is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Het zwart verven van wieken van windmolens leek zeevogels te sparen, maar in de Eemshaven bijkt het geen verschil te maken. Meer kleuren dus?
In de serie ‘Duivelse dilemma’s’ vandaag: de windmolen. ‘Schone’ energie, maar wel met bloed aan de paal. Want dat die milieuvriendelijke windturbines ware gehaktmolens zijn voor vogels en vleermuizen, is bekend. Onder meer zeearenden vliegen zich te pletter tegen de draaiende wieken, die zij niet goed kunnen zien.
Daarom was het zulk verheugend nieuws, vijf jaar geleden, dat Noorse wetenschappers een oplossing hadden gevonden: verf één van de wieken zwart en er is geen vuiltje meer aan de lucht, zo concludeerden zij na experimenten met de 68 windmolens op het Noorse eiland Smøla. Laboratoriumproeven in de Verenigde Staten hadden eerder al uitgewezen dat de Amerikaanse torenvalk het best reageert op contrast met zwart. In Smøla leidde dat tot maar liefst 70 procent minder vogelaanvaringen. Mooi zo, duizenden vogels van de dood gered.
Maar niet de pechvogels die de Eemshaven in Groningen aandoen tijdens hun vlucht. Daar hadden provincies, Rijkswaterstaat, ministeries, natuurinstanties, windenergiebedrijven en TNO de handen ineengeslagen en in navolging van de Noren braaf wieken zwartgeverfd. In politiek Den Haag had de Partij voor de Dieren zich ingespannen om dat ook elders verplicht te stellen. Na eerdere signalen in dezelfde richting is nu definitief gebleken dat de Noorse truc hier geen enkel verschil maakt, zo maakten de instanties deze week bekend.
De partijen tasten nog in het duister over het waarom. Een mogelijke verklaring is dat in het industriegebied Eemshaven veel kleuren en objecten te zien zijn, waardoor een turbine met een zwarte wiek onvoldoende afsteekt tegen die achtergrond. Dat is een groot verschil met het open landschap op het Noorse eiland, waarin een zwarte wiek mogelijk beter opvalt. Daar vliegen bovendien andere vogelsoorten dan in Groningen.
Daar zijn de vogels terug bij af. Het zijn vooral populaties van de spreeuw, de bruine kiekendief, de grutto en de visdief (een vrolijk sterntje dat jubelend het water in stort op jacht naar een visje) die een tik van de windmolen krijgen, zo constateerden onderzoekers van de Wageningen Universiteit in 2020.
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Vogels die niet in stukken worden gehakt reageren verdeeld. Roodkeelduikers, zeekoeten en drieteenmeeuwen vliegen met een grote boog om windmolenparken heen; de meeste jan-van-genten ook. Aalscholvers en sommige meeuwen gebruiken de molens dankbaar als rustplek op zee.
Wat nu te doen? In 2050 moet alle gebruikte energie in Nederland uit duurzame bronnen komen. ‘Nederland ligt gunstig om veel windenergie op zee op te wekken’, schrijft de Rijksoverheid. Nu leveren windparken op zee 4,5 gigwatt elektriciteit (16 procent van de elektriciteit van huishoudens en bedrijven). Volgens het Klimaatakkoord moet in 2032 ongeveer 21 gigawatt aan energie uit wind op zee komen. Wie vertelt het de zeearend en de kiekendief?
Uiteraard is voor een nieuwe reddingspoging nader onderzoek weer eens vereist. In september – de trektijd is dan in volle gang; Nederland is een knooppunt in de route van honderdduizenden vogels naar het zuiden - gaan knappe koppen zich in Montpellier buigen over mogelijke oplossingen. Misschien een ander kleurtje, want kennelijk vraagt elke vogelsoort om z’n eigen behandeling. Zo blijken in Zuid-Afrika rode blokken op de wieken tot minder botsingen te leiden.
Zo bezien kun je de wieken uit voorzorg maar beter beschilderen met een geblokt palet met alle kleuren van de regenboog. Mogelijk dat vogels op zee dan de bui van verre zien hangen en afbuigen naar open vlakten, waar die nog te vinden zijn. De horizon van de grauwe Noordzee zou er in elk geval aanzienlijk van opfleuren.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns