko in: vijf saucijzenbroodjes, direct gevolgd door vier plakken boterhamworst. Een onfortuinlijk, maar vertrouwd gezicht voor dit bedrijfsrestaurant in het rijkskantoor naast Utrecht Centraal.

Toch is het niet zomaar een kliko, waar in deze spoelkeuken overgebleven voedsel in verdwijnt. Erboven hangt een camera. Beeldherkenningssoftware die het verschil tussen een kaas- en een saucijzenbroodje moeiteloos kan vaststellen, kan zo registreren wát er precies wordt weggegooid. Een weegschaal weegt om hoeveel verspild voedsel het gaat.

De beeldherkenningssoftware van Orbisk kan het verschil tussen afval vaststellen, en zo registreren wát er precies wordt weggegooid.

Zo kwam Mark Scanu, die de leiding geeft aan dit restaurant, erachter dat de kaasbroodjes wel heel vaak bleven liggen. Hij besloot ze in tweeën te snijden om de porties te verkleinen, en nog maar de helft van het aantal broodjes neer te leggen. ‘Toen we in 2023 ons afval begonnen te monitoren zaten we op 150 kilo weggegooid voedsel per week. Nu op 50.’

Het systeem is gebouwd door de in Utrecht gevestigde start-up Orbisk. CEO Olaf van der Veen (39) richtte het samen met een compagnon op in 2017, na een carrière als dataconsultant bij Ahold. Hij wilde iets doen op het gebied van duurzaamheid en zag in voedselverspilling ‘een duidelijk oplosbaar probleem van gigaomvang’.

Net in die tijd maakte beeldherkenningssoftware grote sprongen, waardoor Van der Veen mogelijkheden zag ontstaan voor de monitoring van voedselverspilling. Met een soldeerbout en ducttape zetten ze de eerste prototypen in elkaar. Sindsdien is het hard gegaan: apparaten van Orbisk staan inmiddels in bijna duizend restaurants.

Olaf van der Veen, CEO van Orbisk.

Dat succes was allesbehalve gegarandeerd. Van der Veen ondervond aan den lijve dat het voor Europese techstart-ups moeilijk is om aan kapitaal te komen. In de coronacrisis balanceerde Orbisk een aantal keren aan de rand van de afgrond. Mede dankzij een EU-subsidie waarvan de toekenningskans zeer klein was, wist het ternauwernood te overleven.

Van der Veen merkt dat Europese investeerders voorzichtiger zijn dan Amerikaanse. ‘Het is ook een verschil in filosofie. Europese investeerders willen al vroeg een pad naar winstgevendheid zien. Een paar jaar geleden deden we mee met een scale-upprogramma, waarbij we in de VS gingen praten met investeerders. Wij braaf uitleggen hoe we in 2027 winstgevend dachten te zijn. We werden echt uitgelachen, want dat doet er toch niet toe? Het gaat toch om groei?’

In Amerika, legt hij uit, is de strategie meer om eerst zo groot te worden dat je alle concurrenten buitenspel zet. Daarna komt de winst wel een keertje. Al gaan ook de Amerikanen veel minder risicovol te werk dan een paar jaar geleden, ziet hij, onder meer door de inflatie. Ze zijn nog voorzichtiger geworden sinds de economische onzekerheid onder president Donald Trump is toegenomen.

Toch zijn Europese investeerders nog altijd té voorzichtig, oordeelt Marjut Falkstedt, hoofd van het Europees Investeringsfonds (EIF). Deze EU-organisatie steekt publiek geld in startende bedrijven. ‘Maar er is ook meer privaat geld nodig om het innovatiegat met de Verenigde Staten te dichten.’

Brussel wil daarom 70 miljard euro in de techsector investeren. Dit moet private investeerders over de drempel trekken om nog eens zo’n 180 miljard euro bij te leggen. Het risico wordt zo immers over publieke en private investeerders gespreid.

In het bedrijfsrestaurant in het rijkskantoor naast Utrecht Centraal is de voedselverspilling sinds de implementatie van de diensten van Orbisk enorm verminderd.

Ook Amerikaanse investeerders heet Falkstedt daarbij van harte welkom. ‘We hebben in Europa meer AI-ingenieurs dan in de Verenigde Staten’, zegt de Finse. ‘We hebben fantastische universiteiten. Dat maakt Europa heel interessant, ook voor Amerikaanse investeerders.’

Sommige Amerikaanse investeerders willen alleen zaken doen als je een Amerikaans bedrijf wordt, volgens Olaf van der Veen. Toch is het wel degelijk mogelijk om Amerikaans geld aan te trekken als je in Nederland gevestigd bent. Orbisk deed het zelf in december nog, toen het bedrijf 8 miljoen euro aan investeringsgeld ophaalde bij verschillende investeerders, waaronder een Amerikaanse.

Intussen kijkt Van der Veen ook op andere manieren over de grenzen: zijn bedrijf is inmiddels actief in meer dan veertig landen. Zo maken ruim honderd Amerikaanse restaurants gebruik van Orbisks technologie, zegt hij. Sinds vorige week is een medewerker in het land aan de slag gegaan om een specifiek Amerikaans verkoopteam voor Orbisk op te bouwen.

In zijn ervaring waren Amerikaanse en Midden-Oosterse restaurants makkelijker te overtuigen om te innoveren dan Nederlandse. ‘Nederlanders zijn best kritisch en niet geneigd iets aan te passen als ze denken dat het al prima werkt’, zegt hij. Al biedt dit voor een bedrijf met Nederlandse wortels ook een voordeel. ‘Als ik een Hollandse restauranteigenaar tevreden kan stellen, lukt dat in het Midden-Oosten zeker.’

Les 3
Pluk de voordelen van het Nederlandse werkklimaat

Als een mierenhoop met eindeloos veel tunnels en vertakkingen, zo verschijnt een long op het beeldscherm van Eva van Rikxoort, medeoprichter en directeur van het medische AI-bedrijf Thirona. Het is gigantisch ingewikkeld om een long goed in kaart te brengen: om te zien waar alle vaten lopen, zijn normaal gesproken contrastvloeistof en invasieve procedures nodig.

Thirona ontwikkelde AI-software die op basis van een simpele scan heel nauwkeurig alle vaten van een long in kaart brengt. Én die een routebeschrijving maakt, zodat de arts tijdens een operatie precies weet hoe met een cameraatje door de long naar de juiste plek te navigeren. Links, rechts, links – ook chirurgen kunnen niet meer zonder Google Maps.

Eva van Rikxoort, medeoprichter en directeur van het medische AI-bedrijf Thirona.

Het overgrote deel van Thirona’s klanten zijn farmaceutische en medisch-technische bedrijven die nieuwe behandelingen voor longziekten ontwikkelen. Zij gebruiken de AI-software om de scans van proefpersonen en patiënten te analyseren, en zo te kijken of de behandelingen aanslaan. Deze bedrijven bevinden zich voornamelijk buiten Europa, ‘vooral in de Verenigde Staten’, zegt Van Rikxoort. ‘Daar wordt in ons vakgebied nu eenmaal meer uitgeprobeerd, meer ondernomen.’

Toch zetelt Van Rikxoort in Nijmegen. Waarom? Thirona is deels ontstaan vanuit het Radboud UMC, waar Van Rikxoort als wetenschapper de oerversie van de software ontwikkelde. En ze huurt kantoorruimte op een start-upterrein dat aan de universiteit verbonden is. Maar van begin af aan had ze de bedrijfsvoering volledig in eigen handen.

‘Natuurlijk heb ik erover nagedacht om naar de VS te verhuizen’, zegt Van Rikxoort. ‘Dan zouden wij naar Silicon Valley gaan, daar zit het gros van onze klanten. Maar daar zijn helemaal geen hoogopgeleide specialisten meer te krijgen.’ En dat zijn wel de mensen die Van Rikxoort nodig heeft, omdat iedereen goed moet snappen hoe de AI-toepassingen werken – zelfs de salespersonen bij Thirona hebben een PhD.

Twee derde van de techprofessionals in Silicon Valley is expat. Dat de Verenigde Staten het beste talent van over de hele wereld binnenhalen, is mede wat investeerders in hun techsector aantrekt. Maar door het huidige regeringsbeleid is het land minder veilig voor immigranten. Techbedrijven raden medewerkers met een werkvisum inmiddels af hun thuisland te bezoeken, uit angst dat ze het land niet meer inkomen, schrijft The Washington Post. Werkvisa staan op de tocht. En als de werknemers een gezin stichten, krijgen hun kinderen misschien niet de Amerikaanse nationaliteit.

Ook Thirona zoekt medewerkers van over de hele wereld. De vijftig werknemers hebben samen 25 verschillende nationaliteiten. En die vindt het bedrijf juist omdat het in Nederland zit, zegt Van Rikxoort. Er is hier meer sociale zekerheid, goed onderwijs, een prettige werk-privébalans en een lossere, horizontale bedrijfscultuur. Werknemers krijgen bij Thirona de ruimte om aan eigen projecten te werken en ideeën te pitchen. Van Rikxoort: ‘Daarbij is in onze sector iedereen inmiddels gewend om met verschillende tijdzones te werken, dus je fysieke locatie is niet doorslaggevend meer.’

Start-ups schermen vaker met betere Europese arbeidsvoorwaarden, zegt Diederik Stadig van ING. ‘Denk ook aan het grotere aantal vakantiedagen.’ Al is er meer nodig om toptalent aan te trekken, zegt hij: zo vinden velen het belangrijk om maatschappelijk relevant werk te doen. ‘Sinds het Draghi-rapport zie ik vaak dat Europese start-ups zichzelf verkopen door te benadrukken dat je bij hen kunt werken aan het competitief maken van Europa.’

Een Europees bedrijf kan producten maken voor de Amerikaanse markt, en vice versa. Maar bij de ingewikkelde Europese regelgeving kan een lokaal netwerk nét het verschil maken. Toen een van Van Rikxoorts Amerikaanse klanten met haar software naar Europa wilde uitbreiden, was daar een CE-markering voor nodig – het bewijs dat je product voldoet aan Europese regelgeving.

Eva van Rikxoort

‘De klant móést dat certificaat op 1 september hebben’, zegt Van Rikxoort. ‘Maar de auditor die ons beoordeelde bleek plots tot 15 september op vakantie te zijn.’ Door driftig rond te bellen in haar eigen netwerk lukte het Van Rikxoort om via via tóch de goedkeuring op tijd binnen te halen.

Strenge regelgeving en stroperige, ondoorzichtige processen waarbij je niet weet wanneer je goedkeuring kunt verwachten – Van Rikxoort vindt dat Europa met de strenge regelgeving rondom AI zichzelf ‘veel pijn doet’. ‘Het halen van een CE-markering kostte ons twee jaar geleden drie maanden, met alle nieuwe regels is dat anderhalf jaar. In de VS is het nog steeds vier maanden.’

Europese goedkeuring is dus lastig te verkrijgen, maar áls je die eenmaal binnen hebt, is dat voor klanten wel echt een stempel van kwaliteit, merkt Van Rikxoort. ‘En dan heb je een enorme voorsprong op concurrenten die het niet lukt om zo’n certificaat te bemachtigen.’

Over de makers

Simoon Hermus is techredacteur voor de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over sociale media, kunstmatige intelligentie en games.

Niels Waarlo is economieredacteur van de Volkskrant. Hij is specialist duurzaamheid, in het bijzonder de circulaire economie. Daarnaast schrijft hij over de techsector.

Jiri Büller fotografeert sinds 1995 voor de Volkskrant. Zijn specialiteiten zijn sport-, portret- en reportagefotografie.

AI-fabriek in Groningen stap dichterbij: kabinet zegt 70 miljoen toe voor ‘supercomputer’

De bouw van een AI-fabriek in Groningen lijkt een kwestie van tijd. Het demissionaire kabinet is bereid tientallen miljoenen euro’s te investeren. Eerder zegde ook de noordelijke regio veel geld toe.

Hyperrealistische AI-video’s met één druk op de knop: kan de waarheid het nepnieuws nog bijhouden?

Met de nieuwste software van Google kun je in een handomdraai nieuwsvideo’s maken die er griezelig echt uitzien, inclusief geluid. Experts maken zich grote zorgen. ‘We stevenen hard af op een online wereld die vol met leugens zit.’

Miljoenen websites krijgen ingebouwde bescherming tegen AI-bots – tot vreugde van uitgevers

Het grote internetbedrijf Cloudfare bouwt een ‘AI-blocker’ in op miljoenen websites, zodat techbedrijven niet langer ongevraagd toegang krijgen tot artikelen, foto’s en andere inhoud om hun AI-modellen te trainen. Een ‘gamechanger’ voor uitgevers, want rechtszaken halen tot dusver weinig uit.

Source: Volkskrant

Previous

Next