Home

Waarom krijgt ‘giftige mannelijkheid’ zo veel aandacht? Dat frame duwt mannen alleen maar dieper in hun crisis

Niemand helpt de emancipatie van de man vooruit door hem enkel te framen als sukkel of monster. Filosoof Lena Bril vindt dat we mannen moeten aanmoedigen om zich een nieuwe rol eigen te maken.

is filosoof en schrijft voor Volkskrant Magazine over moderne etiquette.

Wat beweegt een man tot een zes uur durende ochtendroutine? Die vraag houdt mij (en mijn TikTokalgoritme) in haar greep sinds de video van lifestylecoach Ashton Hall begin april viral ging. De teller staat inmiddels op een miljard views. Ik herhaal: 1.000.000.000 views.

Wat zo fascineert? Bijvoorbeeld: de tijd waarop hij opstaat van (3.52 uur), de kom met ijsklontjes waarin hij zijn hoofd onderdompelt (tweemaal, om 5.49 en om 9.06 uur, vol overgave) de banaan (waarvan hij de schil om 8.43 uur over zijn gladgeschoren gezicht smeert).

Uiteindelijk pakt hij een laptop waarop, aan het einde van het ochtendritueel, ‘gewerkt’ gaat worden.

The Morning routine. Easy routes don’t pay well, get up.

Minutenlang kan ik het filmpje bekijken, telkens opnieuw, lachend, vol afgrijzen – en met groeiende angst. Giftige mannelijkheid, denk ik terwijl ik naar zijn ernstige blik en opgeblazen borstspieren kijk: het oogt klungelig en doodeng tegelijkertijd.

Het lijkt alsof Ashton, met zijn Black Mirror-achtige vertolking van het #morningroutine-genre, ons, de kijker, iets belangrijks wil vertellen over de huidige staat waarin de man verkeert.

‘Wat dóét Ashton op die computer?’, vraagt een vrouwelijke youtuber zich in een video-essay af. In beeld: de man, armen als kanonnen, kijkt ondertussen naar Cocomelon – een YouTubekanaal voor baby’s.

De andere commentatoren, vooral vrouwen, komen tot dezelfde conclusie: Men. Are. Not. Okay.

Het is goed mis met jonge mannen

Sinds de hitserie Adolescence lijkt iedereen doordrongen van het idee dat het goed mis is met jonge mannen. Het verhaal is onderhand bekend: een 13-jarige jongen, worstelend met afwijzing en omgeven door tekortschietende ouders en leraren, verdwaalt in de online ‘manosfeer’ – en wendt zich tot gruwelijk misogyn geweld.

Lees ook
Nooit eerder werden tienerjongens zo richting vrouwenhaat gedreven als nu, laat Adolescence zien.

Dit mechanisme kenden we al langer, maar de serie katapulteerde de gevaren van ‘giftige mannelijkheid’ in één klap naar de top van de media-agenda. Kranten besteedden er honderden artikelen aan (alleen al in de Volkskrant telde ik twaalf stukken over Adolescence). AIVD-baas Erik Akerboom riep ouders zelfs op om de serie samen met de kinderen te kijken.

Ik, een progressieve vrouw, een feminist, hield een onbestemde, wrange nasmaak over aan de virale aandacht voor deze twee mannen en hun crisis. Ik voelde me viezig door het kijken naar al die feministische analyses van coach Ashton, opzichtig worstelend met het mannelijkheidsideaal. Na het lezen van elk alarmerend artikel over Adolescence en Andrew Tate groeide mijn ongemak.

Dat ongemak ging niet alleen over die in potentie gevaarlijke mannen, maar ook over mezelf, over ons: de kijkers, de critici, de makers. Wat vertelt deze virale aandacht ons over hoe progressieven zoals ik kijken naar ‘het mannenprobleem’?

Hoe geven we de worsteling van jongens vorm, in beeld, in verhalen, in popcultuur? En: wie helpen we daarmee vooruit?

De feiten: de mannencrisis is real, aldus sociaal wetenschapper en ex-politicus Richard Reeves in Over jongens en mannen, een boek dat in de VS al een paar jaar gezaghebbend is (Obama zette het al eens op zijn zomerleeslijst), en nu net in het Nederlands is verschenen.

Reeves, een vader van drie zonen, bestudeerde internationale onderzoeken en statistieken, en concludeerde dat mannen acuut serieuze aandacht vereisen.

Om maar een paar van die statistieken van Reeves te noemen: jongetjes doen het significant slechter op school en halen die achterstand niet meer in op een vervolgopleiding. Tijdens hun studie zijn ze minder avontuurlijk dan hun vrouwelijke klasgenoten: ze studeren minder in het buitenland, stellen zich passiever op, hebben daardoor vaker een gebrek aan vrienden, en vluchten vervolgens eerder in verdovende middelen en videospelletjes.

Eenmaal op de arbeidsmarkt verdienen mannen minder dan veertig jaar geleden, en hebben ze minder vaak een vast contract. En op de huwelijksmarkt staat de man voor de uitdaging om een vrouw te vinden die bereid is een gezin te stichten met een partner die minder diploma’s op zak heeft dan zij.

Ja, de vrouwenstrijd is nog lang niet gestreden: de boete op baren, het glazen plafond, seksueel geweld, femicide – allemaal wezenlijke problemen. Maar, schrijft Reeves, de ‘grootste emancipatieslag in de economische geschiedenis’ heeft ingrijpende gevolgen voor mannen, en we moeten, net als manosfeerinfluencers, naar hun ervaring luisteren.

Want ja, ook mannen lijden onder het patriarchaat. Dat lijden is niet simpelweg een optelsom van bovengenoemde statistieken, niet een vorm van kleinzerigheid omdat ze lagere cijfers halen, of het afleggen tegen een vrouwelijke collega. De pijn zit dieper, is eerder existentieel van aard, ongrijpbaar en daarmee moeilijk te vatten in een dataset. Het is een algeheel onbehagen, gevoed door een gevoel van verlies – en een gebrek aan toekomstperspectief.

‘Ontologische onzekerheid’, noemt Reeves deze grondstemming, een fenomeen waar vrouwen minder last van hebben. Vrouwen ervaren namelijk minder ‘fragiliteit van betekenis’, omdat ze meerdere rollen vertolken: de rol van de moeder, van de werknemer, van de hartsvriendin en de buurvrouw.

Mannen leunen veelal op één voornaamste rol: die van de kostwinner – en juist die rol staat op de tocht.

Het gevolg is volgens Reeves de ‘falende vader’: niet in staat zijn traditionele rol te vervullen, ook niet bij machte een nieuwe rol op zich te nemen.

De verwachtingen van vrouwen evolueerden overigens ook niet mee: onderzoek na onderzoek laat zien dat zij nog steeds graag met een man zijn die meer geld verdient dan zij.

Blauwdruk voor betekenisvol leven

Tegelijkertijd veranderde de arbeidsmarkt. Werk in mijnen, autofabrieken en scheepvaart maakte plaats voor banen in de zorg en dienstverlening.

Het probleem: deze ‘zachtere’ beroepen sluiten niet aan bij het mannelijkheidsscript waarmee jongens zijn opgegroeid. Niemand heeft hun soft skills geleerd, en, belangrijker: aan deze banen kleeft een ‘vrouwenimago’, wat zo’n beroep statusverlagend maakt voor de man en zijn kansen op de huwelijksmarkt verkleinen.

Het verhaal dat mannen kennen, waarmee ze zijn opgegroeid, dat hun een blauwdruk gaf voor een betekenisvol leven, is, kortom, aan gruzelementen geslagen – en het laat hen verloren achter.

Vrouwen hebben daarentegen iets om voor te strijden: zij hebben een visie op hoe de wereld verbeterd kan worden.

Mannen ontbreekt het aan een verhaal over vooruitgang. Toen Reeves overigens dit mannenverhaal wilde gaan opschrijven, adviseerden vrienden en collega’s hem dringend het niet te doen, met het oog op zijn carrière en reputatie. ‘Wat je zegt over mannen is waar’, verzuchtte een collega. ‘Maar for God’s sake – zeg het niet.’

In dit post-MeToolandschap zit niemand op klagende mannen te wachten. Maar het gevolg daarvan is dat de mannenstrijd verinnerlijkt: het is geen gevecht voor meer rechten, maar een strijd met de eigen motivatie, een strijd om elke dag uit bed te komen. Niet voor niets zijn depressie, alcohol- en gameverslaving hoofdzakelijk mannenproblemen, en hameren influencers zoals Andrew Tate en Jordan Peterson op het belang van je bed opmaken, sporten en je rug recht houden.

Discipline, motivatie en ambitie zijn psychologisch gezien moeilijk op te brengen zonder doel in het leven. Mannen zoals Ashton Hall, wil Reeves maar zeggen, hebben het écht zwaar.

Had ik trouwens al vermeld dat Ashton Hall, nadat hij van 4:00 (4 uur ’s ochtends!) tot 4:13 push-ups heeft gedaan (wie kan zich dertien minuten opdrukken!), in zijn dankboek schrijft? En dat hij al die tijd een plakbandje op zijn neus houdt?

Progressieve dwaling

Deze worsteling van de man met zijn mannelijkheid is niet nieuw, laat feminist en hoogleraar genderstudies Maaike Meijer zien in haar boek Verloren helden (2023). Mannen, schrijft Meijer, worden geacht daadkrachtig, geil en stoer te zijn – met grote frustratie tot gevolg als zij niet aan die verwachtingen kunnen voldoen.

Als voorbeeld voert Meijer de 19de-eeuwse roman Moby Dick op. Kapitein Ahab kan zich niet neerleggen bij zijn falen (de witte walvis heeft zijn been afgebeten), mannelijke eer neemt bezit van hem en sleurt hem de vernieling in. Ahabs freudiaanse castratie-angst (dat afgebeten been), schrijft Meijer, maakt van hem een vernietiger.

Zulke verhalen over falen, over wraak en geweld, werden echter niet als verhalen over mannelijkheid gezien, maar als universele verhalen over de mens: de man was immers de standaard, de maat der dingen. Een film als Oppenheimer – over een man die zijn identiteit volledig bouwt op intellectuele superioriteit, status en controle, en die vervolgens verliest – wordt doorgaans ontvangen als een film over de menselijke conditie. Over hoe de mens zijn eigen ondergang schept.

Verhalen over de vrouwelijke conditie zijn er in overvloed, ze zijn de afgelopen decennia uitgegroeid tot een genre op zich. Frances Ha, Ladybird, Booksmart, Barbie – deze films onderzoeken allemaal wat het betekent om een meisje of een vrouw te zijn in het patriarchaat.

Het gevolg van deze asymmetrie, schrijft Richard Reeves in Over jongens en mannen, is dat mannelijke problemen worden gezien als een collectieve psychologische malaise, terwijl vrouwenworstelingen toegeschreven worden aan patriarchale structuren. Als mannen neerslachtig zijn, komt dat doordat ze hun gevoelens niet uiten. Als ze ziek zijn, komt dat doordat ze niet naar de huisarts gaan. Als ze het niet goed doen op school, komt dat doordat ze geen inzet tonen.

Reeves noemt dit de eerste ‘progressieve dwaling’ in het debat over gendergelijkheid. Voor conservatieven is ‘mannelijkheid’ de oplossing, voor progressieven is mannelijkheid het probleem. Waar conservatieven teruggrijpen op nostalgische verhalen over mannelijkheid en het liefst terugkeren naar een soort (niet-bestaande) ‘natuurlijke oermannelijkheid’, probeert links de behaalde resultaten van jaren emancipatie te bewaken – en maakt zich in die poging schuldig aan een aantal grote denkfouten.

Alle goede bedoelingen ten spijt: het gevolg van deze dwalingen is dat zij de man dieper in zijn crisis duwen.

Feministische clown

‘Een man zou nooit op het idee komen’, schreef Simone de Beauvoir in 1949 in De tweede sekse, ‘om een boek te schrijven over de bijzondere situatie waarin de man verkeert.’

Maar die tijden lijken nu te zijn veranderd. Neem het veelbesproken, net vertaalde Rejection (Afwijzing) van de Amerikaanse Tony Tulathimutte. In het openingsverhaal ‘De feminist’ – dat eerder al online gepubliceerd werd en een miljoenenpubliek bereikte – kruipt de lezer in het hoofd van een klungelige, zachtaardige man die feministisch denkt en praat. Hij is opgegroeid tussen vrouwen op een voormalige meisjesschool, wordt op handen gedragen door zijn vriendinnen, maar geen enkele vrouw wil met hem naar bed.

Jarenlang schudt hij de afwijzingen sportief van zich af (‘Grrr, alweer gefriendzoned!’, lacht hij samen met zijn vriendinnen), probeert zijn maagdelijkheid niet ‘als een lijkzak’ achter zich aan te slepen. Maar hij glijdt langzaam af, zijn onzekerheid drijft hem naar online fora voor mannen zoals hij: opgezadeld met een genetische aanleg voor smalle schouders.

Zijn begrip voor vrouwen taant, het ressentiment groeit, hij maakt zich het lingo van de manosfeer eigen en, uiteindelijk (spoiler!), loopt hij een restaurant binnen en schiet een vrouw dood.

De lieve, klunzige man met smalle schouders – een soort feministische clown – verandert in een misogyn monster.

Nog zo’n komische verbeelding, zij het met minder oog voor de tragiek: de serie Haantjes, waarin vier mannen proberen hun plek te vinden in een wereld waar vrouwen hun op vrijwel elk terrein voorbijlopen.

De tv-producent Mike (gespeeld door Jeroen Spitzenberger) krijgt de grootste uitdaging voor zijn kiezen. Mike raakt in één dag zijn goedbetaalde baan en rol als kostwinner thuis kwijt, en daarmee de functie in zijn leven. Binnen een week verdient het voormalige ‘vrouwtje’ (met een baan als influencer) genoeg geld voor de hypotheek.

‘Dit heb ik áltijd al willen zeggen’, vertrouwt ze hem toe terwijl ze manlief een zwarte creditcard overhandigt. ‘Koop iets léúks voor jezelf!’

De vernedering druipt van Spitzenbergers toch al verongelijkte gezicht af.

Wat volgt is een opsomming van ‘herkenbaar’ mannelijk geklungel: hij koopt het verkeerde wasmiddel, kan nog geen lekkende kraan repareren of foto van zijn yogaënde vrouw maken. Maar de tv-producent herpakt zich (klagend, dat wel) en verovert zélf een plek in de online wereld, namelijk in de manosfeer. ‘Mannen moeten weer mannen kunnen zijn!’, prevelt hij in de camera.

De kijker lacht. Die mannen, wat een klunzen zijn het toch, en: slechte verliezers.

Een verhaal zonder einde

In de Paris Review sprak Tony Tulathimutte over het ‘afwijzingsplot’. De meeste verhalen bouwen op naar een climax. De held overwint zijn obstakels. De geliefden vallen elkaar in de armen. Zulke verhalen draaien om beweging, om vooruitgang.

Het afwijzingsplot daarentegen gaat volgens Tulathimutte over stilstand. De held verlangt iets, wordt afgewezen, de ellende is onafwendbaar gebleken. Het is hem overkomen, een melodrama – de held is passief. Waar degene die afwijst vaak kan terugvallen op standaardzinnen (‘het ligt niet aan jou, maar aan mij’), blijft degene die wordt afgewezen achter zonder woorden, zonder kader.

Deze ‘scriptloosheid’ maakt de afwijzingservaring chaotisch en desoriënterend, aldus Tulathimutte.

De leegte die daarop volgt, vult hij vervolgens met gepieker, met fantasieën en obsessies. Maar er verandert niets aan zijn afwijzing – het is zijn nieuwe status quo. Het afwijzingsplot is, kortom, een verhaal zonder einde.

Dit plot is daarom juist voor mannen, opgesloten in een onmenselijk ideaal, ondraaglijk. Van hen wordt, zoals Meijer al constateerde, actie verwacht. Het afwijzingsplot is daarom een verhaal dat onverzoenbaar is met wat Meijer de mannelijkheidsmythe noemt.

Deze verhaalstructuur zadelt de man met twee keuzes op: hij kan zich terugtrekken, uit schaamte voor zijn mannelijk falen, en zijn gevoelens wegdrinken of weggamen. Of hij kiest de vlucht naar voren en wendt zich tot geweld.

De tweede progressieve dwaling, schrijft Richard Reeves in Over jongens en mannen, is doen alsof mannelijkheid enkel een cultureel construct is. Net als klimaatverandering is biologie een wetenschappelijk feit, dat stelselmatig ontkend wordt door mensen aan de linkerkant van het politieke spectrum – uit angst dat biologische verschillen, zoals in het verleden, gebruikt zullen worden om seksisme in stand te houden.

Ook hier is sprake van asymmetrie: er is volop aandacht voor de complexe vrouwelijke biologie, voor de menstruatiecyclus en de menopauze. Maar het mannenlichaam wordt nog altijd gezien als het ‘menselijk’ lichaam. Volgens Reeves zijn de drie belangrijkste verschillen tussen gemiddelde mannen en vrouwen – risico nemen, agressie, behoefte aan seks – biologisch van oorsprong. Zo zijn jongens vijfmaal vaker dan meisjes agressief als ze 17 zijn, dat wil zeggen: 17 maanden.

Cultuur kan biologische verschillen uitvergroten, en deze eigenschappen gaan niet op voor álle mannen. Maar deze selectieve wetenschappelijke blindheid van progressieven leidt volgens Reeves tot de derde grote misvatting: dat mannelijk gedrag per definitie schadelijk of, in het therapeutische mediajargon, ‘toxisch’ is.

In 2015 viel het woord toxische mannelijkheid zo’n twintig keer in de media, berekende Reeves. Tien jaar later kun je nauwelijks een krant openslaan zonder alarmerende koppen over deze gevaarlijke vorm van mannelijkheid. Op Instagram, TikTok en YouTube vind je contentmakers die dagelijks video’s plaatsen over ‘toxisch mannengedrag’, in kranten (waaronder de Volkskrant) doen columnisten bijna wekelijks verslag van de wandaden die mannen verrichten.

Giftige mannelijkheid levert clicks op (onze meisjes zijn in gevaar!), raakt aan de morele paniek die de jeugd altijd omringt (onze jongens radicaliseren op hun slaapkamer!), het genereert aandacht en is een lucratief verdienmodel gebleken.

Dit giftige-mannelijkheidsframe is volgens Reeves onterecht: met gevoelens van agressie of lust is op zichzelf niets mis, als ze maar op de juiste manier worden gekanaliseerd. De term is bovendien onduidelijk (hij wordt gebruikt voor uiteenlopende problemen, van de herverkiezing van Donald Trump tot relatief onschuldig antisociaal gedrag).

Ook werkt het frame averechts: het maakt structurele mannenproblemen persoonlijk, geeft jongens het gevoel dat er iets mis is met hún aangeboren eigenschappen en duwt jongens richting de manosfeer, waar Andrew Tate hen met open armen verwelkomt.

Geduwd naar de manosfeer

Makers van series en films, zou je kunnen zeggen, trappen in dezelfde valkuilen. Ze schilderen mannen worstelend met hun mannelijkheid óf als clown af, als onbeholpen klungelende sukkel waar we collectief om lachen (‘zo herkenbaar!’), óf als monster, waar we van gruwelen.

Om maar wat recente uit-te-lachen klungels te noemen:

Saxon, de gespierde boy met zijn blender en proteïnepoeder uit het laatste seizoen van The White Lotus. Kendall en Roman Roy uit Succession. Ken in Barbie. Dominic Di Grasso, de vader in het tweede seizoen van The White Lotus, een zelfbenoemd feminist die zijn impulsen (een seksverslaving) niet in de hand heeft en zo zijn relatie verwoest.

Tim Meijer, het geliefde en herkenbare personage uit Oogappels (wederom gespeeld door Jeroen Spitzenberger) dat met zijn mannelijkheid klungelt in lycrabroekjes. Phil, de vader met de goede bedoelingen in Modern Family, die zelden iets goed kan doen. Gym-bro Schmidt in New Girl. Martin Morero, de zanger met een vruchtbaarheidsprobleem in Gooische Vrouwen. Alle mannen in de serie Papadag.

En het archetype van de man als monster: denk aan Patrick Bateman in American Psycho, Tyler Durden in Fight Club. Mark Zuckerberg, de nerd in The Social Network die maar geen vriendin kan krijgen en daarom Facebook bouwt. Jordan Belfort in The Wolf of Wall Street. Sheriff Roy Tillman in Fargo.

En recenter: alle mannen in de harde zakelijke wereld van Industry (met uitzondering van de zachtaardige Robert), Nate in Euphoria, Patrick Hartman in de serie F*ckulteit, en natuurlijk Jamie, het 13-jarige monster in Adolescence.

Vrijwel alle personages uit contemporaine tv-series vallen in een van deze twee categorieën.

Of: ze springen van de ene categorie in de andere. De feminist in Rejection, de mislukte clown in The Joker, de loser-stalker in de thriller You, de online versierder in de thriller Cat Person, de ongeneeslijk zieke scheikundedocent in Breaking Bad, de maffiabaas in The Sopranos – allemaal worstelen ze met hun mannelijkheid, hebben het gevoel te falen als vader of geliefde, voelen zich afgewezen door vrouwen of de maatschappij.

Ze zijn lachwekkend, en daarom wenden ze zich tot geweld. Van clown naar monster.

Het probleem is dan: we bespotten of problematiseren deze twee vormen van mannelijkheid, maar bieden zelden of nooit een Derde Weg, een alternatief. We demoniseren hun mannelijke impulsen, zonder dat we ze een nieuw script aanreiken om op een gezonde, constructieve manier te kunnen omgaan met die driften.

We lachen Ashton Hall uit, terwijl hij in feite zijn best doet een fatsoenlijke man te zijn.

Wat ook kan: zijn lijden serieus nemen

Het onbestemde gevoel dat ik overhield aan de virale aandacht voor de ochtendroutine van Ashton Hall en Adolescence, of het lezen van Rejection, is dit:

Het zijn allemaal pogingen om het mannenprobleem serieuze aandacht te geven, maar zonder succes. In satire, zoals de feministische persiflages op Ashton, of Haantjes, wordt ‘omhoog’ getrapt. De man, zo lijkt het uitgangspunt, heeft binnen het patriarchaat een machtspositie, en daarom kunnen we enkel met een komische blik kijken naar zijn gevecht met kwetsbaarheid en zijn al dan niet aangeboren lust- en agressiegevoelens.

De tragedie maakt van hem een monster, een slachtoffer van zijn driften. Het is lachen of gruwelen – maar in beide gevallen slagen we er niet in het lijden van mannen echt serieus te nemen.

De New York Times-criticus Parul Sehgal vergelijkt het huidige culturele moment met de jaren zestig, waarin langzaam aan de oppervlakte kwam dat huisvrouwen binnenshuis ten onder gingen aan hun voorgeschreven rol, uitgehold door de saaiheid ervan, zichzelf verdovend met alcohol en voorgeschreven medicijnen.

Ook over het ‘huisvrouwenprobleem’ deed men lacherig: wat heb je te klagen met een auto voor de deur en alle tijd van de wereld om te roddelen met vriendinnen?

Uiteindelijk is er een wetenschappelijk discours ontstaan om die ervaring, die existentiële pijn, te begrijpen. Er kwamen nieuwe verhalen, in boeken en films, en in die nieuwe verhalen werden nieuwe routes verbeeld, alternatieve paden die vrouwen konden inslaan, weg van het huishouden of het beklemmende huwelijk. De werkelijkheid volgde daarop: de nieuwe verhalen gaven vrouwen een voorbeeld van hoe zij hun leven anders konden inrichten, weg van het vaste script en de daarbij horende strikte rolverdeling.

Op dat punt, voordat het probleem echt gestalte heeft, zitten we volgens Sehgal nu met de mannencrisis.

Het is niet voor niets dat vrouwen zoals ik de ochtendroutine van Ashton Hall zo veel aandacht geven. We herkennen de zinloosheid ervan, het repetitieve karakter van de handelingen, het gebrek aan vrijheid dat eruit spreekt. Het doet ons denken aan het leven waaraan wij ontsnapt zijn, het leven van onze grootmoeders, gebonden aan huishoudelijke taken die zich elke dag weer opstapelden, een verhaal zonder einde, zonder betekenisvol doel of zelfverwezenlijking.

We vrezen (terecht) dat we weer terug moeten naar dat leven, en uit angst maken we de mannen belachelijk, of demoniseren we hen.

Het is aan de cultuurmakers om nieuwe verhalen te bedenken waarin de man een ander handelingsperspectief krijgt aangereikt, een alternatief voor geweld, voorbij het afwijzingsplot. Aan mediamakers om voorbij het giftige mannelijkheidsframe te kijken, en de linkse dwalingen af te schudden.

En het is aan vrouwen zoals ik om onderling te stoppen met lachen om klungelende mannen, of hen te snel weg te zetten als gevaarlijke roofdieren. We zouden mannen moeten aanmoedigen om zich een nieuwe rol eigen te maken, ze de mogelijkheid moeten geven om te experimenteren met hun rol, ermee te spelen en te falen.

‘De 21ste eeuw was de eeuw van de vrouwenemancipatie’, zei Esther Perel in 2023 in het tv-programma Zomergasten. ‘De komende honderd jaar zijn de mannen aan de beurt.’ Tijd om de man daar nu de ruimte voor te geven – en te helpen aan een nieuw verhaal.

Adoloscence en Haantjes zijn te zien op Netflix.

Richard Reeves: Over jongens en mannen. Uit het Engels vertaald door Frans Reusink. Meulenhoff; 336 pagina’s; € 24,99.

Tony Tulathimutte: Afwijzing. Uit het Engels vertaald door Arjaan van Nimwegen. Nijgh & Van Ditmar; 272 pagina’s; € 23,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next