Home

Vroeger had Latijns-Amerika Borges en García Márquez. Nu is er Samanta Schweblin, de keizerin van het korte verhaal

Decennialang werd de Spaans-Amerikaanse literatuur gedomineerd door Grote Mannen. Dat is eindelijk veranderd, met Samanta Schweblin voorop. ‘Ik kan niets met Jorge Luis Borges.’

Waar waren de vrouwen? Die met verontwaardiging gekruide vraag klonk steeds luider toen de Spaans-Amerikaanse literatuur ruim vijftig jaar geleden de wereld veroverde, een periode die wordt aangeduid met de Engelse term boom.

Deze doorbraak was een exclusief mannending, met in de voorste gelederen Jorge Luis Borges, Julio Cortázar, Gabriel García Márquez, Carlos Fuentes en Mario Vargas Llosa. De boom gaf een eenzijdig beeld van de literatuur van Spaans-Amerika, want het ontbrak natuurlijk niet aan interessante literatuur van vrouwen. Maar die mocht niet meedoen.

Deze veronachtzaming veranderde niet wezenlijk toen Isabel Allende in de jaren tachtig van zich liet horen.

Zeker, haar debuutroman Het huis met de geesten werd meteen een wereldhit, gevolgd door tientallen andere romans. Allende groeide uit tot de bestverkopende schrijver van Spaans-Amerika, maar haar romans werden niet voor vol aangezien door de smaakmakers, inclusief haar vrouwelijke collega’s. En dat is jammer, want Allendes werk verdient beslist beter dan te worden weggezet als commerciële vrouwenliteratuur.

Een halve eeuw na de boom lijkt het tij dan eindelijk te zijn gekeerd. Nu zijn het de vrouwen die de meeste aandacht trekken en het meest worden vertaald.

De geweldige Fernanda Melchor, de ingetogen Guadalupe Nettel, de veelzijdige Alia Trabucco Zerán, de uitbundige Ariana Harwicz, de koningin van de horror Mariana Enriquez, de keizerin van het korte verhaal Samanta Schweblin: het zijn maar een paar namen van wat wel de boom van de Spaans-Amerikaanse vrouwenliteratuur wordt genoemd.

De Argentijnse Schweblin, die sinds 2012 in Berlijn woont, trekt de meeste aandacht. Haar tamelijk kleine oeuvre (vier verhalenbundels en twee romans) is in zo’n veertig talen vertaald en wordt alom geprezen en bekroond. In 2022 ontving zij in de Verenigde Staten de National Book Award for Translation voor de Engelse vertaling van haar verhalenbundel Zeven lege huizen. In 2017 stond zij met haar roman Gif op de shortlist van de International Booker Prize, samen met onder anderen Amos Oz en David Grossman (die de prijs mee naar huis nam).

Dit jaar verscheen Schweblins nieuwe bundel Het goede kwaad, haar beste tot nu toe. Zes lange verhalen waarin de vertrouwde routine van het dagelijks leven wordt doorbroken door een vreemde, onverwachte gebeurtenis waar de lezer nooit helemaal greep op krijgt, maar die het leven van de betrokkenen een nieuwe richting op stuurt.

Wat vindt u van de boom van de Spaans-Amerikaanse vrouwenliteratuur? Voelt u zich daar deel van uitmaken?

‘Ik hou niet van de term ‘boom’, dat is een economisch begrip en heeft vooral betrekking op de verkoopcijfers. Maar er is de laatste tijd zeker iets belangrijks aan de hand in de Latijns-Amerikaanse literatuur en dat is voornamelijk te danken aan de vrouwelijke schrijvers, die elkaar weten te vinden en elkaar steunen. Ik voel me daar volop bij betrokken’, zegt Schweblin (1978) in een van de kantoorkamers van het International Literature Festival Utrecht. Ze komt met een vertraagde vlucht uit Stuttgart maar is in een opperbest humeur.

Hoe verklaart u dat vrouwelijke schrijvers nu de toon aangeven in Spaans-Amerika?

‘Een belangrijke rol speelde de grootschalige strijd voor de legalisering van abortus in Argentinië een jaar of zes, zeven geleden. Die strijd breidde zich uit naar de rest van Latijns-Amerika en had tot gevolg dat het politiek bewustzijn van vrouwen een hoge vlucht nam en dat zij meer opkwamen voor hun rechten. In het kader van deze feministische golf besloten veel vrouwen dat ze alleen nog maar boeken gingen lezen die door vrouwen waren geschreven, en die werden daardoor veel zichtbaarder.’

Schrijven vrouwen anders dan mannen?

‘Nee, niet echt. Vrouwen zijn zich sterk bewust van hun lichaam door hun maandelijkse cyclus, door hun vermogen om nieuw leven te scheppen, en dat heeft natuurlijk zijn weerslag op hun perspectief op de wereld. Maar allesbepalend is dit zeker niet. Wij zijn simpelweg de andere helft van de schrijvers.’

Hoe verhoudt u zich tot boom-auteurs als Gabriel García Márquez en Mario Vargas Llosa? Wat betekenen zij voor u?

‘Zij waren de eerste schrijvers die ik in mijn puberteit las, toen ik de sprong van jeugdliteratuur naar literatuur voor volwassenen maakte. Hun werk lag voor het grijpen in de bibliotheek van mijn ouders. Dankzij hen werd ik verliefd op de Spaans-Amerikaanse literatuur, maar ik voelde me wel ver afstaan van deze reuzen. Het waren een soort grootvaders voor mij, en met grootvaders ga je niet de strijd aan.’

Die afstand, waar zat hem die in?

‘De boom-schrijvers schreven totaalromans, alles moest erin, en dat stond ver van mij af. Mijn tweede liefde sloot beter bij mij aan: het werk van Engelstalige schrijvers als Raymond Carver, John Cheever en Ian McEwan. Die begon ik rond mijn 20ste te lezen in slechte Spaanse vertalingen. Hun werk was persoonlijker en stond dichter bij mijn eigen leven, al was hun pure realisme juist weer te beperkt voor mij. (Lachend) Ik wilde niet alleen maar over alcoholisten en gescheiden mensen schrijven.’

Argentijnse schrijvers, en met name de mannen, vinden strijk-en-zet dat ze niet om het werk van Jorge Luis Borges heen kunnen. Hoe zit dat met u?

‘Borges is volmaakt, ik ken geen andere schrijver zoals hij. Als lezer bewonder ik hem enorm, maar als schrijver kan ik niks met hem. Hij is als een glazen bol waar ik niet in kom. Met die andere grote Argentijn, Julio Cortázar, die ik las toen ik een jaar of 15 was, voel ik me wel verwant. Zijn verhalen waren een openbaring. Dankzij hem maakte ik kennis met een andere visie op de werkelijkheid, waarin het vreemde, fantastische of bovennatuurlijke geen wereld op zichzelf is, maar deel uitmaakt van de werkelijkheid.’

Voor veel Spaans-Amerikaanse schrijvers was Parijs vanaf het begin van de 20ste eeuw het mondiale centrum van cultuur en beschaving en als zodanig een felbegeerde of zelfs verplichte reisbestemming. Ook veel schrijvers van de boom verbleven voor korte of langere tijd in de Franse hoofdstad. Julio Cortázar ging er zelfs permanent wonen. Waarom bent u naar Europa verhuisd en waarom juist naar Berlijn?

‘Dat is voor een deel toeval. Ik wilde graag ergens anders gaan wonen, maar niet per se in Berlijn. De literaire bubbel van Buenos Aires was me te intens geworden, ik kon me niet meer voldoende afsluiten om te kunnen schrijven. Bovendien ligt Buenos Aires overal ver vandaan, waardoor ik veel lange reizen moest maken voor optredens op festivals en voor de promotie van de vertalingen van mijn boeken.

‘In 2012 kreeg ik van de Duitse overheid een beurs die mij in staat stelde om me in Berlijn een jaar aan het schrijven te wijden, zonder verdere verplichtingen. Daar kon ik me wél goed afzonderen om te schrijven, terwijl er, als ik dat wilde, genoeg te beleven en te doen was in die veelzijdige toren van Babel die Berlijn is.

‘Na dat jaar bleef ik in Duitsland en dat pakte erg goed uit. Ik voel me nog altijd voor de volle honderd procent een Argentijnse schrijver. Zodra ik achter het toetsenbord van mijn computer ga zitten, ben ik weer in Argentinië. Berlijn gaf me de mogelijkheid om mijn land met een blik van buitenaf te bekijken.’

Heeft uw verblijf in Berlijn uw ideeën over Latijns-Amerika veranderd?

‘Zeker! Doordat ik niet meer in Argentinië woon en ik in Berlijn goede vrienden heb uit andere Latijns-Amerikaanse landen, voel ik me niet alleen Argentijn, maar ook Latijns-Amerikaan. Dat was een openbaring. Argentinië ligt niet alleen ver van Europa, maar ook ver van Latijns-Amerika, want Argentijnen zijn arrogant en provinciaals en denken dat de hele wereld om hen draait.

‘Er is nog iets: hoewel de situatie is verbeterd, is de distributie van boeken tussen de landen in Latijns-Amerika nog altijd moeizaam. In Berlijn ben ik pas echt begonnen met het lezen van de Spaans-Amerikaanse literatuur, want daar heb je de grootste bibliotheek van Europa op dat gebied, met enorm veel boeken en tijdschriften die in Argentinië niet te vinden zijn. En door mijn Latijns-Amerikaanse vrienden in Berlijn volg ik nu het nieuws uit hun landen met veel meer aandacht.’

Waarom heeft u zo’n uitgesproken voorkeur voor het korte verhaal?

‘Er is een lange traditie in Argentinië van literaire workshops, die veel schrijvers bij hen thuis in de woonkamer of aan de keukentafel organiseren. Daar worden vooral korte verhalen geschreven en besproken, en dat verklaart deels dat dit in Argentinië zo’n veelbeoefend genre is. Borges heeft zelfs nooit een roman geschreven, alleen maar korte verhalen.

‘Het korte verhaal wordt ten onrechte gezien als een tussendoortje, een afgeleide van de roman. Bij mij is het precies omgekeerd. Mijn twee romans (Gif en Duizend ogen) waren oorspronkelijk korte verhalen, die uitgroeiden tot romans zonder dat dit aanvankelijk de bedoeling was.

‘Veelzeggend is ook dat de Nobelprijs tot nu toe nog maar één keer is toegekend aan een verhalenschrijver, Alice Munro. Maar vergis je niet, het korte verhaal is een kunstvorm op zich. Het is een complex, intens genre, voor zowel de schrijver als de lezer. In een luttel aantal pagina’s kom je in een andere wereld terecht en onderga je een verandering, telkens opnieuw. Je aandacht mag geen moment verslappen, want dan lig je eruit.

‘Een goede verhalenbundel vraagt daarom meer van de lezer dan een roman. Niet dat het ene genre beter is dan het andere, ze zijn gewoon verschillend, net als films en series. Wanneer ik zin heb in iets stevigs dat me raakt en mijn leven niet ongemoeid laat, dan kijk ik een film. Wanneer ik afgepeigerd ben en mijn hoofd leeg wil maken, plof ik neer op de bank en ga een serie kijken.’

Uw twee romans onderscheiden zich van uw verhalen door hun onmiskenbare maatschappijkritiek: de gruwelijke gevolgen van het gebruik van landbouwgif in Gif en de gevaren van nieuwe technologie voor onze privacy en menselijke relaties in Duizend ogen.

‘Dat had ik zelf nog niet gezien, maar dat verschil is er inderdaad. Misschien komt dit doordat de roman zich door zijn omvang meer leent voor politieke onderwerpen en het korte verhaal meer het domein is van het persoonlijke. Het kan ook zijn dat de politiek de afgelopen jaren mijn schrijverschap is binnengeslopen, getuige het verhaal ‘Het oog in de keel’ in mijn nieuwe bundel. Daarin loopt een peuter na het inslikken van een batterijtje een lithiumvergiftiging op, met verstrekkende gevolgen.

‘De plot wordt in het algemeen nogal overschat, het gaat om de emotie. Dát is de kern, dát is wat een verhaal moet overdragen.’

Het intrigerende openingsverhaal van Schweblins nieuwe bundel, ‘Welkom bij de club’, draait om een eenzame vrouw uit een doodgewoon gezin (man, twee dochters, konijn) die doodongelukkig is met haar bestaan. Na een mislukte zelfmoordpoging raakt ze in gesprek met een buurman, een loner die haar, in tegenstelling tot haar man, wel ‘ziet’ en die haar een opmerkelijk advies geeft: zorg dat je elke dag verdriet hebt. Verdriet omdat je je dochters leed berokkent, bijvoorbeeld. ‘Dan bekruipt u een enorm schuldgevoel’, zo legt hij haar uit, ‘en als dat gevoel maar sterk genoeg is, zult u willen blijven om er voor ze te zijn.’

Welke emotie lag ten grondslag aan dit verhaal?

‘De emotie die ik hier gestalte heb proberen te geven, heeft te maken met de manier waarop schuldgevoel werkt bij Latijns-Amerikaanse moeders, als een dolk die je overal raakt. Voor de generatie van mijn moeder gold nog dat liefde, succes en verdienste niet bestonden zonder schuldgevoel, pijn of verdriet. Dat is nogal protestants, als ik me niet vergis. Mijn generatie doet haar best om dit patroon te doorbreken.’

Wat bedoelt u precies met ‘het goede kwaad’, de titel van de bundel?

‘Het is een begrip dat meer in het algemeen betrekking heeft op wat ik schrijf, niet alleen op dit nieuwe boek. We worden sterk gestuurd door allerlei vormen van sleetsheid: onze ideeën over de wereld, de normen en waarden die we hebben meegekregen, angsten die ons ervan weerhouden bepaalde beslissingen te nemen, onze dagelijkse gewoonten.

‘De belangrijke vraag die mij bezighoudt, is: als dit de krachten zijn die richting geven aan ons leven, wat is dan de kracht die ze schaakmat kan zetten en ons kan laten zien waar we eigenlijk mee bezig zijn?

‘Het goede kwaad is die kracht van totale aandacht, die gevaarlijk en zelfs destructief kan zijn maar wél nieuwe inzichten oplevert voor je leven, zoals bij de vrouw uit ‘Welkom bij de club’ gebeurt wanneer ze haar buurman spreekt. Voor mij is schrijven een pleidooi voor deze aandacht en een oefening daarin.’

Als je het begrip ‘het goede kwaad’ letterlijk neemt, kan het niet anders dan dat die ware aandacht en dat nieuwe inzicht altijd tot stand komen via het kwaad. En zo gaat het ook in uw verhalen. Neem de mooie hekkensluiter ‘De Baas op bezoek’, waarin een eenzame vrouw op leeftijd zich afvraagt hoe je dat doet, ‘een leven leiden’. Ze krijgt bezoek van een bullebak van een vent die haar geld wil, die tegen haar uitvaart, haar bedreigt met een pistool en haar zo een nacht lang doodsangsten doet uitstaan.

‘Ja, die man deugt voor geen meter, maar hij brengt iets nieuws en vitaals, want als hij weer weg is, is de vrouw wél een stuk sterker geworden. Ze beseft dat het leven kort is en dat je er wat van moet maken. Ze weet nu wat ze wil en zal voortaan geen beslissingen meer nemen vanuit een gevoel van verlatenheid, maar vanuit een gevoel van vitaliteit.’

U bent in 1978 geboren, tijdens de militaire dictatuur. U was 5 jaar toen daar in 1983 een einde aan kwam. Is die periode van invloed geweest op uw schrijverschap?

‘Absoluut. Mijn generatie groeide op met het gevoel dat er duistere, troebele onderwerpen waren waarover binnen het gezin niet kon worden gesproken, laat staan op straat. Dat verklaart waarom het monsterlijke, het vreemde, het onbekende en het duistere zo’n belangrijke rol spelen in het werk van generatiegenoten als Mariana Enriquez (Ons deel van de nacht; Een zonnige plek voor sombere mensen) en Agustina Bazterrica (Schitterend lichaam; Het boek van de nacht). En ook bij mij. Zo werkt literatuur: daarin manifesteert zich op emotioneel vlak wat we niet rationeel kunnen verklaren.’

Samanta Schweblin: Het goede kwaad. Uit het Spaans vertaald door Eugenie Schoolderman. Meridiaan; 220 pagina’s; € 23,99.

CV Samanta Schweblin

1978 Geboren in Buenos Aires.
1998-2001 Studeert filmwetenschappen in Buenos Aires. Specialisatie: scriptschrijven.
2002 Publiceert haar eerste verhalenbundel El núcleo del disturbio.
2009 Breekt door met haar tweede verhalenbundel De mond vol vogels.
2012 Verhuist naar Berlijn.
2013 Publiceert haar eerste roman Gif.
2015 Verhalenbundel Zeven lege huizen.
2017 De Engelse vertaling van Gif bereikt de shortlist van de International Booker Prize.
2018 Duizend ogen verschijnt, Schweblins tweede roman.
2021 Schrijft samen met regisseur Claudia Llosa het script van Fever Dream, de verfilming van Gif.
2022 Ontvangt samen met haar Amerikaanse vertaler Megan McDowell de National Book Award for Translated Literature voor de Engelstalige editie van Zeven lege huizen.
2025 Verhalenbundel Het goede kwaad.

Samanta Schweblin woont in Berlijn en werkt aan een roman.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next