Na bijna 25 jaar heeft de Amerikaanse singer-songwriter Eric Andersen (82) een nieuw album uitgebracht. Via de literaire scene in San Francisco en de New Yorkse folkscene rond Bob Dylan vond hij zijn thuis in Ede. Lang hing de belofte in de lucht dat hij een ster zou worden. Is het nu zover?
is verslaggever van Volkskrant Magazine.
Nadat Eric Andersen (82) een oer-Hollandsche traktatie (appeltaart!) heeft weggekauwd, laat de legendarische Amerikaanse singer-songwriter aan zijn eettafel in Ede de titel vallen van de memoires van Ernest Hemingway, A Moveable Feast.
Het schiet hem grinnikend te binnen als de meest waarachtige typering van zijn leven, een zich alsmaar verplaatsend feest, steeds wisselend van locatie en tijd. Je beweegt je door het leven, en wat je allemaal met je meesleept aan mensen, verhalen en creatieve schatten, van hot naar her.
Andersen zegt in zijn eigen wereld te leven, met zijn eigen liedjes, gedachten en boeken. Negentig procent van het bestaan is het alledaagse gedoe, van boodschappen doen, de hond uitlaten, de wc doortrekken en de rekeningen betalen. Je moet het doen met die tien procent, om te dromen en te creëren.
Zijn verplaatsbare leven kan hij leiden in New York, in Noorwegen, Parijs, of in een huisje in Ede. Thuis voelt hij zich overal. Nu is hij als vele jaren erg in zijn nopjes met zijn vierde vrouw Inge en zijn leven in Nederland, al moet je hem niet vragen een patatje oorlog bij de snackbar om de hoek te gaan halen. Die dialoog met de Nederlandse cultuur gaat hij niet aan.
In zijn huiskamer hangt hij de slingers voor dat alsmaar wisselende feest zelf op, bestaande uit een reeks getuigenissen en verhalen uit de muziekgeschiedenis van de laatste zestig jaar. Hem de hand schudden is de hand schudden van een onwaarschijnlijke hoeveelheid muzikale en literaire fenomenen die hij begroette, waarmee hij werkte en verkeerde.
Hoe vaak kom je iemand tegen die in 1957 zowel Elvis Presley als Buddy Holly heeft zien optreden? Die tourde met The Doors en Janis Joplin. Wiens dochter Sari het petekind is van Joni Mitchell.
Als hij je aankijkt, ook al is hij 82 jaar, is er dezelfde frisse, nieuwsgierige blik die zijn jongere versie typeert, zoals goed te zien is in de documentaire die over hem is gemaakt, The Songpoet (2020). Daarin wordt verteld hoe Andersen begin jaren zestig rondbanjert in de Greenwich Village-folkscene, waarvan Bob Dylan de wereldberoemde vaandeldrager werd. Het kon toen zomaar gebeuren dat Eric Andersen met zijn looks – ‘de James Dean van de folkscene’ – en indringende liedjes de volgende doorluchtige troubadour zou worden met vleugels aan zijn gitaar.
Op de bank in zijn kamer heeft hij laatst samen met Inge en een bak popcorn naar A Complete Unknown gekeken, de voor meerdere Oscars genomineerde film over die tijd in New York, met Timothée Chalamet als Bob Dylan. Tja... Het was oké, zegt Andersen, en best wel vermakelijk als film. Maar het was vooral niet echt, zoals hij het in die tijd heeft beleefd. Hij herkende verdomd weinig, geen mensen, geen situaties. Meer een versuikerd extract van de werkelijkheid, waarin Dylans tekstuele zeggingskracht werd overgeslagen.
Het enige dat hem enorm beviel was dat ene liedje gezongen door de filmversie van Joan Baez: There but for Fortune. Maar die was dan ook geschreven door de tragische folklegende Phil Ochs, de man hij die hij zijn grote broer noemde omdat die hem onder zijn hoede nam in New York.
Andersen trof Dylan veelvuldig in de Village, in de door de film gekarakteriseerde periode, ook bij Ochs thuis. ‘His Bobness’ pakte hem beet om een paar zinnen uit Visions of Johanna te citeren. Of waaide binnen om te vertellen dat hij in zijn auto een nieuw nummer had geschreven, Mr. Tambourine Man.
Luister maar!
Het was niet altijd een leuke gast, die Bob. Door dat gebruik van speed ging hij raaskallen. Toen hij zich tegen Phil Ochs keerde, hem verweet dat hij geen echte zanger was, maar een journalist, greep Andersen in. En even leek Andersen ook mee te doen, midden jaren zeventig, in Dylans fameuze Rolling Thunder Revue, met een optocht van grote artiesten. Na twee optredens haakte hij af.
Jaren later zag hij Dylan ook nog regelmatig, zoals in 2015 na een optreden in Amsterdam. Ze spraken over kunst en schrijven. Andersen gaf hem het debuutalbum van zijn vrouw Inge, Fallen Angel. Ja, en gelijk in de folktraditie om alles van elkaar over te nemen, bracht Dylan toevállig later een plaat uit met de titel Fallen Angels. O ja, hij nodigde Inge en hem ook uit op zijn landgoed in Schotland, maar dat kwam er niet meer van.
Laatste Bob-feit: Andersens nummer over de burgerrechtenbeweging, Thirsty Boots, werd door Dylan in 1970 gecoverd.
Eric Andersen beweegt door zijn werkkamer, work in progress, nu nog halfleeg, afgezien van een paar gitaren en een boekenkast, klaar om rijkelijk gevuld te worden. Foto’s van literaire kanonnen als Lord Byron, James Joyce, García Lorca en Ernest Hemingway hangen aan de muur.
Hij is altijd een man van de literatuur geweest, meer dan hij verknocht was aan muziek. Dat je bij het openslaan van een boek een nieuwe wereld bereist, een nieuwe realiteit binnendringt, vindt hij nog steeds mindblowing.
Je legt als het ware keien achter elkaar, totdat je een nieuw pad hebt.
Zo was het ook voor hem begonnen, met boeken. Een gesjeesde medicijnenstudent die begin jaren zestig liftend naar San Francisco ging, omdat hij de beats wilde ontmoeten, schrijvers van de beatgeneration als Jack Kerouac, Neal Cassady, Allen Ginsberg en Lawrence Ferlinghetti. Zij beschreven een wereld waarin hij wilde leven, onaangepast, vervreemdend, cool.
In het geweldige nummer Beat Avenue (2003) zing-zegt hij in een half uur durende Kerouac-achtige tekst wat hij waarnam in die literaire scene in San Francisco op de dag in 1963 waarop John F. Kennedy werd vermoord. Een duistere bedoening met goedkope rode wijn, een lucht vol wiet, rondslingerende poëzie en Ginsberg, dronken rondlopend in zijn blote reet.
Wat hem daar aan de Westcoast ook overkwam, en wat een terugkerend element in zijn loopbaan zou worden: iemand die er heilig van overtuigd was dat hij een hele grote zou worden. In dit geval Tom Paxton, een singer-songwriter die hem op het hart drukte San Francisco in te ruilen voor New York. Daar aangekomen combineerde Andersen een baantje als kok voor junkies met optredens in de koffiehuizen, totdat The New York Times lovend over hem schreef en een platenbaas hem strikte.
Andy Warhol zag in hem ook een ster in wording en maakte in het geniep opnames van optredens van Andersen. Hij kreeg zelfs een kunstwerk van Warhol. Die heeft hij lang geleden verkocht om een huis aan te schaffen. Ook vroeg Warhol hem voor de film Space, al bleek dat nadien vooral te bestaan uit close-ups van zijn kruis.
Het werd pas echt spectaculair toen de belangrijkste manager van het universum, Brian Epstein, zich per brief bij hem meldde – ook al zag hij er niet uit als een Beatle, of maakte hij Beatle-muziek. Epstein viel voor de innerlijke rijkdom van de liedjes op Andersens eerste twee albums. Geen protestliedjes, maar poëtische nummers over de liefde.
Dus vloog Andersen met een hoofd vol hoop in het voorjaar naar 1967 naar Londen. Hij bezocht Epstein in zijn chique huis, in de week dat Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band uitkwam. Een aardige gast, die Epstein, die liet weten Andersens manager te willen worden. Ga vooral verder met wat je dat doet, zei hij, dan zou hij zorgen dat hij bij een goed label zou worden ondergebracht, en op de juiste plekken kon optreden.
’s Avonds ging Andersen op pad met John, Paul, George en Ringo, naar The Speakeasy Club. Meisjes in minirokjes zwermden om The Beatles heen. Hij zag Jimi Hendrix. John Lennon gaf grote stukken hasjiesj door om op te eten. Andersen keek paranoïde om zich heen, want als je zoiets in New York deed, kon je zomaar worden opgepakt.
In afwachting van de plannen van Epstein tourde Andersen door Amerika. Na een optreden op het Philadelphia Folk Festival, in augustus 1967, stond hij met zijn eerste vrouw Debbie en zanger John Denver wat te keuvelen, terwijl op het podium een Ierse band speelde. Opeens stopte de muziek – en Andersen vertelt erover, alsof het gisteren is gebeurd. Ken Goldstein, een vooraanstaande figuur in de folkbeweging, rende naar de microfoon: ‘Ik heb geweldig nieuws! Brian Epstein is overleden.’
‘Wát!’, zegt Andersen, zijn woedende reactie van toen kopiërend. Hoe kon die puristische malloot zeggen dat het geweldig nieuws was, alleen omdat hij vond dat The Beatles de folkmuziek bedreigden? Het was voor hem het moment dat hij zich afkeerde van de folkbeweging en zich nooit meer een folkie noemde. Niks wilde hij meer te maken hebben met die bekrompen lui.
Geen moment dacht Andersen overigens van: nou, daar gaat mijn gouden toekomst. Nee! Hij wist dat hij gewoon moest doorgaan met liedjes schrijven. Dan kwam hij vanzelf bovendrijven. Daarom was het niet gek dat hij daarna mocht optreden in The Johnny Cash Show, na een introductie van The Man in Black zelf: ‘Hier is iemand die wat te zeggen heeft.’
In 1972 was er een andere legendarische figuur uit de muziekbusiness die grote plannen met hem had, CBS-baas Clive Davis. Onder zijn hoede kende hij zijn succesvolste moment, met Blue River, inmiddels een klassieker in singer-songwriterskringen. Een hit stond er niet op, al is het titelnummer met achtergrondzang van Joni Mitchell een onweerstaanbare pianoballad.
Iedereen, platenmaatschappij CBS voorop, dacht dat Eric Andersen klaar was voor de top. Hij kon zomaar de nieuwe Dylan worden. De opvolger moest daarom snel komen, en Andersen dook de studio in.
En toen viel de de FBI binnen bij platenmaatschappij CBS. Clive Davis werd ervan beschuldigd discjockeys te hebben omgekocht met cocaïne en prostituees en moest aftreden.
In dezelfde week raakten de mastertapes van zijn nieuwe plaat kwijt, nergens meer te vinden. Zeer vermoedelijk had het iets te maken met het feit dat hij als een protegé van Clive Davis werd gezien, en dus verdacht materiaal had afgescheiden. Het was vooral ongelooflijk, zegt hij zuchtend. Zo’n bijzonder album, het ideale vervolg op Blue River, met talloze beroemde gastmuzikanten als leden van The Band, Leon Russell en Joan Baez. Zomaar verdwenen.
Het zou nog zeventien jaar duren voordat de tapes boven water kwamen. Op een dag, hij woonde inmiddels in Noorwegen met zijn derde vrouw en vier kinderen, kreeg hij een telefoontje uit New York: je zult het niet geloven, maar de tapes zijn terecht. Vanuit de opslag in Nashville waren oude opnames naar het kantoor in New York gebracht. Een medewerker was gestruikeld over een stel onbekende tapes, en hard gevallen. Bij nadere inspectie van de tapes bleken die van Andersen te zijn.
Echt verrast was hij niet, zegt hij nu, want diep vanbinnen wist hij dat ze op een dag weer tevoorschijn zouden komen. Maar toen hij het opnieuw beluisterde, schoot het hem wel uit zijn schoenen. Wat goed! De opnames werden alsnog uitgebracht in 1991, onder de naam Stages: the Lost Album, het kreeg goeie recensies.
‘Te laat!’, roept Inge vanuit de voorkamer, het momentum was weg. Iedereen was Blue River vergeten.
Andersen neemt een slokje van zijn koffie.
Of het jammer was? Dit soort semi-tragische momenten in zijn loopbaan probeert hij allang te beoordelen als een zenboeddhist, ze moeten niet te veel binnenkomen. Je moet gewoon doorgaan met liedjes maken. Succes en roem hebben hem nooit geïnteresseerd, het gaat om het volgende project, het volgende liedje.
Je moet het altijd met jezelf doen, in je eentje. Als a lone wolf with a cry in the wilderness. Al die verhalen van platenbazen die hij heeft gehoord, in al die jaren. Hij haalt zijn schouders op. Zo van: niemand kent je. Je werk is te moeilijk. Mensen zijn je vergeten. Of probeer meer aan te slaan bij deze tijd. Allemaal bullshit.
Lou Reed zei het al bij hun kennismaking, tijdens de afscheidsceremonie van Andy Warhol: ‘Andy was de enige in de muziekbusiness die me niet probeerde te naaien.’ En zo is het nog altijd, zegt Andersen. Lou wist waar hij het over had, en Lou was zijn beste vriend. Hahaha, klinkt het, wat voor gast moet hij wel niet zijn om Lou Reed je beste vriend te noemen.
Maar er was niemand anders met wie hij zoveel gemeen had als met Lou. Ze zochten elkaar altijd op, Lou en hij, ze vonden elkaar in hun humor, literatuur en muziek. Uiteindelijk schreven en namen ze samen een nummer op: You Can’t Relive the Past. Die Lou – hij mist hem nog elke dag.
Inge zet de broodjes en soep op tafel. Over hun liefde: ze had hem eerst gezien, voordat hij haar zag, en wel in Tilburg in 1992. Andersen deed een tournee met andere Amerikaanse troubadours, David Olney, Townes Van Zandt en Guy Clark. Elf jaar later zag ze hem weer zingen in Zürich, en na het concert raakten ze in gesprek. Tijdens een tournee in Nederland reed ze hem rond, als een soort tourmanager.
Opeens werden we verliefd, zegt Inge.
‘I crashed’, vult Eric aan.
Sinds 2004 wonen ze bij elkaar in Nederland, en treden ze ook gezamenlijk op, in binnen- en buitenland. Over Nederland wil hij zeggen dat de mensen aardig zijn, maar veel vrienden heeft hij hier niet gemaakt. Ook houdt hij van het groen en de rust hier; een goed georganiseerd land, tevens makkelijk te bereizen, of vanuit te vertrekken. Hij kan zo naar Noorwegen, waar zijn vier jongste kinderen wonen, of naar Amerika, waar zijn oudste dochter woont. In september en oktober geeft hij concerten aan de Amerikaanse oostkust, en doet zelfs Greenwich Village aan, ook om zijn nieuwe werk te promoten.
O ja, daar is-ie dus, het fonkelnieuwe album Dance of Love and Death, met zeventien eigen liedjes, opgenomen in New York, Italië en Amsterdam. Na bijna 25 jaar, inderdaad. Het is niet dat hij heeft stilgezeten, want hij heeft onder meer drie literaire albums gemaakt: teksten van schrijvers als Heinrich Böll, Albert Camus en Lord Byron op muziek gezet.
In Rolling Stone werd onlangs op buitengewoon lovende wijze stilgestaan bij zijn nieuwe album. Volgens het Amerikaanse muziekblad staat het vol staat met ‘aangrijpende verhalen’, en typische Andersen-achtige ‘met gebronsde stem gezongen intieme romantiek’.
Wat hij zelf vooral hoopt is dat dat album aanslaat; het zijn toch liedjes die hij al een tijd met zich meedroeg. Liedjes zonder een groter plan, je begint ergens aan, en gaat ermee door – eigenlijk zoals hij het altijd heeft gedaan. Zie het zo: je gaat een bos in, en je weet niet waar het eindigt.
Misschien daarom heeft hij nooit een hit gehad, zegt hij, de handen reikend naar het plafond. Hij is er nooit écht voor gaan zitten om er eentje te maken, met een pakkende melodie, een vanzelfsprekende bridge en een mee te zingen refrein. Hij acht zichzelf niet geschikt voor...
Wacht!
Andersen staat op, scharrelt wat in huis rond en komt terug met een grote boodschappentas. Het eten wordt aan de kant geschoven. Hij keert de tas om op tafel, en er ontstaat een berg aan schriften, kleine en grote opschrijfboekjes. Ergens moet dat ene notitieboekje zijn, zegt hij tegen Inge, je weet wel, die hij laatst op de vakantie in Griekenland bij zich had.
Ah, daar is-ie.
Hij bladert en bladert, en de hond begint te blaffen, omdat de postbode aanbelt.
Dan is er een triomfantelijke blik. Gevonden! Een tekst voor een hitwaardig nummer, geïnspireerd door de Franse schrijver Albert Camus die van mening is dat er geen revolutie moet komen, want dan wordt gewoon de ene klootzak vervangen door een andere klootzak.
In verzet komen is veel wezenlijker.
Hij probeert zijn eigen handschrift te ontcijferen, haalt er nog een ander schriftje bij en declameert vervolgens het refrein:
Everything seems to be so difficult
But nothing is easier than this
To get up from a chair
Just stand up and resist.
Ja, dit is goed, zegt Eric Andersen. Nu nog de melodie, en een studio om in op te nemen. Een goeie titel heeft hij al voor zijn hit in wording, Stand Up. Helemaal passend in deze tijd, het is tijd om op te staan. Breeduit lachend: dit wordt de doorbraak, het gaat nu echt gebeuren.
Eric Andersen, Dance of Love and Death, verschenen bij EARecords.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant