Teken, dacht Jan van Tienen: gek woord, mysterieuze klanken. Bijtspinnen die je te grazen nemen als je op een waddeneiland komt. Zijn fascinatie sloeg om in een fobie. Is er zoiets als de juiste manier om je tot de teek te verhouden?
Ik gruwel nergens zo van als van teken. Lang heb ik gedacht dat ik ze vooral fascinerend vond, totdat ik vorig jaar herfst in het keukenraam een flinke kruisspin zag. Hoewel ik nooit bang ben geweest voor spinnen, deed het bewegen van de voorpoten van de kruisspin, de manier waarop ’ie het web manipuleerde, me ineens denken aan hoe téken hun afschuwelijke voorpootjes bewegen, voorpoten waarop zich het orgaan van Haller bevindt, waarmee teken luchtvochtigheid, temperatuur, CO2 en feromonen van een eventuele prooi detecteren.
Mijn tekenangst was kennelijk zo groot geworden dat ik nu ook deze totaal ongevaarlijke spin vreesde. Ik werd dit jaar 40: is mijn levenslange fascinatie voor de teek nu pas volledig omgeslagen in fobie? En is dat dan een probleem, of juist een zegen? Is er zoiets als de juiste manier om je tot de teek te verhouden? Dat wilde ik uitzoeken door na te gaan hoe mijn verhouding met het beest door de tijd is gevormd en veranderd.
In Tholen, Zeeland, speelden we als kinderen veel in de bosjes. Een keer stapten we (Jordy Deurloo, Cindy de Visser en ik) in een wespennest, toen moesten we naar huis rennen om aan de wespen te ontkomen. Een andere keer rende ik blootvoets over de zonneweide van zwembad De Spetter, toen ik op een bij ging staan. Ik ontwikkelde zodoende een lichte fobie voor wespen en bijen, maar niet voor teken. Ik had er nooit van gehoord, ik noch mijn vriendjes hadden ooit een teek. Waarschijnlijk waren er destijds niet veel in Zeeland, of in ieder geval niet in de bosjes waar wij vaak kwamen.
De eerste keer dat ik van het bestaan van de teek hoorde, was toen studievrienden van mijn zeven jaar oudere zus naar een waddeneiland op vakantie waren gegaan, hun tent in een weiland hadden opgezet en helemaal bedekt met teken wakker werden. ‘Ze waren met hun tent precies op een nest teken gaan staan’, zei mijn zus, toen ik denk ik een jaar of 8 was. Ik vroeg haar wat dat dan waren, ‘teken’. ‘Het zijn kleine spinnetjes of torretjes die zich in je vastbijten en dan je bloed zuigen’, zei m’n zus. Het klonk zeer griezelig en maakte indruk. Teken. Mysterieuze klanken. Bijtspinnen die je te grazen nemen als je op een waddeneiland komt.
Omdat ik geen natuurmens was of ben en altijd behoorlijk op de stad gericht, ben ik in de decennia die volgden niet dichterbij de teek gekomen.
Pas richting het einde van mijn twintiger jaren, op familieweekend, ontwikkelde ik iets van een diepere verhouding tot de teek. Ik was denk ik 27, kon me nog net beroepen op een laatste restje jeugdigheid, en mij bekroop toen hetzelfde gevoel dat ik al jaren had bij een familieweekend: dat je plek in de maatschappij en het leven misschien net zo vaststaan als je plek in de familiehiërarchie. Anders gezegd: met de acht broers en zussen van mijn pa en hun talloze kinderen en kleinkinderen bij elkaar kom ik er altijd weer achter hoe somber ik van gezelschappen kan worden, hoe weinig er van me overblijft na veertig gesprekken.
We zaten in een gebied in Brabant waar ruim werd gewaarschuwd voor de aanwezigheid van teken in de velden en de bosjes, met stickers, flyers, op deuren geniette A4’s in plastic etuis, en zelfs met opgehangen metalen bordjes. Op de laatste avond had ik, na een avondwandeling waarin de somberheid toesloeg, het idee dat er iets kriebelde in mijn oor. Het kriebelde en kraakte, en hoe meer rode wijn ik dronk, hoe zekerder ik het wist: er zat een teek in mijn oor.
Ik wist twee dingen zeker in het leven: niets zou meer veranderen ten aanzien van wie ik was en waar ik stond in de maatschappij, én er zat een teek in mijn oor die af en toe tegen mijn trommelvlies aankroop, die er doorheen wilde, erin wilde om zich in mijn brein te nestelen. ‘Kijk eens in mijn oor’, zei ik tegen mijn zus, die alleen maar kon lachen. ‘Je zweet’, zei ze. Ik werd woest. Ze keek. ‘Er zit niets’, zei ze. Er zat niks. En toch vrees ik af en toe dat ’ie ergens de afgelopen veertig jaar naar binnen is geglipt, dat er diep in mij een kolonie gitzwarte teken zit, een kolonie die af en toe groter wordt en die dan mijn levensgeluk opzuigt, in plaats van mijn bloed. Maar goed, volgens mijn zus, die arts is, slaat dat idee nergens op.
Pas toen ik begin dertig was kwam ik voor mijn gevoel pas echt in aanraking met de teek. Het was 2016, ik ging voor het eerst naar Terschelling om te werken voor theaterfestival Oerol. Onderweg op de boot zag ik af en toe aankondigingen of waarschuwingen voor de teek, er werd aangeraden om DEET mee te nemen en om de broek in de sokken te duwen als men door het gras liep.
Deze waarschuwingen brachten mijn verbeelding op gang. Dat hing samen met de heftigheid van het werk op het festival, want voor Oerol een festivalkrant maken betekende veertien uur per dag werken, zes uur lang drinken en kunst zien, dan nog voor de vorm wat proberen te slapen, en dat tien dagen lang. In die roes ontwikkelde zich in mijn geest een zwart gat, een krioelend monster, een teekvormige obsessie. De teek kon overal zijn. De teek had het op mij gemunt.
Een van de eerste dagen op het festival bezocht ik een theatrale installatie waarbij je als publiek eerst door het lange gras en de bosjes moest lopen. Op den duur kwam je dan uit in een soort witte opblaas-sok, het was alsof je de binnenkant van een gigantisch springkussen inliep. Daar waren spelers en er was een soundscape, en ik weet niet meer precies wat het moest voorstellen of hoe het klonk, maar wat ik me des te meer herinner was dat ik de hele tijd schichtig door het gras en de bosjes sprong om te voorkomen dat ik in hangend gras of onder hangende takken ging staan, omdat ik onder ieder blad en iedere spriet een teek vermoedde. Mijn broekspijpen zaten in mijn sokken gepropt, mijn shirt strak in mijn onderbroek, mijn hoodie, ondanks de felle zon, tot bijna over de ogen getrokken, en zo hupste ik als een panisch, dik zwetend konijn door die Terschellinger bosjes. Na een kwartier dat wel vier uur leek te duren was dat gelukkig voorbij en kwam ik aan bij de installatie.
Ik wurmde me in de tunnel van parachutestof, daarbinnen zag ik zwarte puntjes op de grond liggen, steeds vroeg ik me af of dát dan teken waren. De fotograaf die mee was bleek aan een andere neurose te lijden: zij kwam erachter dat ze claustrofobischer was dan ze dacht. Toen ik naar buiten kwam, was zij in paniek aan het schreeuwhuilen in de armen van een vrijwilliger. Terwijl ik mijn hand op haar schouder legde, moest ik hevig aan de teek denken. Misschien zat er een in haar haar? Iedere avond keek ik met een spiegel of er iets in míjn haar zat, of er iets rond de weke delen zat, of rond de edele delen. Ik dacht aan hoe het zou voelen, zo’n teek, zo’n wiebelend ding in je huid, zo’n gore bloedzuiger in je lies of rondom de anus.
Toch was die angst niet per se grimmig: ik bracht te pas en te onpas de teek op in gesprekken. Na anderhalve dag op Terschelling was het een running joke geworden, iets waarmee de anderen mij konden plagen, en waar ik op een bepaalde manier de blits kon maken. Het delen van een angst geeft anderen het gevoel dat je je op een sympathieke manier blootgeeft, en als die angst niet overheersend is, pluk je louter vruchten van het koketteren met zo’n angst.
Toch is dat koketteren niet zonder risico’s. Tegen het einde van het festival interviewde ik uitgeput een regisseur van een voorstelling. We hadden afgesproken op de festivalweide Westerkeyn, waar we aan klaptafels zaten. De hond van de regisseur rende steeds langs mijn benen, hijgde in mijn schoot. Ik probeerde een glimlach op te brengen voor het dier, maar het ging niet van harte. ‘Haha’, zei ik, ‘ik ben een beetje bang voor teken.’ De regisseur lachte terug, haalde haar hand door de vacht van het dier, plukte er drie, vier teken uit, die ze plat op haar hand voor mijn gezicht hield. Ik slikte en keek.
Daar lagen ze, gedesoriënteerd met de pootjes te krioelen, op zoek naar vaste grond. ‘Gewoon een paar teekjes joh’, zei ze, en ze kneep ze fijn met haar duim in haar handpalm, waarna ze tekenlijk en hondenbloed afsmeerde aan haar jeans. Ik weet bij god niet meer waar haar voorstelling over ging. Ik had eindelijk oog in oog gestaan met de griezels van mijn verbeelding. Het erge was dat ze in het echt weinig van hun angstaanjagendheid verloren.
Nu, negen jaar en negen edities van Oerol verder, ik heb meer dan honderd dagen doorgebracht op het eiland, heb ik nog steeds nooit een teek op me gehad. Denk ik.
In de jaren na die eerste keer Oerol begon ik het meeste wat ik over teken in de media tegenkwam tot me te nemen en vast te leggen. Een fobisch fascinatiedossier dat groeit en groeit.
Ieder jaar verschijnen er rond de teekweek, begin april, waarschuwingen voor het dier en de ziektes die ze verspreiden, er komen om de haverklap boeken over uit, er is nieuws over nieuwe soorten, er zijn complottheorieën over dat de CIA de ziekte van Lyme heeft uitgevonden in een lab en dat die ziekte zich is gaan verspreiden doordat een krat met geïnfecteerde teken per ongeluk uit een vliegtuig viel. Deze theorie is besproken, officieel gemaakt, voor een comité van het Amerikaanse congres. Amerikaanse politici moesten officieel reageren op deze samenzweringstheorie, schreef The Washington Post.
Er is veel moois te vinden en te lezen over de teek. In 2017 publiceerde NRC een lang overzichtsartikel met de laatste wetenschappelijke stand van zaken, waarin ik las dat jaarlijks een miljoen Nederlanders een tekenbeet krijgen.
In 2018 publiceerde The New York Times een artikel met als kop ‘We’ve Reached Peak Tick Anxiety’, het gaat over hoe teken zomers de boel overnemen in noord-oostelijke staten in de VS en wat mensen er tegen doen. In diezelfde krant, ook in 2018, stond het absolute gruwelstuk over een nieuwe tekensoort die zich in de VS verspreidt: de Aziatische langhoornteek, ook wel Aziatische bosteek genoemd: ‘In Australië worden ze bosteken genoemd, in Nieuw-Zeeland vee-teken, en deze langhoornige teken kunnen zich razendsnel voortplanten en vervolgens zoveel bloed uit een jong dier zuigen dat het sterft’, schrijft de krant. Wat een beeld! Wat een manier om te sterven! Er stond een foto bij van een schapenoor dat was bedekt met bosteken, en dusdanig gruwelijk gezicht dat het me absoluut sterkt in mijn voornemen nooit een tekenbeet op te lopen. Een vrouw die voor schapen zorgt liep meer dan duizend van dit soort tekenbeten op, vertelt een arts. De oorzaak van de verspreiding van deze invasieve, exotische teken in Amerika? Opwarming, klimaatverandering.
Soms voeden anekdotes uit de eigen omgeving de fascinatie. Mijn zus stuurde jaren terug een bericht: ‘Er is een patiënt opgenomen met meer dan tweehonderd teken op het lijf.’ Dat was het. Mijn zus, medisch microbioloog in een ziekenhuis, zei dat iemand geïntoxiceerd in de bosjes had gelegen en met meer dan tweehonderd teken over het lijf was binnengebracht. Meer kon ze me niet vertellen vanwege de privacy. Meer dan tweehonderd teken. Dan ben je gepaneerd. Dan ben je een stuk vleesdeeg met een krokante korst van teek.
In de Reddit-groep Mildly Interesting staat een plaatje van een teek die zich lijkt te hebben vastgezogen in de nek van een veel dikkere teek (maar die eigenlijk het paren van twee teken toont). 56.000 duimpjes omhoog, 4.100 reacties. Lezers putten zich onder het artikeltje uit om hun walging in de meest creatieve vormen te uiten. Iemand zegt dat hij meerdere honden heeft en dat hij niet eens meer weet hoe vaak hij op volgezogen teken is gaan staan. ‘Bloedrozijnen’, noemt hij ze. ‘De 4 jaar oude dochter van een vriend van me dacht echt dat het een druif was en heeft een keer een volgezogen teek opgegeten’, zegt iemand anders. Ik lees zulke zaken met een mengeling van fysieke afkeer en het heerlijke gruwelgevoel dat je kunt krijgen van een goede horrorfilm (in 1993 verscheen overigens ook een horrorfilm met de naam Ticks, die nooit in de bioscoop te zien was, maar direct op videoband uitkwam).
In een poging die fascinatie te structureren, heb ik geprobeerd mijn kennis over het beest wat formeler uit te denken. Op het hoogtepunt van wat ik ‘mijn tekenfascinatie’ noemde, probeerde ik de teek ook volledig filosofisch te begrijpen, te onderzoeken of het misschien een fundament onder mijn hele wereldbeeld, en vooral: zelfbeeld kon worden.
Een vriend stuurde me een essay door van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben, The Open, Man and Animal. In deze verhandeling gebruikt Agamben teken om het verschil tussen mensen en dieren aan te duiden. Agamben citeert de Duitse bioloog Jakob von Uexküll, die vooral begin 20ste eeuw publiceerde. Von Uexküll stelde dat de leefwereld van de teek enkel bestaat uit de aandachtspunten die het beest heeft voor de omgeving. Komt er ‘iets’ langs dat de juiste lichaamstemperatuur heeft, dat boterzuur verspreidt, dat ‘haar’ bezit om aan vast te klampen? Dan klampt de teek zich vast.
Het zit zonder ogen te wachten, met enkel de reukzin, en eigenlijk is wachten niet het woord. De teek kan enkel reageren, is daarmee ‘gesloten’. En dat terwijl de mens ‘open’ zou kunnen zijn: open om te aanschouwen, te voelen, dingen in taal te vatten. Toch voelt het leven zelden zo. Zittend achter een scherm word ik boos of verdrietig van dingen die anderen zeggen, ik voel me een labrat die zich opvreet over de open deuren die anderen intrappen, iemand die keer op keer terugkomt bij de milde roes van verontwaardiging die sociale media veroorzaken. Is dat een ‘open’ leven, of reageer ik slechts, zoals een teek?
In The Open herhaalt Agamben de anekdote van Jakob von Uexküll dat ze in een laboratorium in Rostock in de 19de eeuw een teek in een doos hadden bewaard en die jarenlang niet hadden geopend. Toen ze jaren later de doos openden, toen de teek jaren in het duister, zonder externe stimuli, zonder ogen, zonder geur, zonder tijdsbesef, weer uit die doos was gehaald, had de teek bij het bespeuren van mensenhuid weer wat leven gekregen en zich alsnog vastgebeten.
Soms denk ik dat we allemaal voor zo’n doos zitten, te wachten op iets dat nog moet gebeuren. Ben ik filosoof genoeg om rond mijn tekenangst en -fascinatie een heel wereldbeeld te bouwen?
Lang heb ik mijn verhouding tot de teek niet écht als problematisch gezien. In 2019 ging ik daaraan twijfelen. Ik las over een expositie in het Van Abbe Museum van kunstenaar Josefine Arnell. Ze had tekeningen gemaakt van teken, er een soort post-apocalyptisch verhaal omheen bedacht met elementen van horror, sci-fi en feministische porno en had als pièce de resistance een teek van drie bij vier meter gemaakt die in de tuin van het Van Abbe stond opgesteld. Voor Arnell stond de teek symbool voor zaken als kapitalisme en het patriarchaat, iets dat je leegzuigt, iets dat door klimaatverandering oprukt. Ik ging erheen om erover te schrijven.
Bij de borrel na het officiële gedeelte van de opening stond een serieus kijkende vrouw naast me, die toen ik zei dat ik journalist was tegen mij over chronische ziekte van Lyme begon. ‘Bent u bekend met het feit dat het een zeer politieke ziekte is?’, zei de vrouw. Ik zei dat ik dat wist, omdat het bestaan van chronische lyme werd betwist door artsen. De vrouw keek nu nog somberder en serieuzer, en ik had het verkeerde antwoord gegeven, want zij leed aan chronische lyme, en het politieke aspect van die ziekte zat er voor haar niet aan dat het bestaan ervan werd betwist, maar dat de genezing ervan door schimmige politieke actoren werd tegengehouden.
Ik wist er niet goed raad mee en kon ook mijn angst en fascinatie voor de teek niet goed aan haar overbrengen. Toch was er een raakvlak tussen ons. ‘Ik weet nog goed wanneer ik ben gebeten door de teek’, zei ze, melancholisch bijna. ‘Het was begin jaren negentig, op een middag in april, in de tuin in Amsterdam. Het was een klein teekje maar, op mijn hand. Met gigantische gevolgen.’
Op een vreemde manier waren we allebei aan die teek vastgeklonken: ik uit angst om te mijden, zij uit een soort spijt dat ze niet eerder angstig was voor de teek, denk ik.
Een paar maanden terug, toen ik had besloten mijn verhouding met de teek eens goed uit te zoeken en op te schrijven, besloot ik ook hulp te zoeken in wetenschappelijke hoek. Ik kwam uit bij Arnold van Vliet van de Wageningen University & Research (WUR). Hij is bioloog en systeemdenker en houdt zich al meer dan twintig jaar met teken bezig. Voor hem is de teek een beest dat ons ziek maakt en waar we nog steeds niet veel over weten. Hij ziet het bestuderen van teken niet alleen als een manier om tekenbeten te voorkomen – Van Vliet heeft bijvoorbeeld tekenradar.nl opgericht, een site waarop mensen melding kunnen maken van een tekenbeet –, maar ook als een manier om de systemen waarin de teek zich ophoudt beter te begrijpen, en daarmee klimaatverandering. De kans op een tekenbeet in de winter neemt door klimaatverandering toe, en daarmee ook de kans om de ziekte van Lyme op te lopen.
Het fobische gedeelte van mijn fascinatie begrijpt Van Vliet wel. ‘De teek is een van de gevaarlijkste beesten van Nederland. Per jaar krijgen 30.000 mensen de ziekte van Lyme na een tekenbeet. In zuidelijkere landen zijn de ziektes soms nog veel naarder: daar is bijvoorbeeld de reuzenteek in opkomst. Die is vijf keer zo groot als een normale teek en kan achter dieren aanrennen. Soms verspreidt hij het Krim-Congovirus, dat in sommige gevallen dodelijk is. De reuzenteek kruipt door klimaatverandering steeds noordelijker op: een paar jaar terug is er ook een in Nederland gesignaleerd – die was waarschijnlijk met een trekvogel meegelift. Wij mensen hebben echt nog geen idee wat ons te wachten staat, wat ons boven het hoofd hangt.’
Op een vreemde manier is het troostrijk wat Van Vliet vertelt. Ik voel die wolk van fobie en fascinatie samenkomen, zich samenbundelen in een klein, blind dier dat in de bosjes wacht, klaar om ons leven onherroepelijk te veranderen. Toch probeert Van Vliet mensen niet panisch te maken, door een gezonde afstand tot het dier te bewaken.
‘Als je te veel horror overdraagt, schiet je soms je doel voorbij: dan willen mensen er niets meer van weten. Maar ze moeten er wel iets van weten.’ Zo bezien is de teek voor Arnold ook een manier om de ernst van klimaatverandering over te brengen. ‘Door klimaatverandering komen er nieuwe soorten in Nederland en krijgen we nieuwe ziektes. Misschien helpt dat besef mensen ervan te overtuigen dat we die klimaatverandering en de uitholling van de natuur moeten stoppen.’
Het begrip fascinatie wordt tegenwoordig vaak gebruikt als synoniem voor ‘interessant’, maar had vroeger nog de aanvullende betekenissen ‘betovering’, ‘onweerstaanbare geboeidheid’. Iets wat je echt fascineert, snoert je vast aan dat onderwerp. Maar wat doet dat met je?
Je kan alles uitzoeken over een teek, tientallen video’s kijken van hoe het dier zich voortbeweegt, vastbijt in een prooi, eitjes legt, je kan alles lezen over de gevolgen van Lyme, tekenencefalitis en andere ziektes die de teek verspreidt, en al die kennis brengt op geen enkele manier verlossing. Nu is dat met alle onderwerpen van fascinatie het geval, ik kan ook nog steeds niet uitleggen waarom ik bijna een foto MOET maken van alle elektriciteitsmasten die ik tegenkom. Bij teken is die spanning nog enigszins goed te praten en te verklaren. Je zou kunnen zeggen: laat je bijten en dan is het klaar, maar dat gaan we dus mooi niet doen.
Ik denk dat mijn verhouding tot de teek het best te vergelijken is met onze verhouding tot veel andere dreigingen van het moderne bestaan. Zowel angst als fascinatie groeien als je ze voedt, maar het is zaak ze onder controle te houden. Toch moet je er ook voor waken ze helemaal uit je leven te snijden. Zodoende is de teek mijn memento mori: een kleine zwarte verrassing, het onheil wacht ergens op mij.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant